thumb|250px|O Fado (1910), José Malhoa, Museu do Fado miniatuur|Portugese gitaren (guitarras portuguesas). miniatuur|Optreden van fadista Fábia Rebordão in een fadohuis in Lissabon. Fado is het Portugese levenslied. Amália Rodrigues wordt algemeen beschouwd als een van de belangrijkste en invloedrijkste fadozangeressen ooit. In 2011 heeft de fado een plaats gekregen op de lijst van immaterieel cultureel erfgoed van Unesco.
Fado geeft stem aan de gemoederen van het leven: verdriet, melancholie, nostalgie, verlangen, jaloezie, blijheid, weemoed en vooral saudade. Fado, afgeleid van het Latijnse fatum, betekent zoveel als lot, of beter gezegd: het noodlot, vertaald in muziek. Het is dan ook een muzieksoort waarin melancholie en fatalisme worden gecultiveerd. Ook bezingt fado het leven in (de arme wijken van) Lissabon.
Fado ontstond in de 19e eeuw in de arme wijken van Lissabon: Mouraria, Alfama en Bairro Alto. Naast Lissabon is ook Coimbra van groot belang voor de fado. Oorspronkelijk werd fado voornamelijk in kroegen, tavernes en bordelen gezongen. In de loop van de twintigste eeuw werd fado een erkende zangkunst die uitgevoerd wordt in de betere uitgaansgelegenheden en concertzalen. Traditionele fado is nog steeds te vinden in Lissabon, in zogenaamde fadohuizen (casas de fado): restaurants of cafés waar fado-artiesten optreden.
De traditionele uitvoering van de fado bestaat uit een fadista (fadozanger of -zangeres) met guitarra of guitarra Portuguesa (een soort cister, ook wel Portugese gitaar genoemd), viola of viola da fado (Spaanse gitaar) en eventueel een akoestische basgitaar (viola baixo). In moderne fado worden ook andere muziekinstrumenten gebruikt.
Geschiedenis van de fado We weten niet exact hoe fado ontstaan is. Dit is onderwerp van onderzoek en debat; er zijn dan ook verschillende theorieën over het ontstaan van de fado. Zo zou fado Arabische wortels hebben, ontstaan zijn uit liederen van Portugese zeelieden of wortels hebben in de middeleeuwse poëzie van Provençaalse troubadours. Elk van deze theorieën bevat mogelijk een kern van waarheid, maar wordt ook door sommige deskundigen betwijfeld.
Ontstaan van de fado Waar veel deskundigen het wel over eens zijn, is dat fado in de 19e eeuw is ontstaan in Lissabon. Fado ontstond hier uit een mix van (Afro-)Braziliaanse dans- en muziekstijlen en Portugese en Europese poëzie-, lied- en dansstijlen.
Lissabon en het Portugese rijk Het 19e-eeuwse Lissabon was een internationale stad: een havenstad en een belangrijke stad in het Portugese rijk met een gemengde bevolking. Diverse culturen (Europees, Portugees, Afrikaans, Braziliaans) kwamen hier met elkaar in aanraking.
Van 1808 tot 1822 verbleef het Portugese hof in Brazilië, met een gevolg van bedienden, slaven, zeelieden enzovoorts. Mogelijk zijn Portugese en (Afro-)Braziliaanse genres hier met elkaar vermengd geraakt. Nieuwe genres vonden vervolgens hun weg naar Lissabon.
Zo kon in Lissabon een nieuwe stijl ontstaan uit Afro-Braziliaanse en Portugese invloeden.
Afro-Braziliaanse en Portugese genres Verschillende genres hebben vermoedelijk bijgedragen aan het ontstaan van de Portugese fado:
de sensuele Afro-Braziliaanse dansstijl lundum de Braziliaans/Portugese dans fofa de Spaans/Portugese dans fandango het Portugese en Braziliaanse genre modinha (een sentimentele liedvorm met vaak melancholische, nostalgische teksten) een Braziliaanse stijl met de naam fado
De achterbuurten van Lissabon In Lissabon ontstond in de 19e eeuw een arbeidersklasse door migratie van onder andere vluchtelingen voor de Portugese burgeroorlog en voormalig slaven. Zij kwamen terecht in arme buurten in Lissabon, wijken met sterke gemeenschapsbanden maar ook misdaad, smokkel en prostitutie. Men ontmoette elkaar in tavernes of bordelen. In deze buurten, met een mengeling van immigranten uit verschillende streken, werden genres als lundum, modinha en Braziliaanse fado populair.
Vanaf de jaren 1830 werd het woord fado (dat lot of noodlot betekent) gebruikt voor deze achterbuurten. De term Casa de fado verwees naar de bordelen en tavernes in deze buurten. De term fadista verwees naar bepaalde mannen in deze buurten: vaak mannen zonder vaste baan die zich bezighielden met illegale activiteiten als smokkelen, gokken en prostitutie en betrokken waren bij vechtpartijen.
miniatuur|Poster van de film A Severa (1931), over Maria Severa. De eerste fado In deze buurten ontstond rond de jaren 1830 en 1840 de Portugese muziekstijl fado. Het ging destijds om melancholieke, treurige, klagende zang, begeleid door gitaarspel met een dansbaar ritme, en vergezeld door dans, klikkende hakken en draaiende heupen. Deze vroege fado bevatte elementen van Afro-Braziliaanse stijlen als lundum, onder andere in de dans en de gesyncopeerde ritmes. In het laatste kwartaal van de 19e eeuw werd het danselement geleidelijk minder.
Uit de periode 1840-1860 zijn tientallen fadista's (fadozangers) bekend, zowel mannen als vrouwen. De eerste vrouwelijke fadozangers waren meestal prostituees. Een voorbeeld hiervan is Maria Severa, de bekendste fadozangeres uit de begintijd. Zij werd ook bekend buiten de arme wijken van Lissabon, en haar leven werd een inspiratiebron voor verhalen, songs, theater en film. Fado was destijds overigens nog een genre voor amateurs, niet iets waar men van kon leven.
Teksten in fado gingen vaak over het leven in de achterbuurten: klaaglijke liefdesliederen, liederen over het leven van fadista’s, dood, liefde, werk en lijden van de lagere klassen, feesten, misdaden en rampen, steden, buurten en straten, stierengevechten enzovoorts. Teksten konden ook humor of dubbelzinnigheden bevatten. Er werd gewerkt met een aantal vaste melodieën, daarnaast was er veel ruimte voor improvisatie.
Voor begeleiding werden tot het laatste kwart van de 19e eeuw vooral Spaanse en Portugese gitaar gebruikt. Geleidelijk aan kreeg de Portugese gitaar de voorkeur.
Verspreiding van het genre De komende decennia verspreidde fado zich verder binnen Lissabon en Portugal.
Fado werd een regulier onderdeel van het culturele leven van de arbeidersklasse in Lissabon. Het werd niet meer voornamelijk door prostituees gezongen, ook timmermannen, schoenmakers etc. zongen of speelden fado. Fado werd gezongen in tavernes en herbergen, maar ook tijdens religieuze feesten of bijeenkomsten van vakbonden, politieke partijen en dergelijke. Veel fado's gingen over wat de arbeidersklasse bezighield, zo leidde onvrede over de slechte omstandigheden van arbeiders tot (soms politiek getinte) songs over deze kwesties.
Binnen Lissabon verspreidde fado zich verder naar de midden- en hogere klassen. Fadozangers werden uitgenodigd om op te treden in bijvoorbeeld buitenverblijven of casino's. Fadomuziek werd een onderdeel van revues en muzikale comedy in theaters. Er verschenen regelmatig publicaties met teksten of partituren van fado's voor gitaar of piano.
Fado verspreidde zich ook buiten Lissabon: via rondtrekkende bedelaars/zangers en via de herbergen op routes van en naar Lissabon. Studenten namen fado mee naar de universiteitsstad Coimbra, waar zich een nieuwe vorm van fado ontwikkelde.
Begin 20e eeuw streefden tekstdichters ernaar fado meer respectabel te maken door meer literaire fadoteksten te schrijven. Ondanks dat was er ook kritiek op fado, die tot in de jaren 1950 zou blijven klinken. Conservatieve critici zagen fado als een immoreel genre uit een crimineel en verdorven milieu. Progressieve of socialistische critici zagen in fado een klagende, fatalistische, passieve houding, die sociale verandering in de weg zou staan.
miniatuur|Hermínia Silva. miniatuur|Alfredo Marceneiro. Eerste professionalisering Fado was lange tijd een genre van amateurs. Door optredens in casino's, salons en dergelijke konden fadista's wat geld verdienen, bijvoorbeeld met fooien. Begin 20e eeuw kwamen plaatopnamen op gang en vanaf jaren 1920 gingen labels wedijveren om het vastleggen van gerenommeerde fado-artiesten. De muziek werd vaak begeleid met Portugese en Spaanse gitaar, soms met piano en soms met een band. Ook deze plaatopnamen hielpen om een groter publiek te bereiken.
De middenklasse zag het bezoeken van tavernes in achterbuurten en arbeiderswijken niet als respectabele optie. Dus kwamen er vanaf de jaren 1910 speciale fadogelegenheden (cafés en bierhuizen) voor de midden- en hogere klasse. Zij probeerden een meer 'respectabel' publiek te trekken met bijvoorbeeld kledingvoorschriften, toegangsprijzen of minimumconsumpties. Artiesten werden nu systematisch betaald. Een nieuwe generatie koos voor een professioneel bestaan: onder andere Ercília Costa, Alfredo Marceneiro en Armandinho. Fadista’s als Ercília Costa, Maria Alice, Berta Cardoso en vooral Hermínia Silva werden sterren in het theater.miniatuur|Amália Rodrigues tijdens het Grand Gala du Disque Populaire in Congrescentrum RAI in Amsterdam, 1969. Fado tijdens de dictatuur (1926-1974) In 1926 werd in Portugal na een militaire staatsgreep een dictatuur gevestigd, dit regime wijzigde zijn naam naar Estado Novo in 1933. Dit regime had een grote invloed op de ontwikkeling van de fado.
Fado en de Estado Novo
Tijdens de dictatuur werden muziek en theater gecontroleerd en gecensureerd. Veel teksten met een politieke, ideologische of seksuele inhoud werden afgekeurd. Hierdoor gingen teksten voortaan meer over oude onderwerpen uit de 19e eeuw, bijvoorbeeld droevige teksten over weduwen en wezen, prostituees, enzovoorts. Daarnaast waren er nostalgische teksten waarin het verleden van de vroege fado werd geromantiseerd als traditie van het volk.
Het regime had eerst weinig interesse in fado. Salazar stelde eens het genre deprimerend te vinden. Het genre werd gedoogd en gecontroleerd, maar niet gewaardeerd of gepromoot. Het regime had meer waardering voor traditionele volksmuziek van het platteland, die gezien werd als ware uitdrukking van de nationale identiteit.
Na de Tweede Wereldoorlog ging het regime massamedia en populair vermaak inzetten om het regime en waarden als nationalisme, gehoorzaamheid, en loyaliteit te promoten. Muziek, religie en voetbal (fado, Fátima en futebol) werden ingezet om het volk tevreden te houden. Fado kreeg meer aandacht in de media en tijdens evenementen.
In de jaren 1960 was er een toename van oppositie en studentenprotesten. De meer politiek bewuste en internationaal georienteerde jongeren wezen fado nu af. Veel jongeren luisterden liever naar Portugese (protest)zangers als José Afonso, of naar Amerikaanse, Franse of Braziliaanse muziek.
Professionalisering tijdens de dictatuur
Tijdens de dictatuur zette de professionalisering van fado verder door. Fadista’s moesten verplicht met contracten werken en werden dus professionals. In de jaren 1920 ontstonden fadohuizen in Lissabon: restaurants en tavernes waar het publiek naar fado-optredens kon luisteren.
In deze fadohuizen ontstonden bepaalde gewoontes en gedragscodes. Tijdens optredens ging de deur dicht, werden de lichten gedimd, werden er geen bestellingen opgenomen en werd het publiek geacht stil te zijn. Deze fadohuizen moesten met een meer 'waardige' sfeer de acceptatie bij de elite bevorderen. Er ontstond een vast repertoire van vaak uitgevoerde fado's. Voor een deel waren dit nog oude fado's uit begin 20e eeuw of mogelijk daarvoor. Fadozangers werden geacht hun eigen draai aan het materiaal aan te geven, door bijvoorbeeld emotionele expressie, vocale versieringen, keuzes in tempo enzovoorts. Los daarvan nam de ruimte voor improvisatie in deze periode sterk af.