Willem de Zoete de Laeke, heer van Haultain (Vlissingen, 1565 - Sluis, 26 september 1637), meestal kortweg Haultain genoemd, was een Zeeuws admiraal uit het begin van de 17e eeuw. Hij diende van 1601 tot 1627 als luitenant-admiraal van de Zeeuwse admiraliteit.

Afkomst Willem de Zoete was een zoon van Alexander de Zoete de Laecke, heer van Haultain, en Margaretha van Berchem. De familie behoorde tot de lagere adel van Vlaanderen en kwam waarschijnlijk uit Gent. Haultain-le-Val is een landgoed in Waals-Brabant. Zijn vader en zijn ooms Joost en Philip waren lid van het Eedverbond der Edelen aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog en waren ondertekenaars van het Smeekschrift. Alexander de Zoete was in de latere jaren 1570 gouverneur van Vlissingen en Walcheren en correspondeerde regelmatig met Willem van Oranje. Vlissingen was in 1572 na Den Briel de tweede stad die zich bij de opstand aansloot. De rest van Walcheren volgde spoedig daarna. Joost de Zoete, heer van Villers-au-Bois en Bosquel, was korte tijd stadhouder van Utrecht, en daarna veldmaarschalk in het leger van Maurits van Nassau. Hij sneuvelde in 1589 bij Geertruidenberg toen die stad verloren ging aan de Spanjaarden.

Luitenant-admiraal Willem de Zoete wordt meestal aangeduid als Haultain. Geboortedatum en -plaats zijn niet exact bekend, maar die laatste is waarschijnlijk Vlissingen. In januari 1602 werd hij op jonge leeftijd benoemd tot opvolger van Justinus van Nassau als luitenant-admiraal van Zeeland. Tot halverwege de 17e eeuw benoemden de Staten-Generaal edelen in die hoge functie, in de hoop dat zij een natuurlijk gezag zouden hebben over de admiraliteitscolleges, de zeeofficieren en het scheepsvolk. Ook had men in die tijd nog de neiging om oorlogsschepen als drijvende forten te zien. Hoewel de Middeleeuwse driestandenmaatschappij (adel, geestelijkheid en burgers) in de Republiek der Verenigde Nederlanden grotendeels verleden tijd was kregen edelen nog steeds van jongs af aan onderricht in de krijgskunst. Kennis van de scheepvaart hoorde daar echter meestal niet bij, zodat het gezag van de luitenant-admiralen op de vloten in de praktijk te wensen overliet. De direct onder de luitenant-admiraal opererende viceadmiraals waren de echte zeelieden, met internationale ervaring vaak opgedaan bij de VOC en de WIC.Boven de luitenant-admiraal stond nog de admiraal-generaal, een functie die was voorbehouden aan de stadhouder, die ook kapitein-generaal van de landmacht was. Met de marine had de stadhouder meestal weinig bemoeienis. Hij liet dat over aan de Staten-Generaal en de admiraliteitscolleges.

De marine bestond sinds 1589 uit een min of meer vaste zeemacht waaraan de vijf admiraliteiten volgens afspraak schepen leverden en die zich vooral bezig hield met het konvooieren van handelsschepen, het beschermen van de vissersvloot en het blokkeren van Vlaamse havens om Spaanse oorlogsschepen en kapers te beletten uit te varen. Daarnaast waren regelmatig kruiseskaders actief op de Noordzee en het Kanaal, en vanaf 1596 ook bij Spanje en Portugal.

Slag bij Sluis miniatuur|Verschillende stadia in de Slag bij Sluis. Op de achtergrond liggen de Spaanse galeien voor de kust en worden ze in twee groepen gesplitst. In het midden vindt het gevecht plaats en linksonder komt het eskader van Haultain aanzeilen. Op 17 augustus 1603 trouwde Haultain in de Franse Kerk van Middelburg met Olympia de Hertaing, een zus van Daniël de Hertaing en dochter van de gouverneur van Bergen op Zoom Willem de Hertaing, heer van Marquette.

Datzelfde jaar vond Haultains eerste belangrijke actie plaats: de Slag bij Sluis, al bleef zijn eskader door windstilte enige tijd bij Vlissingen vastzitten terwijl op de Westerschelde viceadmiraal Joos de Moor al in gevecht was met een vloot van acht Spaanse galeien onder Federico Spinola die vanuit Sluis probeerde uit te breken. miniatuur|De Zwarte Galei wordt aangevallen door Spaanse galeien in de Slag bij Sluis. Toen het op de ochtend van 26 mei windstil was voer Spinola met vier grote en vier kleine galeien met ruim 2500 musketiers de Westerschelde op en viel de staatse blokkadevloot aan. Die bestond op dat moment slechts uit drie zeilschepen en twee galeien: De Moors karveel de Gouden Leeuw (met smakzeil), twee vierkant getuigde vlieboten: de Seylhondt met kapitein Legier Pietersz. en de Oude Hondt met Crijn Heyndrickx, de Zwarte Galei uit Dordrecht met Jacob Michielsz. Wip en de Zeeuwse galei de Flesse met Cornelis Jansz. van Gorcum. De galeien waren naar Spaans model gemaakt voor gebruik bij windstilte. De dertig meter lange Zwarte Galei, met 100 soldaten en 60 matrozen, was uitgerust met 15 metalen kanonnen en veel steenstukken.Klein geschut, met stenen kogels schietend. De 130 roeiers zaten schootsvrij.

Vanwege de windstilte en de vloedstroom kon Haultain in eerste instantie niet wegkomen van de Vlissingse rede. Vier Spaanse galeien vielen De Moors zeilschepen aan en vier andere zijn galeien in een poging ze te enteren. Ondanks de Spaanse overmacht kreeg De Moors eskader de overhand. Spinola sneuvelde in het gevecht met de Zwarte Galei, evenals Wip. De Moor en Pietersz. raakten gewond. Toen de wind opstak kwam ook Haultain met zijn schepen aanzeilen, waarop de Spaanse galeien de wijk namen en zich terugtrokken in de haven van Sluis. Ze kwamen daar ook niet meer uit. Toen stadhouder Maurits in 1604 Sluis veroverde trof hij de galeien merendeels ongebruikt en afgezonken in de haven aan.

Onderschepping van Spaanse troepen miniatuur|De vloot van Haultain bij Dover in gevecht met het Spaanse troepentransport. In 1605 had Haultain het bevel over een vloot die in het Kanaal en voor de Vlaamse kust kruiste om een Spaans troepentransport te onderscheppen dat naar verluidt naar Duinkerken op weg was. De vloot was gedeeltelijk succesvol. Een aantal transportschepen werd veroverd en de Spaanse soldaten werden overboord gegooid (de voeten gespoeld in het jargon van die dagen). Een ander deel vluchtte de haven van Dover in. De Spaanse admiraal Pedro de Zubiaur sneuvelde. Met onder meer viceadmiraal Jan Gerbrandtsen en Laurens Alteras werd nog een poos voor de Engelse kust gekruist, maar later werden nog ruim 700 soldaten met Engelse schepen alsnog overgezet naar Duinkerken en Grevelingen. De officiële Engelse neutraliteit werd onder de nieuwe koning Jacobus I regelmatig geschonden nadat hij in augustus 1604 vrede met Spanje had gesloten.

Blokkade van Lissabon In januari 1606 kreeg Haultain het bevel over een vloot van 23 schepen die voor de Spaanse en Portugese kust moest proberen om uit Nieuw-Spanje terugkerende schepen (de zilvervloot) te veroveren en Portugese oorlogsschepen te beletten uit te varen naar Oost-Indië. De VOC had de vloot met 150.000 gulden mede gefinancierd. De blokkade van Lissabon was effectief, maar door gebrek aan proviand moest Haultain begin juni weer terugkeren. De vloot had ook enkele losse koopvaarders buitgemaakt en dorpen op de kust geplunderd, zodat de expeditie in de Republiek als een succes werd beschouwd. In september voer Haultain met 19 schepen en twee jachten nogmaals naar Spanje. Deze keer raakte de vloot door storm verspreid. Hij moest het toen in de buurt van Kaap Sint-Vincent met slechts 13 schepen opnemen tegen een grote Spaanse oorlogsvloot van 18 galjoenen en 9 galeien onder Don Luis Fajardo. Na enkele schermutselingen lukte het Haultains vloot weg te komen, op de viceadmiraal Reinier Claesz na. Zijn schip raakte geïsoleerd, verloor de grote mast en werd omsingeld door zes Spaanse galjoenen. Twee dagen wist hij stand te houden, maar toen hulp uitbleef en de strijd hopeloos werd lieten hij en de nog 60 resterende bemanningsleden het al zinkende schip ontploffen, liever dan gevangen genomen te worden. De Spaanse zilvervloot kon in oktober ongestoord binnenlopen. Haultain werd bij thuiskomst overladen met kritiek, en hoewel hij aanbleef als luitenant-admiraal werd hij op de volgende vloot als bevelhebber vervangen door Jacob van Heemskerck. Zodoende miste hij de Slag bij Gibraltar.

Acties tegen zeerovers miniatuur|Staatse vloot liggend voor Duinkerken. Tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609 – 1621) werd er door de admiraliteiten flink bezuinigd op de marine. Wel dienden nieuwe vijanden zich aan: Engelse en Barbarijse zeerovers. Door het bestand kregen Nederlandse koopvaarders via de Straat van Gibraltar toegang tot de Middellandse Zee, en namen met hun lage transportkosten een groot deel van de handel in rap tempo over. Ze leden echter veel schade door de vanuit Algiers en Tunis opererende zeerovers, die bovendien de bemanningen van veroverde schepen tot slaaf maakten. De Engelse piraten opereerden vooral op de Noordzee en in het Kanaal. Zij waren vaak ex-kapers en ex-soldaten die werkloos waren geworden door de vrede tussen Engeland en Spanje en toen overgestapt waren op zeeroverij. In oktober 1611 kreeg Haultain het bevel over een grote vloot om de piraten in al hun schuilhoeken op te zoeken en aan de zeeroverij een eind te maken. Mooy Lambert Hendricksz werd viceadmiraal. Het ambitieuze doel bleek onmogelijk te realiseren. Ondanks kruisen tot aan Marokko en de Canarische Eilanden waren nu nergens meer zeerovers te bekennen. Alleen Hendricksz kreeg in februari bij Cádiz een Algerijnse piraat te pakken. In mei was de vloot weer terug. De tocht toonde voornamelijk aan hoe moeilijk zeeroverij te bestrijden was, aangezien de piraten een zeeslag altijd uit de weg gingen.

Middellandse Zee miniatuur|Gevangenen in Algiers. De Staten-Generaal zonden hierna meerdere eskaders van de marine naar de Middellandse Zee onder Lambert Hendriksz en Hillebrand Quast, maar zonder blijvend succes. In 1620 werd een grote oorlogsvloot van 21 schepen uitgezonden die weer onder bevel van Haultain kwam te staan, met Jochem Swartenhondt als viceadmiraal. Haultain voer op het nieuwe schip Oraigne, met Marinus Hollaer als vlaggenkapitein. De Oraigne was niet alleen zwaarbewapend maar ook uitgevoerd met het soort houtsnijwerk dat ook de rest van de 17e eeuw gebruikt zou worden. De vloot kruiste opgedeeld in drie eskaders ten westen en ten oosten van de Straat van Gibraltar en rond Sardinië, Malta en Sicilië. In Haultains instructies stond onder andere: 'Alle de roovers, die geen commissie hebben van eenige Coningen, Princen ofte Republicquen, vermeestert sijnde, sal men jegens deselve gebruycken het voorschreven gemeene recht van voetspoelinge'. Voor het geval de Algerijnen in Algiers zich tegen de Nederlandse consul Wijnand de Keyser zouden keren moesten 'eenige vande principaelste Turckse roovers' in leven gelaten worden om een gevangenenruil mogelijk te maken. De zeerovers lieten zich echter nergens zien, zodat de vloot zich beperkte tot het konvooieren van handelsschepen en het vertonen van de Nederlandse vlag in allerlei havens. Na afloop van het Twaalfjarig Bestand in april 1621 werd vanaf Alicante een retourvloot van ruim vijftig koopvaarders in juli door de Straat van Gibraltar geleid. Op 11 augustus voer de vloot voor de kust van Portugal rakelings langs een Spaanse vloot van negen galjoenen zonder dat er een schot gelost werd. Op 9 september 1621 kwam de vloot behouden aan in de Republiek. Een tweede konvooi van 39 koopvaarders uit de Levant die te laat bij Alicante waren gearriveerd en daarom zonder escorte door de Straat van Gibraltar voeren werd in augustus wel aangevallen door de Spanjaarden. Twee koopvaarders werden veroverd en vijf werden tot zinken gebracht. Deze actie werd in de Spaanse geschiedschrijving voorgesteld als een overwinning op de vloot van Haultain en Swartenhondt, en is destijds vereeuwigd in diverse schilderijen.

La Rochelle miniatuur|Zeeslag bij Île de Ré in 1625.