Am Brunnen vor dem Tore is de eerste regel van een Duits gedicht dat zowel in de vorm van een kunstlied als ook in de vorm van een volkslied bekendheid kreeg. De oorspronkelijke titel was Der Lindenbaum. De tekst is van Wilhelm Müller en maakt deel uit van een gedichtencyclus waaraan hij de titel Die Winterreise gaf.
Franz Schubert zette de complete cyclus op muziek onder de naam Winterreise en in het kader daarvan ontstond ook Der Lindenbaum als kunstlied. Friedrich Silcher maakte een bewerking van Schuberts compositie die alom bekend en populair werd. Zo werd het een volkslied. Voor deze versie raakte de beginregel Am Brunnen vor dem Tore als titel ingeburgerd.
Müllers gedicht Wilhelm Müller publiceerde het gedicht voor het eerst als Der Lindenbaum in de bundel Urania - Taschenbuch auf das Jahr 1823, een populair pocketboek aan het begin van de 19e eeuw. Het bevatte een paar honderd bladzijden met gedichten, verhalen en berichten. Hierin was het gedicht het vijfde van een cyclus genaamd Wanderlieder von Wilhelm Müller. Die Winterreise. In 12 Liedern. Müller breidde Die Winterreise uit tot 24 gedichten en publiceerde deze uitgebreide versie in het tweede deel van zijn Sieben und siebzig Gedichte aus den hinterlassenen Papieren eines reisenden Waldhornisten (Zevenenzeventig gedichten uit de nagelaten papieren van een reizende hoornist). Der Lindenbaum is hierin ongewijzigd opgenomen. De uitgave uit 1824 werd verzorgd door Christian G. Ackermann in Dessau en werd aan Carl Maria von Weber opgedragen.Ernst Hilmar: Franz Schubert, Rowohlt, Hamburg, 1997, pag. 98.
Tekst
Metriek en vorm Het gedicht volgt nauwgezet een in Müllers tijd reeds welbekend patroon: kwatrijnen met gebroken rijm (rijmschema abcb). Een doorlopend metrum vormt de basis van de tekst; elke regel bestaat uit drie jamben. De regels eindigen afwissend op een beklemtoonde of een onbeklemtoonde lettergreep.
Dit patroon wordt in de Duitse literatuur een Volksliedstrophe genoemd. Volksliederen op hun beurt, volgen in werkelijkheid geenszins een vaste vorm. Zo is bijvoorbeeld in de beroemde volksliedverzameling Des Knaben Wunderhorn een bont palet aan variabel gebruikte metra, rijmschema’s en strofevormen te vinden. De vorm van de Volksliedstrophe was desalniettemin bij de romantici zeer geliefd en reeds gevestigd als volksliedachtige, goed zingbare gedichtvorm die eenvoud suggereerde. We zien dit al in het tien jaar oudere gedicht van Eichendorff Das zerbrochene Ringlein waarmee het begin van de Lindenbaum duidelijk verwantschap vertoont. Müller past het vormschema in zijn gedicht zeer streng toe en ziet af van iedere variatie.
Bijna alle gedichten uit Die Winterreise zijn onderworpen aan een vergelijkbare structuur qua vorm en metrum. De rustige cadans van de verzen die hierdoor ontstaat blijft nagenoeg onberoerd door de duistere thema’s en stemmingen van de cyclus, zoals Rolf Vollmann constateert. Dit contrast heeft een sterk effect, Vollmann spreekt zelfs van ‘ontzetting’.Rolf Vollmann: Wilhelm Müller und die Romantik. In: Arnold Feil: Franz Schubert. Die schöne Müllerin. Winterreise. Stuttgart, Reclam, 1975, S. 173–184; hier: pag. 183 Ook Erika von Borries betoogt dat de tegenstelling tussen de rustige gang van de taal en verontrustende inhoud ervan de gedichtencyclus een ‘huiveringwekkende en vervreemdende’ zeggingskracht verleent.Erika von Borries: Wilhelm Müller – Der Dichter der Winterreise – Eine Biographie, C.H. Beck, 2007, pag. 165
Context: Die Winterreise Der Lindenbaum vormt één etappe binnen de losjes aaneengeregen verhaallijn van Müllers gedichtencyclus. Nog voor het begin ervan ligt het stranden van een liefdesrelatie van de protagonist, een jonge man, die het lyrisch ik van de cyclus belichaamt.Becker & Funck, 'Winterreise', programmablad Het eerste lied Gute Nacht schetst de uitgangssituatie: de ik-figuur verlaat op een winternacht het ouderlijk huis van zijn geliefde en begint aan een eenzame, doelloze voettocht. De gedichten van de cyclus beschrijven de verschillende etappes ervan, waaronder bevroren rivieren, met sneeuw bedekte rotstoppen, dorpjes en kerkhoven – en natuurlijk ook de lindeboom.
Die Winterreise wordt als monodrama beschouwdBernd Leistner: [wilhelm-mueller-gesellschaft.de/biographischer-essay/ Biographischer Essay: Dichter, Literator, Philologe], op de site van de Internationale Wilhelm-Müller-Gesellschaft maar ook als een vorm van rollenlyriek.Vollmann, pag. 182 In alle gevallen spreekt de ik-figuur met zichzelf, met de natuur dan wel met zijn hart. Sommige motieven keren herhaaldelijk terug: liefde, doodsverlangen, de tegenstelling tussen het gestolde winterlandschap en de vloeiende emoties (vooral in vorm van tranen), verzet en berusting, maar bovenal het gedreven, haast dwangmatige “wandern” (voorttrekken).Wittkop 1994, Hufschmidt 1992MGG – Die Musik in Geschichte und Gegenwart, deel 12, onder redactie van Friedrich Blume, dtv (Bärenreiter), 1989, pag.161
In de gehele cyclus valt het gebruik van tegenoverstellingen in de taal op (hete tranen – sneeuw, verstarren – smelten, etc.), precies zoals het kenmerkend is voor een volkslied dat immers ook afziet van fijne nuances. Volgens Erika von Borries slaagt Müller er op die manier in om actuele ervaringen van zijn tijd te vertolken terwijl hij ze in oude vormen inbedt die een naïef vertrouwd gevoel geven.Von Borries, pag. 159 De grondthema’s uit Der Lindenbaum, droom en rust, verschijnen meerdere keren in de cyclus met telkens een andere betekenis. Met deze meerduidigheid wil de poëet volgens von Borries een onbetrouwbaar geworden wereld symboliseren.Von Borries, pag. 165 en 169
Volgens Achim Goeres is de cyclus en het begrip winter op te vatten als metafoor voor de restauratiepolitiek na het Congres van Wenen (zie ook: Deutschland. Ein Wintermärchen van Heine). Evenals bij Heine staat de politieke winter tegenover de maand mei als politiek pendant (“Der Mai war mir gewogen” – mei was mij welgezind).Achim Goeres: …was will ich unter den Schläfern säumen? – Gedanken zu Schuberts Winterreise. Goeres.de. Abgerufen am 20. Juni 2010. De politieke dimensie van de Winterreise wordt door Harry Goldschmidt als volgt beschreven:
Müllers tekst van Die Winterreise verscheen in het literatuurtijdschrift Urania dat – uitgerekend naar aanleiding van een tekst van Müller – in 1822 verboden werd. Hoewel Schubert zelf niet politiek actief was onderhield hij wel nauwe contacten met de intellectuele oppositie.Schubert verkeerde vanaf 1818 in de kring rond Anton Ottenwald, Josef Kenner, Friedrich Mayr en Johann Senn, die zich bezighield met literair-artistieke, ethische en nationale vraagstukken. In 1820 deed de politie een inval bij Senn om zijn geschriften te inspecteren en nam hem daarop in hechtenis. Schubert zou tijdens de arrestatie met verbaal geweld tegen de ambtenaren tekeer zijn gegaan en kreeg een waarschuwing.(zie: Ernst Hilmar: Schubert, Rowohlt, 2e druk, Hamburg,1997, pag. 29–31 en Otto Erich Deutsch: Franz Schubert – Die Dokumente seines Lebens, gesammelt und erläutert von Erich Deutsch, Neue Ausgabe sämtlicher Werke, deel 5, Leipzig, 1964, pag. 88)"Ook al was Schubert zelf geen politieke agitator onderhield hij wel voortdurend contact met de politieke oppositie, die Metternich stiekem door 10.000 geheim agenten liet bespioneren." In: Peter Vujica: Müller-Lieder aus dem Underground in: Zeitschrift der Gesellschaft der Musikfreunde in Wien, februari 2005
Vaak heeft men getracht om de gedichten van Die Winterreise in groepen in te delen. Zo gaat Norbert Michels uit van groepen van telkens vier gedichten (hier: Der Lindenbaum, Wasserflut, Auf dem Flusse en Rückblick). Hierbij zou volgens hem het eerste gedicht van een groep steeds een vernieuwing, een andere psychische gesteldheid dan wel ontluikende nieuwe hoop van de reiziger inluiden.Norbert Michels: Wilhelm Müller – Eine Lebensreise – Zum 200. Geburtstag des Dichters, Boehlau, 1994, pag. 101
Structuur Het tijdsverloop in het gedicht in aanmerking genomen komen er duidelijk drie delen naar voren: de twee eerste kwatrijnen zijn voor een deel tijdloos of hebben betrekking op een ver verleden. Pas in het derde kwatrijn ontstaat er een verband met de handeling van de cyclus: de ik-figuur spreekt nu over een gebeurtenis in het nabije verleden. Hij is namelijk “vandaag” langs de lindeboom gekomen. Het zesde kwatrijn is een terugblik van de ik-figuur, verteld in de tegenwoordige tijd (“nu”).Deze benadering van de tijdstructuur wordt door Hufschmidt (pag. 96 e.v.), Wittkop (pag.113 e.v.) en Brinkmann (pag. 18 e.v.) gekozen.
thumb|Wilhelm Müller, Franz Schubert, en Friedrich Silcher (van links naar rechts) De eerste twee kwatrijnen beschrijven met waterput, poort en lindeboom de klassieke componenten van een lieflijk oord, een zogenaamde ‘locus amoenus’. Hierop volgt een reeks van nogal conventionele beelden (wonderschone droom, lief woord), die aan het clichématige grenzenHufschmidt, pag. 96. en een vergane gelukkige tijd op deze plek oproepen. En het is juist dit deel van het lied dat zo geliefd is op prenten en ansichten.Zie de voorbeelden op de bovengenoemde weblink naar de site van het Goethezeitportal Vergeleken met de andere natuurbeelden uit Die Winterreise, die vooral door rotsen, sneeuw en ijs bepaald worden, komt het ensemble van lindeboom/poort/waterput over als een idyllisch eiland.
Met het derde kwatrijn verandert niet alleen de situering in de tijd maar ook de stemming abrupt. Als contrast komt tegenover de statische idylle de rusteloze, dwangmatige beweging van het lyrisch ik te staan, een beweging die het langs de lindeboom voert. Hoewel het toch al diep in de nacht is, vermijdt de wandelaar ieder blikcontact, “hij kan of wil er niet naar kijken”.
Maar de magnetische werking, die eerder aan de boom toegeschreven werd ( “…wilde ik steeds bij hem zijn”), voltrekt zich nu via een ander zintuig, het gehoor: het ruisen van de bladerloze takken dat op de reiziger als lokroep en belofte overkomt. Christine Wittkop wijst op de donkere oe-klanken ("zu", "Ruh"), die deze belofte om verlost te worden van het verder trekken kleuren. Hiertegen steken de lichte a- en i-klinkers in het volgende kwatrijn duidelijk af (kalten, Angesicht, Winde, bliesen).Wittkop, pag. 78. Dit vijfde kwatrijn mondt uit in de eerste bewuste handeling van de ik-figuur: hij weerstaat de lokroep van de boom. Dit besluit krijgt een eigen regel terwijl de betekeniseenheden doorgaans twee regels beslaan. De ik-figuur neemt de beslissing om onbeschut (zonder hoed) verder te trekken en trotseert blootshoofds kou en geweld van de wind.
De overgang naar het zesde kwatrijn wordt opnieuw gemarkeerd door een abrupte wisseling van stemming. Nu komt de actuele situatie in het verhaal in beeld: de zich herinnerende en vertellende ik-figuur is inmiddels “manche Stunde” (uren) verwijderd van hetgeen er in de vorige drie kwatrijnen is gebeurd. Het laatste kwatrijn pakt het element van de tijdloosheid (“immer” – steeds) weer op dat ten grondslag lag aan de eerste twee kwatrijnen. Ook grijpt het terug op de woorden die de takken van lindeboom ruisen in het vierde kwatrijn, die nu echter in de irrealis staan (“fändest” – zou vinden). Deze woorden kun je opvatten als de kwintessens die vanuit de verte bezien overblijft (“jenem Ort … dort").
Formele en inhoudelijke tekstinterpretatie Zowel Müllers tekst als de beide muzikale versies ervan hebben ettelijke interpretaties en duidingsmodellen teweeggebracht, enerzijds op het vlak van literatuur- en muziekwetenschap met betrekking tot Müller, Schubert en Silcher, maar ook in breder perspectief op het terrein van muzieksociologie, historische wetenschap, germanistiek en psychologie.