thumb|330px|De Vinciguerra-Gletsjer in het Nationaal park Tierra del Fuego, Argentinië Een gletsjer is een bewegende ijsmassa die gevormd wordt uit sneeuw die op land is gevallen. Sneeuw vormt een gletsjer als de sneeuw lang genoeg blijft liggen en dik genoeg wordt om in ijs te veranderen. Kenmerkend voor gletsjers is dat ze bewegen onder hun eigen druk, als heel langzaam stromende rivieren. Gletsjers bedekken circa 15 miljoen km² aardoppervlak, dat is ongeveer 10 % van het landoppervlak, voornamelijk op Antarctica, Groenland en het noorden van Canada. Ze bevatten 29 miljoen km³ ijs, ongeveer 87 % van alle zoet water op aarde. Ze oefenen door hun enorme gewicht en slijpende werking grote invloed op het land uit. Een gletsjerdal heeft een U-vormige doorsnede, in tegenstelling tot een rivierdal dat meer V-vormig is. Deze U-vorm vormt ook de ondergrond van de Noorse fjorden, die niets anders zijn dan ondergelopen, voormalige gletsjerdalen.

Ontstaan thumb|Firnveld van de Lang- en Aletschgletsjer in het gebied van de Aletschgletsjer, Zwitserse Alpen. Op de achtergrond het Lötschenlücke. thumb|Langgletsjer in de winter vanuit het Lötschental met in het zadel van het Lötschenlücke de Hollandiahütte

thumb|Firnveld van de Aletschgletsjer in Zwitserland. De Aletschgletsjer heeft een zeer groot accumulatiegebied voor sneeuw en ijs. thumb|Glacier de Taconnaz met Dôme du Goûter, Franse Alpen

Klimatologische voorwaarden voor het ontstaan van berggletsjers zijn neerslag en lage temperaturen. Deze omstandigheden doen zich voor in hooggebergten en in poolgebieden. Voor het hooggebergte geldt hoe hoger hoe kouder, en hoe groter de neerslag.

Het firnveld van een gletsjer wordt gevormd waar meer sneeuw valt dan er afsmelt, waardoor er (jaarrond) een blijvende sneeuwlaag ontstaat. Dieper gelegen gletsjerijs wordt gevormd wanneer de jaarlijkse sneeuwlagen door hun eigen gewicht aan de onderkant tot ijs worden verdicht. Dat gaat in opeenvolgende fasen. Sneeuw wordt eerst omgezet tot firn. Firn is een fijnkorrelige ijsmassa die gevormd wordt doordat sneeuwkristallen, onder toenemende druk, van vorm veranderen en zich herordenen. Dieper in het firnveld vormt de fijnkorrelige firn, door een verder toenemende druk, ijs.

Het ijs wordt onder een bepaalde diepte, door de toegenoemen druk, vloeibaar, in de vorm van een dikke, stroperige of viskeuze vloeistof, en kan dan door de zwaartekracht langzaam op een horizontale vlakte gaan bewegen (ijskapdynamica) of bergafwaarts gaan stromen (gletsjerdynamica). In gematigde streken is een gletsjer vanaf ongeveer 30 meter diepte viskeus, in het zuidpoolgebied vanaf ongeveer 50 meter diepte. Als de ijsdruk weer afneemt, gewoonlijk door afsmelting, gaat het op deze diepte kristalliseren, en vormt zich gletsjerijs dat enigszins blauw is.

Soorten gletsjers Onderverdeling naar ontwikkeling en hellingspercentage Al naargelang het hellingspercentage en de mate van ontwikkeling, is er bij berggletsjers sprake van respectievelijk (slechts) een firnveld, en vervolgens, in toenemende mate van ontwikkeling, van een helling-, vallei- of dalgletsjer.

Het firnveld blijft beperkt tot een naamloos sneeuwveldje, waarvan de firndikte tientallen meters kan bedragen. De hellinggletsjer komt tot op het hellende vlak. Een valleigletsjer vindt zijn weg tot in de vallei, terwijl een dalgletsjer tot in het hoofddal van de rivier komt. Valleigletsjers kunnen, afhankelijk van hun lengte, ook tot in het dal komen. Ze onderscheiden zich door een zachte hellingshoek van zes graden (Aletschgletsjer) tot negen graden (Hintereisferner), waarbij de Géant, een van de grotere firnvelden van de Mer de Glace, op een hellingshoek van twaalf graden ligt.

Hanggletsjers zijn gletsjers op een bergflank met een hellingspercentage van meer dan dertig graden.

Onderverdeling op basis van vorm en grootte Gletsjers kunnen naar vorm en grootte als volgt worden getypeerd. Valleigletsjer De meest karakteristieke onder de berggletsjers zijn de (enkelvoudige en samengestelde) valleigletsjers. Deze verzamelen hun ijsmassa in een of meerdere gletsjerbekkens die tussen de bergtoppen gelegen zijn, waarna het gletsjerijs een vallei in stroomt. Bekende samengestelde valleigletsjers zijn de Aletschgletsjer in Zwitserland, de Pasterzegletsjer in Oostenrijk en de Mer de Glace in Chamonix-Mont-Blanc, Frankrijk. Een enkelvoudige valleigletsjer die door maar één gletsjerbekken gevoed wordt, is de Rhônegletsjer in Zwitserland. Plateaugletsjer, voetgletsjer of laaglandgletsjers Een voetgletsjer, oorspronkelijk een piedmontgletsjer genoemd, is een dalgletsjer die uitstroomt op een grote laagvlakte aan de voet van het gebergte. Indien deze cirkelvormig 'uitwaaiert', wordt deze ook wel laaglandgletsjer (Engels: Lowland Glacier) genoemd. In Europa zijn geen piedmontgletsjers maar wel op Groenland en in Alaska (Malaspinagletsjer). De bekendste laaglandgletsjer in de negentiende eeuw in Europa was de Rhônegletsjer die als valleigletsjer op het kleine plateau van Gletsch lange tijd bleef liggen. Een plateaugletsjer op een vlakte hoger dan het dal wordt eveneens laaglandgletsjer genoemd als deze in cirkelvorm uitwaaiert. Cirquegletsjer Een cirquegletsjer is een kleine gletsjer (0,1 - 4 km²) die wordt aangetroffen in cirques, bijna cirkelvormige uitsparingen in een berg. Een voorbeeld van een Europese cirquegletsjer is de Glacier de Saint Sorlin in de Franse Alpen. IJsvelden, ijskappen, ijsvlaktes en hun afvoergletsjers IJskappen zijn niet door topografie beperkt. Een ijskap ligt op het landschap (zoals Vatnajökull), in plaats van dat hij door het landschap ingeperkt wordt zoals bij de kleinere ijsvelden (Engels: ice field) met nog zichtbare bergtoppen de Columbia-ijsveld. IJskappen kunnen variëren van relatief klein, zoals de Hardangerjøkul, tot gigantisch groot, zoals de ijskap van Antarctica. In het Engels wordt onderscheid gemaakt tussen ijskap (Engels: ice cap) met een grootte tot 50.000 km², en ijsvlakte (Engels: ice sheet) met een grootte van meer dan 50.000 km². In het Nederlands bestaat dit onderscheid niet. Op aarde zijn op dit ogenblik twee ijskappen groter dan 50.000 km²: de ijskap op Groenland, die circa 9% van al het ijs op aarde bevat, en de Antarctische ijskap, waar 90% van het ijs op aarde is opgeslagen. Deze ijskappen zijn op sommige plaatsen tot circa 4.000 meter dik. In het Nederlands taalgebruik wordt vaak gesproken van de poolkappen, waarmee de Antarctische ijskap en het meerjarige zee-ijs rond de Noordpool wordt bedoeld. De laatstgenoemde is volgens de definitie echter geen ijskap. Voor het verlies van overtollige ijsmassa´s hebben ijsvelden, ijskappen en ijsvlaktes meerdere afvoergletsjers (Engels: outlet glacier). IJsplateau Een gletsjer die in een fjord of zee stroomt kan gaan drijven. Het drijvende deel noemen we een ijsplaat of ijsplateau. IJs van een ijsplaat komt altijd van een gletsjer, in tegenstelling tot zee-ijs: dat wordt gevormd door bevriezing van zee- of oceaanwater. IJsplaten zijn enkele honderden meters dik; zee-ijs, zoals waarmee het gebied rond de Noordpool is bedekt, slechts enkele meters. De grootste ijsplaten ter wereld zijn te vinden in Antarctica: het Ross-ijsplateau (487.000 km²) en het Filchner-Ronne-ijsplateau (430.000 km²). Kalvende gletsjers Gletsjers die wel in water eindigen maar niet drijven, heten kalvende gletsjers, genoemd naar het proces waarbij stukken ijs afkalven en door het water worden afgevoerd. Afgebroken stukken ijs van kalvende gletsjers, maar ook van ijsplaten, noemen we ijsbergen. Deze bevinden zich voor ongeveer 90% onder water. IJsbergen zijn dus altijd afkomstig van gletsjers, wederom in tegenstelling tot zee-ijs of pakijs. Het afbreken van ijs is een natuurlijke proces in het massatransport van een gletsjer, en niet noodzakelijkerwijs een teken van klimaatverandering of versnelde afsmelting. Een zeer bekende kalvende gletsjer is de Perito Morenogletsjer in Argentinië, maar ook de Breiðamerkurjökull op IJsland.

Onderverdeling op basis van thermische eigenschappen

Een andere manier om gletsjers te classificeren is door te kijken naar de temperatuur van het ijs. Koude gletsjers. In een koude gletsjer (Engels: cold glacier) is het ijs minimaal kouder dan -0,5 graden Celsius en kan temperaturen hebben tot onder -60 graden. Warme gletsjers. Een warme gletsjer (Engels: temperate glacier) bestaat echter uit ijs dat van boven tot onder op het smeltpunt ligt (circa 0 °C, afhankelijk van de heersende druk). Dat zelfs in de winter het ijs op het smeltpunt ligt komt door de grote hoeveelheid energie die wordt vrijgelaten als doorsijpelend smeltwater in de gletsjer opnieuw bevriest. Berggletsjers met getemperd of warm gletsjerijs, die tot bijna in het dal komen, zijn dan ook bijzonder gevoelig voor temperatuurwijzigingen omdat hun oppervlaktetemperatuur dicht tegen het vries- en smeltpunt ligt. Daarom zijn veranderingen in de tijd van ijsdikte en gletsjerlengte de duidelijkste signalen van klimaatwijzigingen. Getemperde valleigletsjers leveren door hun wereldwijde spreiding de eerste tekenen van een algemene opwarming of afkoeling. Polythermische gletsjers. Tot slot zijn er de polythermische gletsjers, waar het ijs vanaf een zekere diepte op het smeltpunt ligt. Deze gletsjers zijn voornamelijk in Alaska en Canada te vinden, maar ook bijvoorbeeld op Spitsbergen.

Anatomie van een gletsjer thumb|Calderonegletsjer, in de Apennijnen Italië

Massabalans De massabalans van een gletsjer wordt ieder jaar opnieuw bekeken, evenwijdig aan het gletsjeroppervlak, waarbij de balansratio (a) gedefinieerd is als 'de netto jaarlijkse verandering van de sneeuwmassa op het oppervlak van de gletsjer'. Meestal is dit de massa van de gevallen sneeuw minus die van de weggesmolten sneeuw. Waar (a>0) positief, spreekt men van het accumulatiegebied, waar (a<0) negatief, van het ablatiegebied. Sneeuwval en temperatuur hebben vaak de grootste invloed op deze balansratio: sneeuwval draagt positief bij, hogere temperatuur zorgt voor meer afsmelting en draagt dus negatief bij aan de balansratio. Een gletsjer bestaat uit een hooggelegen accumulatiezone, het firnveld, met positieve balansratio; en een lager gelegen ablatiezone; het smeltgebied, met negatieve balansratio. Het totale massaverschil over accumulatie- en ablatiegebied bepaalt of de massabalans van de gletsjer in het betreffende jaar positief of negatief is, en dus of de ijsmassa toe- of afneemt. Bij een door de jaren aanhoudende positieve of negatieve massabalans zal de gletsjer aangroeien of zich juist terugtrekken. Regionaal is - uit het huishoudboekje van de gletsjer - dan sprake van een ophanden zijnde klimaatverandering.

Evenwichtslijn De evenwichtslijn (Engels: Equilibrium Line Altitude (ELA)) is een van de belangrijkste kenmerken van een gletsjer. De evenwichtslijn of sneeuwfirnlijn geeft de scheiding aan tussen de accumulatiezone en de ablatiezone. De sneeuwfirnlijn kruipt gedurende de zomermaanden over het gletsjerijs langzaam omhoog en komt rond oktober (april op het zuidelijk halfrond) tot stilstand. De ligging van de evenwichtslijn komt dan overeen met de witte sneeuwlijn aan het eind van de zomer (de waarneembare grens op het gletsjeroppervlak tussen eenjarige witte sneeuw en meerjarig oud gletsjerijs). Bij stijgende evenwichtslijnen verliezen gletsjers uiteindelijk hun firnveld of accumulatiegebied tot de evenwichtslijn onwaarneembaar wordt, de gletsjer zal dan in de loop van meerdere jaren in zijn geheel wegsmelten.

Voorbeeld Indien de jaartemperatuur 1 graden Celsius warmer is dan in het voorafgaande jaar, dan stijgt de evenwichtslijn met 100 meter; indien de neerslag met globaal 30% zou zijn toegenomen dan blijft de evenwichtslijn toch stabiel.

Stroming en beweging van gletsjers