Sinraptor is een geslacht van vleesetende theropode dinosauriërs, behorend tot de Carnosauria, dat tijdens het Jura leefde in het gebied van de huidige Volksrepubliek China.

Het fossiel van Sinraptor werd in 1987 gevonden. Het geslacht kreeg in 1994 zijn naam, die zoiets als "Chinese rover" betekent, toen de typesoort Sinraptor dongi benoemd werd. Tegelijk werd ook een tweede soort in het geslacht benoemd: Sinraptor hepingensis. Later onderzoek maakte het echter twijfelachtig of beide soorten wel in één geslacht thuishoren.

Sinraptor dongi werd een kleine acht meter lang en woog ruim een ton. Het dier liep op zijn achterpoten waarbij de horizontale romp in evenwicht werd gehouden door de staart. De kop was tamelijk langwerpig en stond vrij hoog op de nek. Op de snuit liepen in de lengterichting twee richels over in kleine hoorntjes boven de ogen. Het skelet was sterk doortrokken van luchtholten.

Sinraptor behoort tot de Metriacanthosauridae. Hij is verwant aan verschillende Aziatische soorten.

Vondst en naamgeving In september 1987 vond een Canadees-Chinees team bij Jiangjunmiao in Xinjiang het skelet van een grote theropode. Het werd eerst aangezien voor een exemplaar van Monolophosaurus en in artikels door wetenschapsjournalist Alun Mark Anderson gemeld onder de naam "Jiangjunmiaosaurus", de naam die men eerst aan Monolophosaurus had willen geven.

In 1994 werd de typesoort Sinraptor dongi benoemd en beschreven door Philip John Currie en Zhao Xijin. De geslachtsnaam combineert een verwijzing naar de Sinae, "Chinezen" in het Latijn, met raptor, "rover". De soortaanduiding eert de Chinese paleontoloog Dong Zhiming als ontdekker.

Het holotype, IVPP 10600, is gevonden in een laag van de Shishugouformatie die dateert uit het vroege Oxfordien, ongeveer 160 miljoen jaar oud. Het bestaat uit een skelet met schedel. Bewaard zijn gebleven: de bijna complete schedel, de onderkaken, tongbeenderen, de wervelkolom tot en met vermoedelijk de zevende staartwervel, nekribben, ribben, buikribben, de schouderbladen, vier middenhandsbeenderen, het eerste kootje van de eerste vinger, het tweede en derde kootje van de tweede vinger en het eerste kootje van de derde vinger van de rechterhand, het hele bekken en de achterpoten. Het betreft een onvolgroeid dier. Van het skelet lagen het rechterdeel van de schedel, de wervels, de hand en de rechterachterpoot in verband. De andere botten waren verspreid geraakt maar niet over een groot oppervlak. Negen tanden die in een skelet van een sauropode waren aangetroffen, zijn aan de soort toegewezen. In de formatie zijn verder nog losse tanden, waaronder specimen IVPP 15310, een tand van tien centimeter lengte, in 2008 de langste theropodentand uit de Jura bekend, specimen IVPP V 18060, een vierde linkermiddenvoetsbeen van een groot exemplaar en een schedel met halswervels als sinraptoride vondsten gemeld maar die zijn niet formeel aan Sinraptor toegewezen.

In 2006 werd het quadratum voor het eerst beschreven. In 2012 werd de hersenpan van het holotype in detail beschreven.

In 1999 hernoemde Gao Yuhui de soort in een Yangchuanosaurus dongi. Dit heeft echter geen navolging gevonden.

In 1994 benoemden Currie en Zhao meteen een tweede soort van Sinraptor: Sinraptor hepingensis, door Yangchuanosaurus hepingensis Gao 1992 te hernoemen. De tweede soort is gebaseerd op een in 1985 in dezelfde formatie gevonden 884 centimeter lang skelet met schedel, specimen ZDM 0024, dat sterk op Sinraptor dongi lijkt. Latere analyses hadden echter tot uitkomst dat beide soorten, hoewel vrij nauw verwant, geen zustersoorten zijn. De plaatsing in één geslacht wordt daarmee problematisch en men spreekt daarom wel van een "Sinraptor" hepingensis.

Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken De lengte van het holotype van Sinraptor dongi is eerst geschat op 7,2 meter en later op 762 centimeter. In 1993 schatte Currie het gewicht op één ton, afgaand op de diameter van het dijbeen. De tand IVPP 115310 is wel afkomstig gezien van een exemplaar van elf à twaalf meter lengte.

In 1994 werden enkele onderscheidende kenmerken van Sinraptor dongi gegeven ten opzichte van "Sinraptor" hepingensis. De praemaxilla is langer en lager. Er bevinden zich meer en meer uitgebreide secundaire groeven op het bovenkaaksbeen. De achterste tak van het postorbitale heeft een geringere uitbreiding op de zijkant van de schedel. De beenbalk die de onderste achterste zijkant van de schedel uitmaakt, is langer.

Verder was er een aantal kenmerken dat uniek was ten opzichte van andere in 1994 bekende Carnosauria. Het achterdeel van het jukbeen eindigt in drie takken. Een verruwing op het postorbitale vormt de buitenste begrenzing van een grote driehoekige uitholling op het schedeldak. De tak van het verhemeltebeen richting jukbeen heeft de vorm van een duidelijk afstaand uitsteeksel dat beneden het niveau van de beennaad met het bovenkaaksbeen uitsteekt. Het holle binnenste van het ectopterygoïde loopt door in een pneumatische opening die aan de voorste onderzijde is gelegen, aan de binnenzijde van het contact met het jukbeen. Op het achterhoofd steken de exoccipitalia beneden de tubercula basilaria uit. De achterhoofdsknobbel is schuin naar achteren en beneden gericht. Een buiging in het complex van de atlas en de draaier brengt de nek sterker onder het niveau van het achterhoofd. Latere vondsten zouden vaak aantonen dat deze eigenschappen ook bij andere soorten aanwezig waren. Zo werd de voornoemde buiging bij atlas en draaier in 2009 ook beschreven bij Shidaisaurus.

Skelet Schedel

De schedel van het holotype heeft een lengte van negentig centimeter. De algemene bouw ervan is relatief laag en langwerpig. De snuit heeft een lengte van tweeënvijftig centimeter. Bij de oogkassen wordt de grootste hoogte bereikt van drieëndertig centimeter. De schedel kenmerkt zich door een uitgebreide pneumatisering die heeft geleid tot een opvallende van buiten zichtbare uitholling van verschillende elementen.

Het neusgat is relatief klein en wordt niet bereikt door het bovenkaaksbeen, een erg basaal kenmerk. Een belangrijk deel van het zijvlak van de snuit wordt doorboord door een grote fenestra antorbitalis, drieëntwintig centimeter lang en twintig centimeter hoog. Dit venster wordt bereikt door het jukbeen. De oogkas is hoog en smal, licht ingesnoerd. Het onderste slaapvenster is groot en trapeziumvormig met een lange onderste beenbalk; die zou later ook beschreven worden bij Giganotosaurus. Het bovenvlak van de snuit staat duidelijk overhangend af van de zijvlakken. De zijranden zijn echter niet erg ruw. De richels op de snuit zijn zwak ontwikkeld. Het traanbeen heeft een laag hoorntje dat bij Currie die naam niet eens mocht hebben.

De praemaxillae vormen de in bovenaanzicht vrij spitse snuitpunt. Iedere praemaxilla wordt doorboord door een dozijn zenuwkanalen en aderkanalen. Het hoofdlichaam is flink hoog en maar iets lager dan hoog. In zijaanzicht loopt de snuitpunt vrijwel verticaal. De opgaande tak buigt ruim voor het neusgat naar achteren, tot een hoek van 40°, een kleine bolling vormend. Het grote foramen onder het neusgat loopt tussen de praemaxilla en het neusbeen. De interne vleugel staat laag. Achter de vier premaxillaire tanden liggen vier onvergroeide interdentaalplaten die naar achteren in hoogte toenemen. De snijrand van de premaxillaire tanden is iets naar binnen gedraaid maar dat levert geen echte D-vormige dwarsdoorsnede op.

Het bovenkaaksbeen heeft een lengte van tweeënveertig centimeter. Het wordt uitgehold door een gladde fossa rond de voorste fenestra antorbitalis. Direct aan de voorrand ervan, iets boven de voorste punt, ligt een kleinere opening, de fenestra maxillaris. Achter dit venster ligt een diepe pneumatische opening, de achterwand doorborend van een scheidende brede verticale beenrichel. Boven het venster liggen, in een langwerpige omvattende uitholling, nog eens drie grote diep instekende foramina, van elkaar gescheiden door lange gekromde beenrichels. De voorste is het grootst en vormt een verbinding met de interne holte van het bovenkaaksbeen. Twee meer naar achteren gelegen kleinere openingen zijn verbonden met de fenestra antorbitalis. Er is een grote interne vleugel onder een binnenste bolling van de interne holte met vier openingen aan de binnenwand. Er zijn vijftien maxillaire tanden. De interdentaalplaten zijn niet vergroeid. De achterste tak van het bovenkaaksbeen overlapt de voorste tak van het jukbeen zijdelings maar wordt zelf weer bovenaan door een uitloper van het jukbeen zijdelings overlapt. De voorste tak van het jukbeen wordt gepneumatiseerd via twee pneumatoporen in de uitholling rond de fenestra antorbitalis. De holten lopen door onder de oogkas en in de lange dunne opgaande tak naar het postorbitale. Die tak wordt door de neergaande tak van het postorbitale iets zijdelings overlapt, een basaal kenmerk. Van de achterste tak naar het quadratojugale is de onderste punt weer gevorkt zodat drie uitsteeksels ontstaan. Van de vork rust één tand tegen de onderkant van het quadratojugale terwijl een tweede een lang uitsteeksel vormt dat in een groeve in de binnenkant steekt.

Het neusbeen heeft een lengte van 515 millimeter. De neusbeenderen worden van voren ingekeept en overlapt door de praemaxillae. De raakvlakken van de neusbeenderen zijn vooraan wat afgerond en Currie vermoedde dat hier wat beweging mogelijk was ter absorptie van schokken. Boven de fenestra antorbitalis zijn er twee pneumatische openingen. Hoewel die slechts door achttien millimeter gescheiden zijn, lopen ze niet in elkaar door. De voorste leidt voorwaarts naar holten in de onderste en interne takken, de achterste achterwaarts naar het holle binnenste van het bot dat het bovenvlak vormt. Het L-vormige traanbeen heet een gewrongen neergaande tak die het bovenkaaksbeen niet bereikt. Achteraan heeft deze tak een bult in de oogkas, de bevestiging van het ligamentum suborbitale dat de oogbol ondersteunde. In de voorste tak bevinden zich grote pneumatische openingen. In de hoek tussen de twee takken ligt de gebruikelijke grote opening waarvan sommigen hebben gespeculeerd dat er een traanklier in lag; Currie wees erop dat de opening voorwaarts gericht is en het best verklaard kan worden als het gevolg van het binnendringen van een uitloper van de neusholte. De echter traanklieren zouden in kleine openingen in de achterrand gelegen hebben. Het prefrontale is kort en breed. Het voorhoofdsbeen is smal en vlak, de bovenrand van de oogkas bereikend. De beennaad tussen voorhoofdsbeenderen en de zeer korte wandbeenderen is verdikt, de uitholling rond het bovenste slaapvenster overhangend maar er is geen middenkam tussen de wandbeenderen. Daarentegen is er een zeer hoge en sterk voorwaarts gelegen nekkam. De voorste tak van het postorbitale vormt een dikke beenwal boven de achterste oogkas die naar voren bijna tot aan het traanbeen reikt. Aan de binnenzijde van die wal ligt een aparte, hoge maar smalle, richel die de buitenste begrenzing vormt van de voorste uitholling van het bovenste slaapvenster, welke fossa uitloopt over de buitenste tak van het voorhoofdsbeen. De achterste tak rust met een lange binnenste tak in een uitholling in de voorste tak van het squamosum in plaats van die met een buitenste tak zijdelings te overlappen zoals bij de meeste grote theropoden. Het squamosum heeft maar een korte interne tak.