thumb|150px|Rijkskroon van keizer Otto I (962) Keizer is de hoogste vorstelijke titel en staat voor de heerser waaraan alle andere wereldlijke vorsten ondergeschikt zijn. In de middeleeuwen kon een Europese koning zich pas keizer noemen nadat hij door de paus was erkend. Deze pauselijke goedkeuring werd vaak pas na diplomatieke onderhandelingen gegeven. Vanaf de 16e eeuw werd de keizerstitel een erfelijke titel.

Feitelijk is de term keizer synoniem voor dictator – aangezien er niet daadwerkelijk sprake kan zijn van een trias politica onder een keizer – maar de termen hebben andere gebruiksvormen en ladingen.

Nadat in 1979 de sjah van Iran en de keizer van het Centraal-Afrikaans Keizerrijk uit hun ambt werden gezet, is Japan het enige land ter wereld dat nog een regerende keizer heeft. In Japan heeft de keizer een symbolische functie.

Inleiding Tijdens een groot deel van de Europese geschiedenis kon er vanuit de Romeins-christelijke traditie maar één keizer zijn, wiens gezag aanvankelijk bovendien een sterk religieuze basis had. Deze wereldlijke hoogste heerser had dan ook maar één gelijke, namelijk de hoogste geestelijke heerser: de paus. De titel keizer wordt daarnaast ook gebruikt voor niet-Europese vorsten met een vergelijkbare status. Een keizer staat aan het hoofd van een keizerrijk. Het vrouwelijke equivalent is keizerin, maar in het Byzantijnse Rijk werd de titel keizer ook door vrouwen gevoerd.

Toen in het jaar 476 het West-Romeinse keizerrijk was gevallen bleef West-Europa 324 jaar zonder keizer achter. Het vacuüm werd gevuld door stamhoofden, hertogen en koningen die geen vorst boven zich erkenden. In 800 werd Karel de Grote keizer. In 973 liet Edgar van Mercia zich in Bath door de aartsbisschop van Canterbury tot keizer kronen, hij regeerde over Mercia, Northumberland, delen van Scandinavië en Ierland en over de Westelijke Saksen. Edgar liet zich Imperator noemen.Beschrijving van het leven van Sint Oswald, Aartsbisschop van York. Anoniem rond het jaar 1000. Geciteerd door Roy Strong

Kroon In de eeuwen na de kroning van Karel de Grote in 800 droegen de Europese koningen een open kroon. Een kroon met een kam of opstaand diadeem zoals de Roomse keizers van Duitsland die droegen was bij uitstek een symbool van keizerlijk gezag. De Engelse koningen die het oppergezag van de Duitse keizers niet erkenden gingen afwisselend open kronen en kronen die naar Byzantijns model waren gesmeed dragen. Deze gesloten kronen verwezen naar hun keizerlijke ambities.

Richard II van Engeland (die regeerde van 1376 tot 1377) gebruikte een gesloten kroon. In 1399 liet Hendrik IV van Engeland zich met een "keizerlijke" kroon kronen. Ook een ander keizerlijk symbool, de sinds 1014 aantoonbaar gebruikte door een kruis bekroonde rijksappel was al sinds de regering van Eduard de Belijder en Harold II in Engeland gebruikt. Bij Richard II van Engeland zien we een combinatie van rijksappel en verge op een portret. De Engelse koningen gebruikten tot in de 17e eeuw twee verzamelingen regalia; een voor de kroning bestemde kroon en scepter die in Westminster werden bewaard en persoonlijke regalia waarmee zij rondreisden."Coronation: A History of Kingship and the British Monarchy", Roy Strong (2005)

Het gebruik van een keizerlijke kroon kon door de Europese koningen in de late middeleeuwen worden gerechtvaardigd met de maxime "rex in regno svo est imperator". De Engelse juristMaster of the Rolls Cuthbert Tunstall schreef in 1517 aan Hendrik VIII van Engeland dat "de kroon van Engeland een keizerrijk op zich is, beter dan dat van Rome en dat uwe majesteit daarom een gesloten kroon draagt". De Britse vorsten zijn een "keizerlijke staatskroon" blijven gebruiken. Ook de bij de kroning gebruikte Kroon van Sint-Eduard is een gesloten keizerskroon.Sir Roy Strong

Etymologie Het Middelnederlandse woord keiser, verwant met het Oudsaksische kēsar of kēsur en het Oudhoogduitse keisar of keisur (in het Hoogduits Kaiser) is ontleend aan het Oudhoogduitse keiser.s.v. keizer, in , Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden, 1971, p. 310. De Goten lijken het woord kaisar (zoals het in het Griekse deel van het rijk werd geschreven) te hebben overgenomen toen ze zich nog in het Zwarte Zee-gebied bevonden. De term lijkt zich langs de limes in het West-Germaanse gebied te hebben verspreid.

Het Oudhoogduitse keisar of keisur is, net zoals het Slavische tsaar, afgeleid van het Romeinse cognomen Caesar dat door de eerste princeps Imperator Caesar Augustus werd gedragen. Rond de tijd van Claudius (41-54 n.Chr.) werd Caesar verbonden aan het "ambt" van princeps en werd het dan ook gebruikt als aanduiding voor "keizer".

In de Romaanse talen echter zou men het ambt van de princeps gaan aanduiden met een aan Imperator ontleend woord, zoals het Italiaanse imperatore of het Franse empereur, waarop ook het Engelse emperor kan worden teruggevoerd. Ook in het Albanese mbret voor "koning" is nog imperator te herkennen.

Romeinse keizers De titel keizer is afgeleid van de Latijnse eigennaam Caesar (Latijnse uitspraak: ). Caesar was het cognomen van Gaius Julius Caesar (ca. 100 v.Chr - 44 v.Chr.). Hij werd door de Senaat benoemd tot dictator perpetuus ("eeuwig alleenheerser") over Rome. In feite herstelde men hiermee de vroegere monarchie in het Romeinse Rijk. Maar omdat de eerste koningen door het Romeinse volk waren verjaagd rustte er sindsdien op de titel 'koning' (in het Latijn: rex) een taboe. De officiële Romeinse titel werd daarom het Latijnse equivalent imperator. Het cognomen Caesar werd later eveneens aan zijn opvolgers gegeven, die evenals Gaius Julius dictator voor het leven waren en als Imperatores over het Romeinse Rijk heersten. Langzamerhand echter werd Caesar een synoniem voor de titel van imperator-dictator en verviel in het spraakgebruik deze laatste term.

thumb|150px|Standbeeld van Caesar Augustus Na Gaius Julius heersten Imperator Caesar Augustus (63 v.Chr - 14 n.Chr.) en zijn opvolgers als Caesars over het Romeinse Rijk. Onder Caesar (of keizer) Diocletianus werd het Romeinse Rijk in het jaar 285 gesplitst in een Oost- en een West-Romeins Rijk. Iedere helft kreeg een eigen keizer als hoofd. Eensgezind zouden deze dan het rijk besturen. In de praktijk probeerde de keizer van de ene helft meestal de 'andere' keizer uit te schakelen om zo de macht met niemand anders te hoeven delen. Nadat Constantinopel de hoofdstad werd van het Romeinse Rijk zetelde daar de 'Oost-Romeinse' keizer. De praktijk was dat deze machtiger was dan de 'West-Romeinse' keizer en alleen een door hem goedgekeurde keizer in het Westelijke rijk erkende.

Dit zorgde voor veel onderlinge oorlogen tussen de vele troonpretendenten, wat in aanzienlijke mate de oorzaak was voor de verzwakking van het West-Romeinse Rijk, zodanig, dat het ten slotte bezweek tijdens de Grote Volksverhuizing. In 476 werd Romulus Augustulus als de laatste keizerZie ook de lijst van Romeinse keizers van het West-Romeinse Rijk afgezet door de Germaanse koning Odoaker. In theorie was de Oost-Romeinse keizer nu weer de alleenheerser van het Romeinse rijk. Aangezien het westelijke grondgebied nu bezet werd door de Germanen had hij in de praktijk alleen gezag over de Oostelijke helft maar de Germaanse koningen erkenden wel formeel dat hij ook hun opperheer was. Maar dit was alleen maar in theorie zo: in werkelijkheid trokken de Germaanse koningen zich niet veel aan van de keizer in het verre Constantinopel.

West-Europese keizers Frankische keizers (800-962) Bovengenoemde situatie veranderde pas toen Karel de Grote in 800 door de paus tot nieuwe 'Keizer van het Westen' werd gekroond. Constantinopel was daar niet erg gelukkig mee maar kon er niet veel tegen uitrichten en erkende met tegenzin ten slotte de nieuwe 'collega' in het westen. Vanaf toen waren er weer twee keizers in Europa.

thumb|200px|left|Karel de Grote en paus Adrianus I In de westerse wereld was er aanvankelijk sprake van telkens slechts één keizer. Deze opeenvolgende monarchen beschouwden zich als de rechtmatige opvolgers van de Romeinse keizers. De keizer werd als een machtiger heerser dan een koning aangezien. Na het herinvoeren van de keizerstitel in het jaar 800 werden de Europese koningen als een leenman van de keizer beschouwd. In hun koninkrijk fungeerden zij in naam van de keizer van het Romeinse Rijk. De keizer is in die visie de opperste door God aangeduide bewaarder van het volk en het land, terwijl een koning slechts in zijn land als vorst is verkozen. Het keizerdom put ook gezag uit de christelijke profetie dat de wereld zou vergaan indien er een einde aan het Romeinse Rijk zou komen. Men streefde daarom naar een soort voortzetting van het Romeinse Rijk.

In het westen werd dit ideaalbeeld verwezenlijkt door Karel de Grote, die tot nieuwe keizer (imperator) van het Westen werd gezalfd door de paus. De titel was al meer dan 300 jaar niet meer gedragen sinds de val van het West-Romeinse Rijk in 476. In West-Europa moet de herinvoering van keizerstitel vooral gezien worden als een poging van de Kerk om meer politieke invloed te krijgen. Door de keizerskroning afhankelijk te maken van gunst van de paus, werd tegelijk een tegengewicht gecreëerd tegenover de Oost-Romeinse keizers.

Karel de Grote kon als gezalfd door de paus zelf, als hoogste bewaarder van het geloof in de strijd tegen andere vorsten ingezet worden. De rechtmatigheid van deze nieuwe keizerstitel is altijd betwist geweest door de heersers van het Oost-Romeinse Rijk. Volgens hen waren de Oost-Romeinse keizer de rechtmatige Romeinse keizers, omdat de Germaanse 'generaal in Romeinse dienst' Odoaker in 476 de keizerlijke insignes en attributen van de laatste Romeinse keizer naar het hof van Constantinopel had teruggestuurd.

Na de dood van Karels opvolger Lodewijk de Vrome in 840 en de splitsing van zijn rijk bij het Verdrag van Verdun (843) in een Westelijk rijk, een Middenrijk en een Oostelijk rijk ging de keizerstitel naar Lodewijks zoon Lotharius I van het Middenrijk. Toen deze lijn uitstierf, ging de keizerstitel samen met de meeste territoria van het Middenrijk naar het Oostelijke, Duitse rijk.

Rooms-Duitse keizers (962-1806) thumb|115px|Keizerskroon van keizer Rudolf II uit 1602, vervaardigd naar het model van de heraldische keizerskroon

In het Oost-Frankenrijk herleefde het keizerschap met de kroning van Otto I tot keizer op 2 februari 962. Dat moment wordt tevens gezien als het begin van het Heilige Roomse Rijk, hoewel die term pas geleidelijk aan ontstond. In de moderne (Duitse) literatuur spreekt men doorgaans van Rooms-Duitse keizers, om ze daarmee te onderscheiden van de Romeinse keizers uit de Oudheid en de Duitse keizers van 1871-1918.

Het keizerschap was niet erfelijk, de kandidaat werd gekozen door de zeven keurvorsten, die hem vervolgens eerst kroonden tot Rooms-Duits koning. De kroning en zalving tot keizer diende te geschieden door de paus, maar dat leverde regelmatig problemen op. Er moest vaak onderhandeld of zelfs oorlog gevoerd worden om de paus tot de keizerskroning te bewegen. Tijdens de Investituurstrijd (1076-1122) liet de Duitse koning Hendrik IV bijvoorbeeld de zetelende paus Gregorius VII uit Rome verjagen, om vervolgens een tegenpaus te benoemen die hem tot keizer zou kronen.

Hoewel de feitelijke macht van de keizer nu beperkt was tot het Duitse rijk, bleef hij formeel nog wel gezag houden over andere koningen, zoals die van Frankrijk en Engeland. Zo werd in een glosse op de decretale Super specula van paus Honorius III gesteld: "Want de keizer is en blijft de heer der wereld (...) en rechtens zijn allen aan hem onderworpen, zowel de Romeinen als de Fransen, de Duitsers (...) en alle anderen".J.H.A. Lokin & W.J. Zwalve, "Hoofdstukken uit de Europese Codificatiegeschiedenis", Groningen 1992, p. 144.