miniatuur|Codex 1117 f0r, Miniatuur uit een koorboek uit de veertiende eeuw vooraan in het getijdenboek toegevoegd Het Getijdenboek naar Geert Grote, Codex 1117 Diocesane- en Dombibliotheek in Keulen is een verlucht getijdenboek van het einde van de veertiende – begin vijftiende eeuw, geschreven in het Middelnederlands naar de tekst van het getijdenboek dat door Geert Grote werd vertaald uit het Latijn. Het handschrift dat in dit artikel wordt beschreven is de codex 1117 van de Diocesane- en Dombibliotheek in Keulen.

Beschrijving Het handschrift is samengesteld uit 153 folia van zeer fijn perkament. De codex is ±171 mm hoog en ±112 mm breed. Het boekblok bestaat uit 19 katernen met in totaal 153 folia. De samenstelling ziet er volgens de notatie van Chroust als volgt uit: III6 + IV+115 + 3IV39 + IV+148 + IV56 + IV+165 + IV73 + 3IV+1100 + III106 + 2IV+1126 +3IV148 + III-1153.Haussmann, Ulrich: Codex 1117 der Diözesan- und Dombibliothek zu Köln. Monographie eines illuminierten, niederländischen Stundenbuches. Unveröffentlichte Magisterarbeit. Köln 1998. pp. 22-23 Het gebruikte perkament is van zeer goede kwaliteit, zeer fijn en werd niet gekalkt. De bladsnede is verguld. De schriftspiegel bedraagt gemiddeld 102 x 71 mm en bestaat uit 22 lijnen. Voor de kalender is dit 122 x 82 mm. Het manuscript is ingebonden in een laatbarokke Franse band van het begin van de 18e eeuw, van wijnrood gekleurd geitenleder op karton.Haussmann, Ulrich, 1998. p. 19 Het werd geschreven in een littera textualis formata in een West-Hollandse versie van het Middelnederlands.

Er waren twee kopiisten betrokken bij het maken van het handschrift; de eerste schreef de folia 1 tot en met 106, de tweede van folium 107 tot 153.

Herkomst Volgens de catalogus van de Dombibliothek zou het handschrift gemaakt zijn omstreeks 1500 en geschreven door Heinrich von Köln (alias von Zonsbeck). De aanduiding van Heinrich von Köln of Zonsbeck als kopiist is gebaseerd op de analogie in de verluchting tussen Codex 1117 en het Graduale van de abdij Gross St. Martin te Keulen uit het jaar 1500. Dit graduale bevat een colofon van Heinrich von Köln maar het is zeer twijfelachtig of hij inderdaad betrokken geweest is bij het schrijven van dit getijdenboekHet feit dat de verluchters van beide handschriften of gedeeltes ervan dezelfden zijn of tot dezelfde groep behoren impliceert niet dat ook de kopiist dezelfde is. en dat het geschreven werd in de benedictijnenabdij van Groß St. Martin.

Uit een Catalogus rev. patrem et fratrem qui in monasterio s. martini maioris intra primam saeculi .xvi. partem mortui sunt,Lijst van eerwaarde paters en broeders die in de eerste helft van de 16e eeuw gestorven zijn. geschreven door een monnik Hubert Holthuisen, blijkt dat deze Heinrich een vrij bewogen leven had.K. H. Broekhuijsen en A. S. Korteweg, ‘Twee boekverluchters uit de Noordelijke Nederlanden in Duitsland. Een Zwarte-ogen-meester, Johannes Ruysch en het Graduale van de abdij Gross St. Martin te Keulen uit het jaar 1500’, in:Annus Quadriga Mundi. Opstellen over middeleeuwse kunst opgedragen aan prof.dr. Anna C. Esmeijer. red. J.B. Bedaux, A.M. Koldeweij, Zutphen 1989, pp. 49-76, p.52-53. Hij beschreef dat Heinrich van Keulen in zijn jeugd een begaafd musicus en koorzanger was in het koor van de kathedraal van Keulen. Later zong hij in het koor van de kerk van Deventer. Daar kwam hij in een slecht en losbandig milieu terecht. Terug in Keulen trad hij toe tot het klooster van “Gross St. Martin” maar verviel na korte tijd in zijn slechte gewoontes. Na een jaar of tien werd hij opgesloten in de kerker. Het is daar, tijdens de veertig jaar die hij in de cel doorbracht, dat hij zich zal bezighouden met het kopiëren van grote koorboeken maar ook van devote werken in het Latijn en in de landstaal. Niet lang voor zijn dood werd hij, op voorspraak van Holthuizen, bevrijd en mocht hij weer deelnemen aan het kloosterleven. Maar hij verviel weldra in zijn oude fouten en werd terug opgesloten. Hij overleed in 1533 op 76-jarige leeftijd. Een werk dat hij in een colofon signeert is het “Graduale van de abdij Gross St. Martin te Keulen” dat bewaard wordt in de Erzbischöfliche Diözesan- und Dombibliothek in Keulen als codex 1519.

De onderzoekers van het handschrift komen evenwel tot de conclusie dat het waarschijnlijk gemaakt werd in de noordelijke Nederlanden en denken eerder aan Delft of Utrecht als plaats waar het handschrift ontstond.Haussmann, Ulrich, 1998. p. 109

Geschiedenis Het handschrift zou afkomstig zijn uit de bibliotheek van baron Jean-Paul Jérome Bignon (1662-1743) die tussen 1718 en 1741 ‘bibliothécaire du roi’ was onder Philips van Orléans en onder Lodewijk XV. De bibliotheek van Bignon (50.000 banden) werd waarschijnlijk op 11 september 1721 verkocht aan de financier Jean Law. Hiervan werden ongeveer 35.000 werken terug gekocht door kardinaal Dubois in 1723. De bibliotheek van Dubois werd dan op 27 augustus 1725 geveild. Op deze veiling werden 300 werken, meestal gedrukte boeken maar ook handschriften, gekocht door de verzamelaar Johan Jakob von Broich (±1678 -1728). Het is ook mogelijk dat de partij voor hem gekocht werd door J.H. Linterman. Broich was ‘oberambtmann’Het hoofd van de ambtenarij in een ‘Landkreis’ te vergelijken met een kanton in België, in Schleiden en Saffenburg en ‘syndicus’ van de ‘Niederrheinisch-Westfälischen Grafenbank’.Haussmann, Ulrich, 1998. pp. 10-18

Broich vermaakte zijn fortuin aan een nog op te richten ‘Priester-Seminar’ in Keulen en zo kwam het handschrift in de bibliotheek van deze instelling terecht. Door de omvorming van deze bibliotheek tot ‘Aartsbisschoppelijke diocesaan bibliotheek’ is het werkje dus op zijn huidige stek terechtgekomen.

Tekst Geert Grote zou tussen 1380 en 1384 een aantal “devotieboekskens” vertaald hebben van het Latijn naar het Middelnederlands, in de periode dat hem verboden was te prediken door bisschop Floris van Wevelinkhoven.N. Van Wijk, Geert Grote,Getijdenboek E.J. Brill, Leiden 1940. p.1. Er is nergens materieel bewijs gevonden dat toe laat te stellen welke getijden Geert Grote zelf vertaald heeft en welke vertalingen afkomstig zijn van zijn opvolgers de Moderne devoten en van de grote promotoren van het getijdenboek in de volkstaal, de Congregatie van Windesheim. Biografen en tijdgenoten van Geert Grote geven ook geen uitsluitsel, Thomas a Kempis (ca. 1380 -1472) noemt in zijn Vita Gerardi Magni (Het leven van Geert Grote) alleen specifiek de Mariagetijden en voor het overige spreekt hij van de ‘gebruikelijke” gebeden. Volgens Petrus Horn (1424-1479)Petrus Horn, Vita Magistri Gerardi Magni zou het gaan om de Mariagetijden, de getijden van de Heilige Geest, Het Heilig Kruisgetijde, de Boetepsalmen en de Vigilie van de doden. Horn heeft het ook over glossen die Geert Grote zou hebben toegevoegd om bepaalde vertalingen te verduidelijken.Het Munsters handschrift (Munster, Paulinische Bibliothek Codex hs. 419 (783)) bevat inderdaad dergelijke glossen; zie N. Van Wijk p.1. Rudolf Dier van Muiden (1384-1458)Rudolf Dier van Muiden, Scriptum de magistro Gherardo Grote vermeldt het Mariagetijde, de Boetepsalmen en de Vigilie van de doden en ook hij spreekt over glossen. Deze laatste vermeldt trouwens ook dat Geert Grote de litanie zelf had samengesteld. Johannes Busch (1399-1480) vermeldt de Mariagetijden, die van de H. Geest en van de Eeuwige Wijsheid, de Boetpsalmen en de Vigilie.

In een handschrift van de Paulinische Bibliotheek in MunsterCodex hs. 419 (783), Dit handschrift werd bij een brand vernietigd in de Tweede Wereldoorlog. Voor uittreksels zie: W.Moll, Geert Groote’s Dietsche vertalingen, Amsterdam 1880 stond aan het eind van de vigilie van de doden de volgende tekst:

Dit naschrift, op het einde van het originele handschrift, bevestigt de eerder geciteerde uitspraken van Geert Grotes biografen.

miniatuur|Cod. 1117, f24v, Aankondiging aan de herders, bij de terts van het Mariagetijde

Verluchting K.H. Broekhuijsen wijst in haar studieK. H. Broekhuijsen en A. S. Korteweg, 1989, pp. 49-76, pp.67-68. het handschrift eenduidig toe aan de “Zwarte-ogen-meesters” en meer bepaald aan de Marciana-meesters. Alleen de miniatuur op fol 107v met de badende Bathseba bij het begin van de boetepsalmen blijkt duidelijk van een andere hand te zijn.Haussmann, Ulrich, 1998. p. 73. Naast de donkere schaduwen die de afgebeelde figuren rond de ogen meekregen geeft zij als typerende elementen de gedrongen figuren met langgerekte gezichten of de verkorte gezichten van naar boven starende figuren zoals op de “Aankondiging aan de herders” bij het begin van de terts van het Mariagetijde, de volblad miniatuur aan het begin van de Kruisgetijden, en de Pinkstervoorstelling bij het begin van de getijden van de Heilige Geest. Om de beweging te suggereren beelden deze meesters de figuren af met gebogen knieën wat het gedrongene nog versterkt. De groep is genoemd naar een handschrift dat zich bevindt in de Biblioteca Marciana in Venetië.

De marges zijn versierd met acanthusranken, bloemen, vruchten, kevers, vlinders, vogels, draken en menselijke figuren. De marges zijn verlucht in de Gents-Brugse stijl, waarin de randversiering op een gekleurde ondergrond wordt uitgestrooid en door het weergeven van schaduwen diepte aan het beeld wordt gegeven. Hier en daar worden de marges onderverdeeld in geometrische figuren en de miniaturist maakt ook gebruik van textieltexturen voor de margedecoratie.

Voor de sierinitialen worden acanthusranken maar ook vechtende draken (fol. 71v, 83v, 85v, 88v), gezichten (fol 69v, 84v) en een keer vechtende mannen gebruikt (fol. 87v).

Tientallen tekstbladen zijn versierd met gouden rankmotieven etc. Bijna alle tekstblokken bevatten gekleurde of gouden initialen. De gouden rankmotieven worden evenals de vergrote initialen gebruikt om de aanvang van belangrijke gebeden aan te duiden.

Inhoud Het Keulse getijdenboek heeft de volgende samenstelling:De samenstelling is identiek aan het Getijdenboek naar Geert Grote van Huis Bergh (HS4) op de gebeden tot de heiligen na. De kalender De getijden van Onze Lieve Vrouw Het officie van het Heilig Kruis De getijden van de eeuwige wijsheid Het officie van de Heilige Geest Diverse gebeden en gebeden tot de heiligen De zeven Boetepsalmen en de Litanie Dodenofficie of 'Vigilie van negen lezingen'

De eerste folium in de codex is een miniatuur die de nederdaling van de H. Geest voorstelt. (fol 0r). Ze behoort eigenlijk niet tot de originele codex maar stamt uit een koorboek van de 14e eeuw en werd later in het getijdenboek gekleefd zoals gemeld op de achterzijde (fol 0v)

De eigenlijke codex begint met een kerkelijke kalender gebaseerd op de kalender van het bisdom Utrecht.

Elke sectie, getijden, gebeden etc., wordt voorafgegaan door een volbladminiatuur op de verso zijde en door een gehistorieerde initiaal (12 lijnen hoog) en margeversieringen op de recto zijde.

De kalender Zoals alle getijdenboeken bevat ook het Keulse handschrift een eeuwigdurende kerkelijke kalender die de cyclische kerkelijke feestdagen en de feestdagen van de heiligen aangeeft. Er is een bladzijde per maand gebruikt en de kalender is niet versierd of geïllustreerd op de sierinitialen KL boven aan elke bladzijde na. De kalender is niet van het Franse typeBij het Franse type wordt er voor elke dag een feestdag van een heilige of een kerkelijk feest opgegeven. maar bevat alleen de bijzondere heiligen of feesten zoals gebruikelijk was in de Bourgondische Nederlanden (Vlaamse kalender).