Willem Elsschot (pseudoniem van Alphonsus Josephus de Ridder) (Antwerpen, 7 mei 1882 – aldaar, 31 mei 1960) was een Belgisch romanschrijver en dichter. Hij schreef poëzie en 750 pagina's proza, met als bekendste titels Lijmen/Het been (roman, 1923 en 1938) en Kaas (roman, 1933). Zijn beroep was reclameman.
Biografie thumb|Elsschot (1920) miniatuur|300x300px|Fragment uit het tijdschrift La Revue van Willem Elsschot. Elsschot werd in Antwerpen geboren als zoon in een bakkersgezin. Hij studeerde in Antwerpen aan de Antwerpse gemeenteschool in de Van Maerlantstraat, het Koninklijk Atheneum van Antwerpen en het Institut Supérieur de Commerce de l'État, later Rijkshandelshogeschool, alwaar hij in 1904 het diploma licentiaat in de handelswetenschappen behaalde. Tijdens deze studie was Elsschot lid van de studentenclub NSK (later Wikings-NSK) en schreef hij hiervoor het clublied. Hij maakte zijn studies aan het atheneum niet af omdat hij van school werd gestuurd. Op het atheneum kreeg hij les van Pol de Mont en ontdekte hij zijn liefde voor de literatuur.
In zijn jeugd bezocht de kleine Alfons de Ridder tijdens de zomervakanties vaak zijn oom in het landelijke Blauberg. Hij ging er graag wandelen in het gebied 'Helschot', tussen Blauberg en Veerle, en ontleende later zijn schrijversnaam aan deze plaats.
De Ridder oefende verschillende beroepen uit; niet enkel in Antwerpen en Brussel, maar ook in Parijs, Rotterdam en Schiedam. In de laatste stad was hij handelscorrespondent op het kantoor van de Werf Gusto, dat model zou staan voor de General Marine and Shipbuilding Company in Kaas. Een oudere collega bij Gusto, mejuffrouw Van der Tak, stimuleerde hem de kleurrijke verhalen die hij vertelde, op papier te zetten.
Vanaf 1912 werkte De Ridder voor het tijdschrift La Revue Continentale Illustrée: industrie, finance, commerce, éducation, van zijn vriend Jules Valenpint, die model stond voor het personage Boorman in de roman Lijmen/Het been, waarin La Revue Continentale is omgedoopt in "Algemeen Wereldtijdschrift voor Financiën, Handel, Nijverheid, Kunsten en Wetenschappen". Het echte tijdschrift ging tijdens de Eerste Wereldoorlog wegens de economische omstandigheden failliet.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij secretaris van het Nationaal Comité voor Hulp en Voeding in Antwerpen. Na de oorlog stichtte hij zijn eigen reclamebureau, dat hij tot aan zijn overlijden bleef besturen. In die rol schreef hij onder andere een tekst met de titel "Lofzang op de mostaard" (eet mosterd van Tierenteyn Ferdinand / veruit de bekwaamste fabrikant / van ons beminde Belgenland). Hij was gespecialiseerd in gedenkboeken van bedrijven en winkeliersverenigingen. Ook gaf hij vijf maal de Almanak der Kroostrijke Gezinnen uit. In 1930 wist hij een koninklijke aanbeveling te verkrijgen voor een ruimschoots van advertenties voorzien gedenkboek ter gelegenheid van 100 jaar onafhankelijkheid van België. Verder verzorgde hij jarenlang reclame-uitingen op de zijwanden van kiosken op honderden spoorwegstations in België. Van 1942 tot 1960 was hij de advertentie-acquisiteur van Snoecks.
Elsschot hield niet van de reclamewereld. Vlak voor zijn dood in 1960 formuleerde hij het als volgt: "Niet alleen walg ik van de reclame, maar ook van de commercie in het algemeen. En ik heb Lijmen geschreven omdat ik er op een of andere manier van af moest komen. Ik moest wel reclame bedrijven, want van mijn pen heb ik nooit kunnen leven."
Elsschot liet in de duinen van Sint-Idesbald (Koksijde) zijn villa Kerkepanne bouwen en vond daar zijn tweede thuis. Daarover schreef hij onder meer in Tsjip.
Met de huwelijkstrouw nam Elsschot het niet zo nauwElsschot, Frits Abrahams, NRC Handelsblad, 29 maart 2004, zo had hij tussen 1946 en 1951 een relatie met de dichteres Liane Bruylants. Volgens haar had hij nog een andere relatie met een onbekende vrouw.
De Nederlandse schrijver/journalist Simon Carmiggelt was al een groot bewonderaar van Elsschot vanaf 1936 toen hij diens gedicht 'Het Huwelijk' las. In 1948 bezocht Carmiggelt hem voor het eerst te Antwerpen en deed drie maanden na de ontmoeting in Het Parool verslag met een eerbiedig interview, waarin hij Elsschot "zonder enige twijfel de grootste in onze taal schrijvende prozaïst van het ogenblik" noemde.Geciteerd bij Henk van Gelder, Carmiggelt. Het levensverhaal, Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 1999, p. 197. Carmiggelt liet zijn Honderd dwaasheden achter en kreeg later een vriendelijke bedankbrief van Elsschot waarin die met paginanummers en al opsomde welke uitdrukkingen hem het meest getroffen hadden.Van Gelder (1999), 197 Carmiggelt bezocht Elsschot ook nog een dag voor zijn dood. Carmiggelt bekende meermalen dat hij in zijn werk veel te danken had aan de stijl van Elsschot. Ter gelegenheid van de verschijning van zijn Verzameld werk ondernam Elsschot in 1957 een lezingentournee door Nederland, waarvoor Carmiggelt om medewerking werd verzocht. Carmiggelt zou een uur inleidend over Elsschot spreken en na de pauze zou Elsschot een half uur uit zijn roman Een ontgoocheling voorlezen. In de wetenschap dat Elsschot zelf onder zijn gehoor zou zitten, bereidde Carmiggelt zich nauwgezet voor. In het Letterkundig Museum bestudeerde hij de briefwisseling tussen Elsschot en Jan Greshoff en selecteerde passages die Elsschots manier van werken op originele wijze belichtten. De eerste bijeenkomst van de tournee was op 24 april 1957 in de grote zaal van De Bijenkorf te Rotterdam. Wat het publiek ervan zou vinden, zei Carmiggelt, "hield mij minder intens bezig dan de vraag wat Elsschot zelf ervan vond."Geciteerd bij Van Gelder (1999), 199 De tournee verliep verder naar Den Haag, Utrecht en het Amsterdamse Vondelpark Paviljoen. Het Algemeen Handelsblad omschreef Carmiggelts bijdrage als "een zachtmoedige, maar niettemin scherp-omlijnende karakteristiek".Algemeen Handelsblad van 7 oktober 1957, geciteerd bij Van Gelder (1999), 199 In zijn Kronkels schreef Carmiggelt niet over deze tournee, maar wel deed hij in de Kronkel van 7 maart 1958 verslag van een bezoek aan Elsschot en gaf details door over de ware identiteit van Boorman en mevrouw Lauwereyssen, de hoofdpersonages uit Elsschots Lijmen/Het been.Van Gelder (1999), 199-200
Willem Elsschot overleed op 78-jarige leeftijd, vermoedelijk aan een hartinfarct, in Antwerpen. Zijn vrouw Fine overleed de dag daarop. Elsschot werd gecremeerd en zijn as werd samen met het lichaam van zijn echtgenote begraven op het Schoonselhof, zijn zerk is gekapt door Clement Jonckheer.
Postuum werd hem de Staatsprijs voor de literatuur toegekend. In 2005 eindigde hij op nr. 49 in de Vlaamse versie van de verkiezing van De Grootste Belg.
Na zijn dood thumb|Standbeeld op het Mechelseplein in Antwerpen
Na het overlijden van Elsschot verminderde de belangstelling voor zijn werk niet. Naast de feestelijke onthulling van het bronzen standbeeld van de hand van Wilfried Pas op het Mechelseplein in Antwerpen in 1994, werd in juli 1999 het Willem Elsschot Genootschap opgericht, dat zich onder het voorzitterschap van Cyriel van Tilborgh actief inzette voor de bekendheid van Elsschots werk en leven, door een niet aflatende stroom van publicaties.
Ook buiten verantwoordelijkheid van het genootschap werden boeken en artikelen over Elsschot gepubliceerd. In oktober 2004 verscheen een eerste biografie, Willem Elsschot, Mythes bij het leven, geschreven door Jan van Hattem. In maart 2011 verscheen de biografie Elsschot, Leven en werken van Alfons De Ridder door Vic van de Reijt bij uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep.
In 2004 wilden drie kleinzonen delen van het archief (identieke eerste drukken en brieven van andere schrijvers aan Elsschot) verkopen. De dochter van Elsschot, Ida de Ridder, en andere familieleden wisten dat via een kort geding in december 2004 te verhinderen. Zij vonden dat de nalatenschap bij elkaar moest blijven. Het archief van Elsschot berustte bij zijn oudste zoon Walter; bij diens overlijden kwam het in handen van de kleinzonen Walter, Fons en Christiaan de Ridder. Recent hebben de erven van de nalatenschap van Alfons de Ridder in onderling overleg beslist dat het literaire archief van Willem Elsschot als één ondeelbaar geheel wordt beschouwd. Aan dit archief is het zakelijke archief van Alfons de Ridder toegevoegd.
Van 2007 (125 jaar na Elsschots geboorte) tot 2010 (een halve eeuw na zijn overlijden) vond in Antwerpen het literair- culturele festival 'De stad van Elsschot'De Stad van Elsschot plaats. Van 30 mei 2010 t/m 31 december 2010 was in het Letterenhuis te Antwerpen de expo 'Dicht bij Elsschot'Letterenhuis. Dicht bij Elsschot te zien, waarop veel stukken uit zijn archief tentoongesteld worden.
In 1995 werd de asteroïde 6309 Elsschot naar hem vernoemd.
Werk Willem Elsschot was een burgerlijke non-conformist, atheïst en antiklerikaal in het zeer katholieke Vlaanderen van zijn tijd. Elsschot publiceerde zijn eerste gedichten in het tijdschrift Alvoorder, dat in 1900 en 1901 verscheen in Vlaanderen. Zijn echte loopbaan als schrijver begon in Rotterdam. Daar voltooide hij in 1910 Villa des Roses (gepubliceerd in 1913). In Villa des Roses beschrijft hij het leven in een Parijs pension en vermeldt hij een miskraam en een zelfmoord. De roman viel, met zijn realistische, sobere stijl, buiten de toen gangbare literaire stromingen. Het werk werd aanvankelijk dan ook nauwelijks opgemerkt door de kritiek en het publiek. Villa des Roses volgt de lotgevallen van een bonte mengeling van gasten in een pension in Parijs. Elsschot, die zijn romans vrijwel altijd baseerde op eigen belevenissen, had zelf enkele maanden in zo'n pension verbleven als secretaris van een Argentijnse zakenman. Ook autobiografisch gekleurd is Een ontgoocheling (1921) over een Antwerpse jongen die van zijn vader advocaat moet worden, maar mislukt op het gymnasium en loopjongen wordt bij een drukkerij.
Zijn bekendste werken volgden in de jaren twintig en dertig: Lijmen (1924), Kaas (1933), Tsjip (1934) en Het been (1938). De twee novellen Lijmen en Het been vormen tezamen een roman. In Lijmen treedt de kantoorklerk Frans Laarmans in dienst van Boorman, directeur van het Wereldtijdschrift. In beide personages, de harde zakenman Boorman en de volgzame, wat slappe Laarmans, zijn kanten van Elsschot zelf te vinden. Het Wereldtijdschrift, een advertentiekrant in de gedaante van een serieus periodiek, bevat lovende, ronkende beschrijvingen van fabrieken, winkels, sanatoria, etc. Boorman tracht de eigenaars daarvan zo veel mogelijk exemplaren van het tijdschrift aan te smeren (het 'lijmen' waarnaar de titel verwijst), met als argument dat ze dit als reclamemateriaal kunnen gebruiken. Zo verkoopt hij 100.000 exemplaren aan mevrouw Lauwereyssen, die een smederij drijft in Brussel en lijdt aan een ernstige beenkwaal. Wanneer Boorman haar vele jaren later tegenkomt, blijkt haar been geamputeerd en heeft zij een houten been. Hij krijgt wroeging en besluit haar het geld terug te geven, wat hem meer moeite kost dan het indertijd aan haar te verdienen. Elsschot schreef het tweede deel, Het been, op aandrang van zijn vriend Menno ter Braak.
Kaas en Tsjip verschenen in het literaire tijdschrift Forum. Kaas vertelt het tragikomische verhaal van opnieuw Frans Laarmans, een brave huisvader die onder invloed van succesvolle, rijke vrienden zijn kantoorbestaan inruilt voor een agentschap in Edammer kaas. Daar Laarmans geen enkele kennis van en talent voor handelspraktijken heeft, is de onderneming tot mislukken gedoemd.
Centrale thema's die vaak in zijn boeken voorkomen zijn het zakenleven (Lijmen/ Het Been, Kaas, Het tankschip (1942)) en het gezinsleven (Een ontgoocheling, opnieuw Kaas, Tsjip en De leeuwentemmer (1940)).