Met de kapellen van de Sint-Servaasbasiliek worden de circa twintig kapellen bedoeld, die onderdeel zijn of waren van het Sint-Servaascomplex in de Nederlandse stad Maastricht. Behalve de huidige negen zij- en transeptkapellen in de kerk zelf, omvat het overzicht twee niet meer als zodanig in gebruik zijnde transeptkapellen, een kapel in het westwerk, twee kapellen in de kruisgang en drie kapellen, die in de negentiende eeuw of eerder zijn afgebroken. De ondergrondse 'kapellen' of crypten blijven hier buiten beschouwing, evenals de lang verdwenen cella memoriae, de grafkapel waarmee de geschiedenis van de kerk ooit begon.
Geschiedenis Over de kapellen en altaren van de Sint-Servaasbasiliek is nooit een allesomvattende studie verschenen, hoewel begin twintigste eeuw veel bronnenonderzoek is gedaan door de Maastrichtse archivaris Pierre Doppler. De geschiedenis van de meeste kapellen is grotendeels in het duister gehuld, zowel de bouwgeschiedenis als het gebruik ervan. Een terugkerend probleem vormen de vage en ambigue plaatsaanduidingen in de bronnen, zoals antiqua capella (oude kapel), capella lateralibus (zijkapel) of capella in ambitu (kapel in de ommegang). Van veel historische altaren is de exacte locatie onbekend, te meer omdat deze nogal eens werden verplaatst. Het hierna volgende overzicht moet daarom met de nodige voorzichtigheid worden benaderd.
Van de voorlopers van de huidige Sint-Servaaskerk zijn sinds de archeologische opgravingen in de jaren 1980 de plattegronden min of meer bekend. De eerste, de cella memoriae uit de vierde eeuw, was in feite niet meer dan een laat-antieke gedachteniskapel op het graf van bisschop Servatius. De twee daarop volgende driebeukige basilica's hadden voor zover bekend geen aparte kapellen. De huidige romaanse kerk die in 1039 werd ingewijd en daarna vele malen is herbouwd, bezat aanvankelijk evenmin kapellen. Onder proost Humbertus werd de kerk in het derde kwart van de 11e eeuw uitgebreid met een viertal kapellen. Op het in 1988 ontdekte grafkruis van Humbertus staat vermeld dat tijdens zijn bewind "drie kapellen aan de zijkanten en één aan de westzijde" (capellis III. lateralibus [et] una occidentali) tot stand kwamen. Volgens verschillende kunsthistorici kan de westelijke kapel vereenzelvigd worden met het westkoor in het westwerk. De drie zijkapellen zouden betrekking hebben op de twee nog bestaande transeptkapellen en de verdwenen Maternuskapel. Op het grafkruis van Humbertus is tevens te lezen dat hij "heel de kruisgang" (toto claustro) liet vernieuwen, inclusief de kapittelzaal (capitolio) en de sacristie (vestiario), waarmee waarschijnlijk de Dubbelkapel is bedoeld.Panhuysen (1988), pp. 309-319.Mekking (1988), pp. 332-334.
thumb|left|210px|De Sint-Servaaskerk op een 15e-eeuwse illuminatie (British Library, Londen). Midden: Koningskapel. Rechts: Dubbelkapel. Uiterst rechts: toren Livinuskapel? Zoals in alle middeleeuwse kerken stonden ook in de Sint-Servaaskerk geen kerkbanken. Bij elke pijler in het kerkschip bevond zich tot 1608 een altaar, waar regelmatig missen werden opgedragen. Deze tien pijleraltaren, met het hoogaltaar en westwerkaltaar, zijn door sommige auteurs gelijkgesteld met de twaalf altaren die bij de kerkwijding in 1039 door twaalf bisschoppen werden gewijd.Mekking (1988), p. 333. De pijleraltaren zijn echter vermoedelijk jonger dan de zes altaren die in een oorkonde uit 1285 genoemd worden, en de lijst van "zeven oude altaren" uit 1369, waarvan er in elk geval vier niet bij een pijler maar in een kapel of crypte stonden: het Agatha-altaar in de proostenkapel, het altaar van Johannes de Evangelist in de "oude kapel" (Maternuskapel?) en twee niet nader omschreven altaren in de crypte en de kapittelzaal (Dubbelkapel).Kroos (1985), pp. 323, 328-329. In de Ordinarius chori van de kerk, een liturgisch boek uit omstreeks 1285, worden de volgende altaren genoemd: het hoofdaltaar, een altaar gewijd aan Sint-Andreas "onder het kruis", een Sint-Catharina-altaar naast het Bergportaal (een voorloper van de doopkapel?), een Johannesaltaar in de "oude kapel" en drie altaren gewijd aan Sint-Laurentius, Sint-Nicolaas en Sint-Martinus (van Tours) op een niet nader omschreven locatie.Tagage (1993), p. 222. Geopperd is dat deze oude altaren nog uit de tijd van Humbertus stammen. Op het grafkruis wordt namelijk vermeld dat hij, naast de vier kapellen, de kerk verrijkte met vaste altaren uit één stuk (solidis [et] i[n]tegris altarib[us]).Den Hartog (2002), p. 289.
thumb|Noordelijke kapellen vanaf de pandhof (Van Gulpen, ca. 1850) thumb|Zuidelijke kapellen vanaf de Sint-Janstoren, 1962 In 1380 telde de kerk al 24 altaren en dat aantal nam in de eeuw daarna nog toe. Om al deze altaren een plek te geven, werden in de 14e en 15e eeuw aan de noordzijde van de noordbeuk en aan de zuidzijde van de zuidbeuk in totaal twaalf zijkapellen aangebouwd, aan elke zijde zes. De kapellen werden in gotische stijl opgetrokken uit Limburgse mergel. Het oorspronkelijk patrocinium van de kapellen is in de meeste gevallen niet bekend. Zo werd in 1462 een altaar gesticht, waarschijnlijk in een zijkapel, gewijd aan Maria, Johannes de Doper, Sint-Servaas en Sint-Antonius, maar niet bekend is of deze kapel dezelfde is als de in 1556 genoemde Antoniuskapel of de huidige kapel met die naam. Een van de noordelijke zijkapellen was in 1482 gewijd aan de Heilige Maagd, Sint Barbara en Sint-Petrus, maar welke precies werd niet vermeld.Kroos (1985), p. 336.
Na de opheffing van het kapittel in 1797 werd vrijwel alles wat los en vast zat aan de kerk verkocht, gestolen of vernield. Toen de parochie in 1804 weer bezit kon nemen van de kerk, trof men een desolaat gebouw aan, dat opnieuw ingericht moest worden. De lokale amateurhistoricus Martinus van Heylerhoff meldde dat in deze tijd de Koningskapel en de Maternuskapel gesloopt werden en dat het aantal zijkapellen door het wegbreken van tussenmuren gereduceerd werd van twaalf tot zes.Van Hellenberg Hubar (1982), p. 398. Bij de grote restauratie onder leiding van architect Pierre Cuypers eind 19e eeuw kregen de meeste kapellen een uitbundige neoromaanse of neogotische decoratie. Een eeuw later, bij de restauratie van de jaren 1980, werd bijna de gehele kerk ontdaan van wat men toen de "Cuypers-uitmonstering" noemde, met uitzondering van de transeptkapellen en een aantal zijbeukkapellen.
Transeptkapellen Het transept met de Vrijthofportalen en transeptkapellen kwam tot stand tijdens de 11e-eeuwse bouwcampagne van proost Humbertus. Uit dezelfde bouwperiode stammen de Dubbelkapel en de afgebroken Maternuskapel, die in de laatste paragrafen besproken worden. Tezamen vormen ze de imposante oostpartij van de kerk aan het Vrijthof. De twee transeptkapellen werden rond 1450 voorzien van een stenen gewelf en zijn in hun neoromaanse gedaante min of meer ongewijzigd bewaard gebleven. De portalen kregen omstreeks 1990 hun oorspronkelijke functie terug.
Kapel van de HH. Eligius en Marcoen thumb|160px|Locatie van de kapel De noordelijke transeptkapel, ooit niet veel meer dan een doorgang naar de Koningskapel, is tegenwoordig gewijd aan de heiligen Eligius en Marcoen. Deze Franse heiligen herinneren aan de vele Franse pelgrims die in de late middeleeuwen naar Maastricht kwamen en voor wie de Koningskapel primair bedoeld was. De devotie was oorspronkelijk gevestigd in de Dominicanenkerk en werd waarschijnlijk begin 19e eeuw overgebracht naar de Sint-Servaaskerk.Hovens/Minis (2006), pp. 115-116. Het Sint-Marcoenfeest werd gevierd met een octaaf, waarbij pelgrims geneeskrachtig Sint-Marcoenwater konden scheppen uit een tonnetje in de kruisgang. Sint-Eligius of Elooij was de schutspatroon van de (edel)smeden. Zijn beeld stond aanvankelijk in de meest oostelijke zijkapel van de noordbeuk (de huidige kapel van Onze Lieve Vrouw, Zetel der Wijsheid) en verhuisde omstreeks 1880 naar deze locatie.Bruijnzeels (1984), pp. 146-147. Toen kreeg de kapel de neoromaanse wandschilderingen van Joseph Lücker en zoon, passend in het totaalplan voor de kerk van architect Pierre Cuypers. Naast scènes uit de levens van Eligius en Marcoen zijn hier koning Lodewijk IX van Frankrijk (Saint-Louis) en de heilige Dominicus afgebeeld. De kleurige tegelvloer en het glas-in-loodvenster met grisaillemotieven van Atelier F. Nicolas en Zonen uit Roermond passen bij de laat-19e-eeuwse inrichting.Jansen-Winkeln, #9. Het neoromaanse altaar is geïnspireerd door het westwerkaltaar elders in de kerk.Den Hartog (2002), p. 408. De beelden van de heiligen Eligius en Marcoen dateren uit de 16e eeuwDickhaut (1990), pp. 389-390. en worden sinds 2000 op stilistische gronden toegeschreven aan Jan van Steffeswert.Hovens/Minis (2006), p. 116, i.h.b. noot 27. Ze staan op kleurig beschilderde zuilen en worden bekroond door neogotische baldakijnen.
thumb|160px|Locatie van de kapel
Kapel van het Heilig Aanschijn De zuidelijke transeptkapel was tot eind 19e eeuw gewijd aan de heilige Laurentius, tegenwoordig aan het Heilig Aanschijn, een typisch katholieke volksdevotie uit de tijd rond 1900. Ook deze kapel heeft nog de aankleding zoals Cuypers die voor de hele kerk had bedoeld. Bijzonder voor Nederland zijn de 336 votieftegels (deels zonder tekst) tegen de noord- en zuidwand. Boven de tegels zijn door vader en zoon Lücker wandschilderingen aangebracht: links Veronica, die de kruisdragende Jezus een zweetdoek aanbiedt, en rechts Jezus voor Pontius Pilatus. In de rechter wanddecoratie is een renaissancereliëf uit 1557 opgenomen, het epitaaf van de kanunnik Egidius Ruyschen. Het neoromaanse altaar bestaat uit twee delen. De mensa (het onderstuk) is een verkleinde versie van het altaar in de noordertranseptkapel, waarbij de basementen, de kapitelen en het fries gekopieerd zijn van het westwerkaltaar. Tussen de pilaren is (door de Lückers?) een schildering van Christus in het graf aangebracht. Het bovenstuk bestaat uit een altaarciborie van koper, enigszins vergelijkbaar met het hoofdaltaar. De centrale afbeelding bestaat uit twee engelen die de zweetdoek van Veronica omhooghouden. Daarnaast staan op vrijstaande, koperen zuiltjes twee engelen die kaarsen vasthouden. Het altaar werd in 1888 besteld bij het Atelier Cuypers-Stoltzenberg in Roermond. Een jaar later werd door de firma Nicolas uit diezelfde stad een fraai grisaillevenster geleverd.Sondeijker (1992), pp. 528-529.
Vrijthofportalen thumb|160px|Locatie van de portalen De twee portalen aan de zijde van het Vrijthof dateren evenals de transeptkapellen uit de 11e eeuw. Pelgrims betraden de kerk via het noordoostelijk portaal en verlieten de kerk via het zuidoostelijk portaal. Het kapittel van Sint-Servaas verhuurde ruimte in de portalen aan kramers. In het noordoostelijk portaal werd ook de nieuwe proost van het kapittel verwelkomd door de deken en de kanunniken. Beide portalen bezaten oorspronkelijk een bovenverdieping boven een tongewelf. De ruimte boven het noordportaal werd in 1590 aangeduid als "cappenkamer" (waarschijnlijk de bewaarplaats van de koorkappen); boven het zuidportaal werden de archieven van de kerk bewaard. In 1732 werden nieuwe zijaltaren tegen de oostelijke wanden van de transepten geplaatst, waardoor de portaaldoorgangen die zich daar bevonden verplaatst moesten worden naar de aangrenzende transeptkapellen.Van Hellenberg Hubar (1982), pp. 400-401.Mekking (1986), pp. 87-97.