Gustave Adolphe Clément (ook: Gustavus Adolphus Clément en Gustavus Adolphus Clément-Bayard) (Pierrefonds, 22 september 1855 – Parijs, 10 maart 1928) was een Frans ondernemer. Hij was smid, horlogemaker en wielrenner en ging fietsen, automobielen, motorfietsen, luchtbanden, vliegtuigen en luchtschepen produceren.

Privéleven Jeugd Clément werd in 1855 geboren aan de rue du Bourg in Pierrefonds (Oise) als zoon van de kruidenier Leopold Adolphus Clément en Julie Alexandrine Rouselle. In 1862, toen hij zeven jaar oud was, overleed zijn moeder. Zijn vader hertrouwde, maar overleed twee jaar later en Adolphe werd tot zijn zestiende opgevoed door zijn stiefmoeder, die hertrouwde met een onderwijzer. Adolphe bezocht de lagere school in Pierrefonds en de middelbare school in Villers-Cotterêts. Hij werkte ook in het familiebedrijf als bezorger van kruidenierswaren, maar toen hij dertien jaar was besloot hij in de leer te gaan bij een hoefsmid/smid.

Latere leven Adolphe trouwde met Céleste Angèle Roguet en ze kregen vier kinderen, Albert, Angèle, Jeanne en Maurice. Albert overleed na een ongeluk bij de training van de Grand Prix van Frankrijk van 1907. Dit trok een zware wissel op Adolphe Clément.

In 1893 kocht Adolphe Clément het Vélodrome de la Seine dicht bij zijn fabriek in Levallois-Perret. Als manager stelde hij Tristan Bernard aan, die ook manager was van het Vélodrome Buffalo. miniatuur|links|Adolphe Clément (2e van links) naast Albert Lemaître tijdens de race Parijs-Rouen in 1894

In 1894 was Adolphe al een gevestigd zakenman in Frankrijk en bekend in kringen van de eerste automobielfabrikanten. Albert Lemaître nam hem op 22 juli als passagier in zijn Peugeot mee tijdens de race Paris-Rouen, een "Concours des Voitures sans Chevaux", die ze wonnen.Deze race werd niet gewonnen door als eerste over de finish te gaan. Dat deed graaf Albert de Dion met een stoomaangedreven tricar. De jury van de Franse krant Le Petit Journal lette ook op comfort en betrouwbaarheid en de eerste prijs werd verdeeld onder Panhard & Levassor en Les fils de Peugeot frères omdat hun benzineauto's "het dichtst bij het ideaal kwamen". Dit overtuigde ook de Dion, die kort hierna overschakelde op benzinemotoren.

Dreyfusaffaire Frankrijk werd aan het einde van de 19e eeuw in tweeën gescheurd door de schuldvraag van Alfred Dreyfus, die was beschuldigd van het verkopen van geheimen aan Duitsland. In 1900 was Dreyfus al voorlopig vrijgesproken, maar Adolphe Clément bleef een fel "anti-Dreyfusard", net als graaf Albert de Dion. De Dion stopte alle advertenties in de pro-Dreyfuskrant Le Vélo en startte samen met Clément en een aantal andere fabrikanten een rivaliserende sportkrant, L'Auto met een anti-Dreyfusoormerk. Ze stelden Henri Desgrange als hoofdredacteur aan. In 1906 werd Dreyfus' onschuld definitief bewezen en werd hij ook weer als majoor aangesteld in het Franse leger. L'Auto (tegenwoordig L'Équipe) organiseerde in 1903 de eerste Tour de France.

Domaine Bois D'Aucourt, Pierrefonds Het gezin Clément trok in het "Domaine Bois D'Aucourt", een 17e-eeuws jachtslot van Lodewijk XIV dat 1½ kilometer van zijn geboortehuis en van het Château de Pierrefonds lag. Adolphe kocht het in 1904 en huurde architect Edwart Redont in om het te renoveren. Later woonde Maurice er, toen Adolphe was verhuisd naar de Avenue du Bois de Boulogne in Neuilly-sur-Seine. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog, toen het gezin Clément in Parijs woonde, werd het beheerd door de bekende meubelontwerper Carlo Bugatti, de vader van Ettore Bugatti, die toen ook in Pierrefonds woonde. miniatuur|Adolphe Clément aan boord van zijn eerste luchtschip, de "Clément-Bayard No. 1", in 1908

Naamswijzigingen Toen hij eenmaal een succesvol zakenman was veranderde Adolphe zijn voornamen in "Gustavus Adolphus". Later, in 1909 werd zijn achternaam officieel veranderd in "Clément-Bayard", naar de Franse held Pierre Terrail de Bayard, die in 1521 de stad Mézières samen met Anne de Montmorency verdedigde tegen een inval van het leger van Karel V van het Heilige Roomse Rijk. Tegenover Cléments fabriek in Mézières stond een standbeeld van Pierre Terrail de Bayard.

In 1912 werd Adolphus Clément-Bayard commandeur van het Legioen van Eer en in 1913 werd hij burgemeester van Pierrefonds. In 1914 droeg hij de leiding van het bedrijf over aan zijn zoon Maurice.

Eerste Wereldoorlog Al in 1910 had Clément-Bayard luidkeels gewaarschuwd voor de Duitse oorlogsambities en in 1912 werd hij aangevallen door een Duitse menigte. Toen de oorlog uitbrak was hij dan ook persoonlijk in gevaar. In september 1914 bereikten de Duitsers de buitenwijken van Pierrefonds en beschoten ze het Domaine du Bois d'Aucourt, dat echter beheerd werd door Carlo Bugatti. Clément-Bayard woonde met zijn gezin in Parijs. De fabrieken in Noord-Frankrijk gingen verloren, de fabriek in Parijs werd gebruikt voor oorlogsproductie.

Overlijden Op 10 mei 1928 overleed Clément-Bayard onderweg naar een vergadering met de raad van bestuur in Parijs aan de gevolgen van een hartaanval.

Hij is begraven bij zijn voormalige woonhuis, tegenwoordig "Domaine du Bois d'Aucourt d'Adolphe Clément-Bayard" in Pierrefonds dat sinds 2004 een Frans rijksmonument is. De "Rue Clément-Bayard" loopt door het centrum van de stad. In 2005 werd een munt van 50 Zwitserse frank geslagen ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Autosalon van Genève, die als thema "Clément 1905" had.

Carrière In de winter van 1871-1872 reisde Clément door Frankrijk als Compagnon du Tour de France, die niets met de wielerwedstrijd te maken had, maar diende om leerlingen bij meesters in heel Frankrijk een vak te laten leren. Clément ging tijdens zijn toer in de leer bij verschillende smeden en horlogemakers. Hij besloeg paarden en verrichtte reparaties en spaarde tijdens zijn drie jaar durende reis 30 francs. In 1872 bereikt hij eerst Parijs en daarna Orléans en Tours, waar hij bij "Truffault Cycles" twee houten wielen en een ijzeren frame kocht om zijn eigen fiets te bouwen. In 1873 leende Truffault hem een geheel ijzeren fiets met massieve banden om deel te nemen aan een wielerwedstrijd in Angers. Adolphe Clément finishte als zesde.

Clément SA Cyles, Lyon In 1876, nadat hij twee jaar had gefietst, gewerkt en gespaard, had hij genoeg geld om zijn eerste bedrijfje te starten, een fietswerkplaats in Bordeaux. Hij ging ook naar Marseille, waar hij stalen buizen voor fietsframes leerde maken. Het jaar daarna, in 1877, begon hij zijn eerste rijwielfabriek, "Clément SA Cyles" in Lyon.

A. Clément & Cie, Paris In 1878 opende Adolphe aan de Rue Brunel (dicht bij de Place de l'Etoile) een rijwielbedrijf, waaronder een fietsrijschool. Adolphe ging ook weer wielrennen, samen met Charles Terront nam hij deel aan de zesdaagse in de Agricultural Hall in Londen. Hij opende ook een winkel aan de Rue du Quattre-Septembre en begon een nieuw soort reclamecampagne, met posters. Zijn bedrijf werd financieel ondersteund door de heren Graffenried en Montgeron. Het bedrijf groeide snel door de kwaliteit van de producten en al snel was Clément de grootste Franse rijwielfabrikant. In 1880 had hij al 150 werknemers.

IJzersmelterij In 1879 bouwde Clément een ijzersmelterij in Tulle, waar hij gebruik kon maken van waterkracht. Hij kon dit bedrijf echter niet rendabel maken en het lag te ver van zijn fabriek in Parijs. De gieterij werd dan ook snel weer verkocht.

Clément Pneumatics en Dunlop France Waarschijnlijk produceerde Clément al vanaf 1888 rubber banden voor zijn fietsen, mogelijk nog massieve banden. In 1889 bezocht hij een tentoonstelling in Londen waar een demonstratie werd gegeven van de luchtband van John Boyd Dunlop. Een medereiziger haalde hem over de productierechten voor Frankrijk te kopen. Voor 50.000 francs kocht Clément deze rechten, die hem binnen enkele jaren miljoenen francs opleverden. De bandenfabriek die voor 700.000 francs werd gebouwd leverde al in het eerste jaar 100% dividend.

Eerste motorisering In 1895 deed Clément, mogelijk enthousiast gemaakt door zijn ritje tijdens de race Parijs-Rouen, een eerste poging om een gemotoriseerd voertuig te maken. Hij bouwde een tricycle met een naftamotor.

Clément, Gladiator & Humber (France) Ltd. In 1896 werkte Adolphe Clément samen met Charles Chetwynd-Talbot (20e graaf van Shrewsbury) en het British Automobile Commercial Syndicate Ltd (BACS) van Harry John Lawson, dat eigenaar was van de rijwielfabriek Humber. Samen kochten ze de Gladiator rijwielfabriek in Le Pré-Saint-Gervais en voegden dit bedrijf in in het conglomeraat Clément, Gladiator & Humber (France) Ltd. Dit bedrijf had een geschatte waarde van 22 miljoen francs (ca. 60-80 miljoen Euro). In 1897 stortte het bedrijf van Lawson in en hij (en daarmee ook Humber) beëndigde de samenwerking. Clément en Talbot bleven als directeuren aan. In de jaren hierna ging Talbot de Clément en Gladiator fietsen, motorfietsen en automobielen in het Verenigd Koninkrijk onder de naam "Clément-Talbot" importeren en assembleren; vanaf 1906 onder de naam Talbot.

Clément-Gladiator – auto's miniatuur|links|Clément-De Dion uit 1898 Vanaf 1898 bouwde men onder de merknamen "Clément" en "Gladiator" auto's met een De Dion-Bouton-motor. De naam "Gladiator" werd vooral in het Verenigd Koninkrijk gebruikt. Daar werd de import verzorgd door Selwyn Edge en Harvey du Cros van de Britse tak van Dunlop Tyres. Na 1903 werd de naam Clément-Gladiator alleen nog gebruikt voor de asaangedreven auto's die in de fabriek in Le Pré-Saint-Gervais gemaakt werden. De kettingaangedreven auto's werden onder de naam "Gladiator" verkocht. In 1907 werd de naam Clément helemaal geschrapt en in 1909 nam een andere fabrikant, Vinot & Deguingand, de Gladiator-productie over en verhuisde deze naar Puteaux. De fabriek in Le Pré-Saint-Gervais schakelde over op de productie van fietsen.

Fabriek in Levallois-Perret Kort na de aankoop van Gladiator bouwde Clément een nieuwe fabriek in Levallois-Perret. Daar werden auto's gebouwd, maar uiteindelijk werd deze fabriek verkocht aan Citroën. Bijna veertig jaar lang werd hier de Citroën 2CV geproduceerd. miniatuur|Panhard Voiture Légère als Clément-Panhard in 1899.

Clément-Panhard In 1897 werd Panhard & Levassor voor 5 miljoen francs gereorganiseerd. Clément investeerde 1 miljoen francs. Uiteindelijk leidde dit tot het merk Clément-Panhard.

Clément-Panhard en Clément-Stirling – auto's In 1898 was Adolphe Clément directeur van Panhard & Levassor. Toen dit merk de productieaantallen van 500 stuks van het "Voiture Légère" (licht voertuig) niet kon halen, nam Clément-Panhard de productie in licentie over in zijn fabriek in Levallois-Perret. De Schotse rijtuigbouwer Stirling importeerde Clément-Panhards en verkocht ze onder de namen "Stirling-Panhard" en "Clément-Stirling".

In 1901 verhuisde de productie van de Clément-Gladiator auto's naar de fabriek in Levallois-Perret en in 1902 produceerde men meer dan 1.000 auto's per jaar, waarvan 80% in het Verenigd Koninkrijk werd verkocht.

Clément – motorfietsen miniatuur|links|Clément 1¼ pk (125 cc) 1902 In 1902 begon de productie van motorfietsen. Dit waren feitelijk gemotoriseerde fietsen. Ze hadden een eencilinder snuffelklepmotor die aan de voorste framebuis hing en via een riem het achterwiel aandreef. Ze werden meteen populair; nog in hetzelfde jaar ging Charles Garrard ze als Clément-Garrard in Engeland verkopen en hij overtuigde ook James Lansdowne Norton, die zijn eerste motorfietsen bouwde met Clément-frames en motorblokken.

Clément-Rothschild miniatuur|Tweecilinder 7 pk tweezitter Clément-Rothschild uit 1902