De Berkhof Ambassador (ook wel kortweg Amba genoemd) was een bustype van de Nederlandse fabrikant VDL Berkhof dat onderdeel is van VDL Bus & Coach. De bus werd in 2001 ontwikkeld door de vestiging in Heerenveen. De andere locatie van VDL Berkhof in Valkenswaard (het huidige VDL Bus Modules) werd vanwege een grote order in 2005 ook geschikt gemaakt om de bus te kunnen fabriceren.

De Ambassador is een zogeheten semi-lagevloerbus. Dit betekent dat de busvloer op de vooras, het gedeelte van de voordeur tot en met de achterste deuren, verlaagd is naar 340 mm boven het wegdek. Bij een hogevloerbus is dit 650 tot 850 mm. De bus is hierdoor gemakkelijker toegankelijk voor een grote groep mensen met een functiebeperking. De in- en uitstaphoogte wordt overigens nog minder bij (verhoogde) trottoirs. De achteras is ongewijzigd, zodat de vloer in het achterste deel door middel van een trapje oploopt naar "normale" hoogte. Het achterste deel ligt hoger om onderdelen als motor en transmissie te kunnen bergen. De bus kenmerkt zich verder door een laag ledig gewicht van circa 8700 kilogram, waardoor de bus een gunstig brandstofverbruik heeft ten opzichte van conventionele streekbussen die ongeveer 11.000 kilogram wegen.

De bus kent een 12 meter en 10,6 meter variant. De 12 meter variant is in oktober 2011 vervangen door de VDL Citea LLE. Dit is in grote lijnen dezelfde bus, maar wijkt technisch af en heeft een vernieuwd uiterlijk. Dit laatste valt voornamelijk op aan de voor- en achterkant. De 10,6 meter variant is eind 2013 vervangen door het model VDL Citea MLE (Midi Low Entry). De Citea MLE was leverbaar zijn in vier verschillende lengtes van 8,8, 9,5, 10,2 en 10,8 meter. Deze bussen werden gebouwd bij Wrightbus in Noord-Ierland.VDL introduceert een nieuw Citea model tijdens Busworld 2013 (augustus 2013) VDL Bus & Coach

Geschiedenis In het jaar 2001 kwam er een strengere Europese emissiestandaard onder de naam Euro III. De leverancier van de busmotor die tot dan toe werd gebruikt voor de Berkhof-bussen wilde deze (voorlopig) niet aanpassen aan deze nieuwe norm. Berkhof kon eenvoudigweg de motor vervangen voor een model dat wel voldeed aan de nieuwe standaard, echter gebruikte het bedrijf dit als startpunt voor een ingrijpende productinnovatie.

Omdat zowel in de bouw als bij de exploitatie van stads- en streekbussen de marges niet erg hoog zijn, zocht Berkhof naar een model dat zowel voor henzelf als voor de vervoersmaatschappij winstgevend is. Door af te stappen van de traditionele bouwwijze heeft men een lichtgewicht streekbus ontwikkeld die aanzienlijk minder brandstof verbruikt. Traditionele bussen hebben een zware stalen kooiconstructie, maar het nieuwe type krijgt zijn stevigheid door de combinatie van speciale kunststof panelen en een licht frame. Componenten als dak, vloeren en zijwanden worden compleet aangeleverd en hoeven alleen nog geassembleerd te worden. Het plaatwerk en een aantal interieurdelen zijn niet van polyester, maar van koolstofvezel gemaakt. Het buizenframe van het chassis en de carrosserie zijn niet van ijzer, maar van een tussenvorm tussen gewoon staal en roestvrijstaal. Dat is een groot verschil met traditionele bussen, waarvan de opbouw nog helemaal in elkaar gelast wordt. Deze vereenvoudigde opbouw heeft ervoor gezorgd dat het aantal productie-uren per bus met ongeveer de helft is gedaald. Het bouwen van de bus gaat nu in dertien stappen, van kaal chassis tot een complete rijklare passagiersbus. Na elke stap schuift de bus op voor de volgende bewerking in de fabriekshallen.

De grootste winst voor het vervoerbedrijf zit uiteindelijk in de exploitatie van de bus, elke kilogram extra gewicht kost meer brandstof bij het optrekken en afremmen. Door gebruik van lichtgewicht materialen ontwierp Berkhof een bus die 25 procent minder weegt dan zijn voorgangers. Dit levert in de praktijk een brandstofbesparing op van 15 tot 20 procent. Een bus rijdt op jaarbasis gemiddeld zestig- tot zeventigduizend kilometer, waardoor de vervoerder gemiddeld 3000 liter brandstof per bus kan besparen.

Bij de zoektocht naar de mogelijkheden om de bus zo licht mogelijk te maken speelde de ontwikkelingen op de markt van busbouwers ook een belangrijke rol. In 2001 ontwikkelde ook het Britse Wrightbus een low-cost 12 meter bus voor Arriva Nederland onder de naam Wright Commander. Deze bus werd geleverd in een stads- en streekuitvoering. Daarnaast ontwikkelde Wright een midi-stadsbus van 10,6 meter onder de naam Wright Cadet. Het onderstel van beide types kwam van het Nederlandse DAF/VDL Bus, een onderdeel van de VDL Groep waar ook Berkhof onder valt.

De nieuwe Berkhof-bus kreeg de naam Ambassador mee en werd net zoals de Wrightbussen geproduceerd in een 10,6 meter en 12 meter variant. Bij de ontwikkeling van de Ambassador kreeg het bedrijf subsidie van Novem (Nederlandse organisatie voor energie en milieu) vanuit het programma DEMO.RTL Transportwereld, december 2003

De aanschafkosten van een "klassieke" lagevloerbus lagen fors hoger dan een hogevloerbus. De aanschafprijs van een Ambassador ligt echter op het niveau van een hogevloerbus, circa 180.000 euro. Bussen met een volledig lage vloer zijn wat duurder in aanschaf, circa 200.000 euro. Ook in de onderhoudskosten nemen de verschillen tussen toegankelijke bussen en "klassieke" bussen snel af. Dit komt vooral doordat de eerste generatie, vanaf eind jaren tachtig in groten getale gebouwde lagevloerbussen, vanaf 2000 werd afgevoerd. De gedurende de gehele levensduur opgedane ervaringen konden zo worden verwerkt in de huidige generaties lagevloerbussen. Voor rolstoelers is een rolstoelplank aanwezig (manueel of elektrisch te bedienen).

Vervoersmaatschappij Connexxion had zoveel vertrouwen in de verwachte exploitatie-voordelen en de techniek van het concept, dat ze zelfs al een order plaatsten toen het ontwerp nog op de tekentafel lag. Op de Busworld in Kortrijk in oktober 2001 stelde Berkhof het prototype van de nieuwe lichtgewicht bus voor in de huisstijl van Connexxion. De resultaten van de lichtgewicht bus vielen in de praktijk niet tegen, Connexxion bestelde daarom in totaal 55 exemplaren voor de levering in 2002 en nog eens 70 exemplaren voor 2003. Voor dochteronderneming Hermes plaatste Connexxion ook een order van 94 bussen (1700-serie), waarvan overigens de eerste 33 van het stadsbustype Berkhof Jonckheer waren.

De andere Nederlandse vervoerbedrijven waren eerst wat afwachtend in het plaatsen van grote bestellingen. Voordat nieuwe bussen werden aangeschaft moesten eerst concessies (vergunningen) verworven zijn. In die tijd stelden concessieverleners ook nog geen specifieke eisen ten aanzien van het gewicht van de bus of het brandstofverbruik. Het milieu is tegenwoordig wel een belangrijk aspect bij de openbare aanbestedingen. Omdat het materieel in het openbaar vervoer sinds 2010 toegankelijk dient te zijn, zullen vervoerders vrijwel per definitie (semi-)lagevloerbussen aanschaffen. Dit heeft de populariteit van de bus positief beïnvloed.

De lichtgewicht bus brengt de meeste winst op in het streekvervoer. Stadsbussen worden immers veel zwaarder belast doordat er meer passagiers korte afstanden afleggen met de bus. Daarom werd de zwaardere stadsbus Berkhof Jonckheer nog steeds gemaakt, totdat deze in 2008 werd opgevolgd door de VDL Citea.Lijn 83.nlVDL Berkhof ontwikkelt lichtgewicht busHandreiking busmaterieel in OV-concessies

De naam Berkhof werd in 2003 gewijzigd in VDL Berkhof na een reorganisatie bij de VDL Groep. De bus werd hierdoor voortaan ook als VDL Berkhof Ambassador geproduceerd. De DAF-chassis werden voortaan ook onder de naam VDL geproduceerd.

Door toevoeging van AdBlue wordt het mogelijk dat dieselmotoren voldoen aan de in 2005 ingevoerde Euro IV-norm en de Euro V-norm.

Op 10 september 2010 maakte VDL Bus & Coach bekend dat men de aanduiding VDL Citea gaat gebruiken voor alle grote lijndienstbussen. Hierdoor werd de 12 meter versie in oktober 2011, tien jaar nadat de bus in productie ging, omgedoopt in VDL Citea LLE (Light Low Entry). Toen waren er in totaal 2750Citea LLE: de opvolger van de Ambassador Ambassadors gebouwd voor bedrijven in Nederland, Duitsland, Denemarken, Noorwegen, Finland, Italië en Israël. In mei 2012 zijn er nog twee 12 meter Ambassadors afgeleverd aan Syntus Overijssel en in december 2012 zijn er nog dertig 10,6 meter Ambassadors afgeleverd aan Arriva Personenvervoer Nederland.

Op 17 september 2010 liep de eerste door de Letse fabrikant Amoplant te Jelgava in licentie geproduceerde bus van het type Ambassador ALE 106 als AMO ZIL van de band. Amoplant streefde naar een productie van 250 stuks per jaar. In 2012 werd de fabriek failliet verklaard. Voor zover bekend zijn er geen voertuigen afgeleverd.

In deze tien jaar is er intern veel veranderd aan de bus, het uiterlijk bleef echter vrijwel identiek. Na de naamswijziging kreeg de bus voor het eerst een compleet vernieuwd front en vernieuwde achterzijde die gelijk is aan alle andere bussen in de Citea-reeks. Deze facelift werd ontworpen door Van der Veer Designers uit Geldermalsen. Op de voorzijde prijkt een duidelijk zichtbaar VDL-logo.Een eerste gerestylede CiteaVDL Citea gerestylede door Van der Veer Designers

Typen Ambassador 200 (ALE 120) De Ambassador 200 is de 12 meter versie. De 200 is een verwijzing naar het DAF/VDL SB200 chassis waarop ook de Wright Commander van Wrightbus is gebouwd. De bus is geschikt voor zowel lokaal als interlokaal vervoer. Van dit type zijn er honderden gebouwd. Wordt ook Ambassador Low Entry 120 (ALE 120) genoemd (lengte van de bus 120 dm = 12 m).

Het gewicht wijkt bij de oudere bussen af door gebruik van andere materialen en een andere motor. Zo had de Ambassador 200 tussen 2002 en 2005 een ledig gewicht van 8.660 kg. Van 2005 tot 2007 kwam de bus op een rijklaar gewicht van 8.815 kg. Na 2007 is de Ambassador 200 weer iets lichter gemaakt en komt uit op 8.728 kg.

Ambassador 120/180 (ALE 106) Met de ervaringen opgedaan uit de "grotere broer", maakte Berkhof een 10 meter midibus variant voor minder drukke lijnen, ook wel de Ambassador Low Entry 106 (ALE 106) genoemd (lengte van de bus 106 dm = 10,6 m). Deze bussen worden ingezet in onder meer Zuid-Holland, Friesland en de Zaanstreek. De bus werd eerst gebouwd op een DAF/VDL SB120-chassis, waarop ook de Wright Cadet is gebouwd. In 2008 werd dit chassis opgevolgd door het VDL SB180-chassis. De bus had bij het vorige chassis een minder sterke motor in combinatie met een automatische versnellingsbak van Allison, bij het nieuwe chassis wordt dezelfde zescilinder-motor van de Ambassador 200 gebruikt in combinatie met een Voith-versnellingsbak.

Kritiek Naast positieve geluiden was/is er ook negatieve kritiek op de bus. Geluid. De bussen worden doorgaans afgeleverd met een automatische vierversnellingsbak van het merk Voith in combinatie met een Cummins motor. De Voith-versnellingsbakken zijn herkenbaar aan een gierend geluid dat meeloopt met het toerental van de motor. De Voith-bakken tussen 2001 en 2005 schakelen pas laat over, dit zorgt voor meer lawaai. Vanaf 2005 werden de bussen afgeleverd met een automatische zesversnellingsbak van ZF (8700/8800-series van Connexxion, eerder al beschikbaar in de Hermes 1800-series), deze bussen hebben een rustiger loop. Datzelfde jaar werd de Ambassador met een nieuwe milieuvriendelijker motor geleverd, waarbij ook de Voith-bak werd vernieuwd. De nieuwe versnellingsbak schakelt eerder (met name handig voor het stadsverkeer), waardoor het gierende geluid minder wordt. Toch blijft het nadeel dat de bus op topsnelheid veel toeren maakt doordat de bak maar vier versnellingen heeft. Bij latere generaties werd de geluidsproductie wel verder gereduceerd door vernieuwingen in zowel de Voith-versnellingsbak, de Cummins-motor als het isolatiemateriaal.