Babylon of Babel (Arabisch: بابل, Bābil) is een stad uit de oudheid, die zich in het huidige Irak bevindt, 80 km ten zuiden van Bagdad.
De naam Babylon is een Griekse verbastering van het Akkadische Bāb-Ilim, hetgeen betekent "de Poort van God".
Beschrijving van de stad Babylon was aan de Eufraat gebouwd en in de bloeiperiode van de stad lagen er zowel delen of wijken op de linker- als op de rechteroever. Er waren steile dijken om de jaarlijkse vloed te keren. De oppervlakte bedroeg 890 ha (enkel Rome en Carthago zijn in de oudheid ooit groter geweest). Binnen de ommuring was veel open ruimte met groen, ook grasland voor vee en begraafplaatsen. Men schat dat Babylon tussen 1770 en 1670 v.Chr. de grootste stad van de wereld was en nogmaals tussen 612 en 320 v.Chr. Mogelijk was het ook de allereerste stad die een bevolkingsaantal van boven de 200.000 telde.Rosenberg, Matt T. Largest Cities Through History, About.com. Accessed 19 april 2008. Archeologen en historici schatten een mogelijk bevolkingsaantal doorgaans in een verhouding van tussen de honderd en de vierhonderd personen per hectare.
Tempels en een ziggoerat Er zijn acht tempels opgegraven. Er was in de 6e eeuw v.Chr. ook een ziggoerat, al weet men niet of die ook reeds in de vorige, oudere stad aanwezig was. Op een reliëf van een Babylonisch vorst staat een afbeelding ervan. Een schrijver uit 230 v.Chr. uit Uruk geeft de afmetingen op van 91 m hoog en breed, met bovenaan een tempel voor Isjtar. Het geheel bevond zich in een temenos van 400 op 400 meter.
De muren van Babylon thumb|De muren van Babylon In de 3e eeuw v.Chr. schreef de Alexandrijnse dichter Callimachus een werk met de titel (vertaald) "Een verzameling wonderen in landen van de hele wereld". Hij benoemt hierin de zeven wereldwonderen. Opmerkelijk wordt hierin de Pharos van Alexandrië niet beschreven, dit kan betekenen dat toen hij het werk maakte de vuurtoren nog niet bestond of nog gebouwd werd. Callimachus beschreef dat de muren van Babylon tot de wereldwonderen behoorden. In werken van Griekse en Romeinse filosofen waren de afmetingen enorm afwijkend: Volgens Lucius Flavius Arrianus was de omwalling 200 stadiën (ongeveer 37 kilometer) lang, terwijl er ook een bron is gevonden die 480 stadiën (ongeveer 88,8 kilometer) aangeeft als lengte. Voor de breedte gaf Gaius Iulius Hyginus 25 voet (ongeveer 7,75 meter) aan, maar geeft een andere gevonden bron 200 voet (ongeveer 62 meter). De hoogte werd ten slotte door Lucius Flavius Arrianus op 25 voet (ongeveer 7,75 meter) geschat en bij Oros. 2.6.8 wordt er 200 el (ongeveer 92 meter) aangegeven.
De Hangende Tuinen van Babylon De Hangende tuinen van Babylon gelden als een van de zeven wereldwonderen uit de Oudheid. Nebukadnezar II zou degene geweest zijn die deze tuinen liet aanleggen.
Volgens sommigen zouden de tuinen zich in werkelijkheid in Ninive hebben bevonden, al is het niet uitgesloten dat in Babylon gelijkaardige terrastuinen voorkwamen op eerste en tweede verdiepingen van gebouwen.
Bij opgravingen van de Duitse archeoloog Robert Koldewey lijken er fundamenten van te zijn gevonden (een grote bronput, extra zware verstevigde muren, gebruik van bewerkte stenen, uniek op die plaats), maar veel historici betwijfelen de juiste locatie. Assyrische vorsten zoals Assurbanipal hadden inderdaad hangende tuinen, dat wil zeggen terrastuinen op eerste verdiepingen, laten aanleggen en verzamelden er planten en bomen. Volgens de legende zorgde Semiramis, de dochter van de godin Derketo en de echtgenote van een Assyrische vorst, voor de hangende tuinen in Assur. Hun faam zou mogelijk op Babylon zijn geprojecteerd.
Desalniettemin wordt van dit wereldwonder gewag gemaakt door een vijftal belangrijke schrijvers uit de Oudheid.
Stadsarchitectuur miniatuur|Isjtarpoort van Babylon in het Pergamonmuseum, Berlijn Nebukadnezar II was degene die de stad herbouwde en ze volgens een raster liet indelen in wijken van gelijke grootte, vier op de westelijke en negen op de oostelijke oever van de Eufraat. Langs de noordelijk gelegen Isjtarpoort volgde men een geasfalteerde processieweg tot aan de ziggoerat. Hij had eveneens een noordelijk en een zuidelijk paleis laten bouwen waarvan de beide delen aan deze poort lagen. Rondom werd 8 km aan buitenmuren gebouwd, die in een grote driehoek de stad tussen zich en de Eufraat insloten.
Naamgeving Sommige onderzoekers, zoals linguïst Ignace Gelb, menen dat de naam Babil de weerklank zou zijn van een vroegere vestiging of stadsnaam. Deze bevond zich volgens dr. Ranajit Pal in het oosten.A New Non-Jonesian History Of The World Herzfeld had het over Bawer in Iran, dat nadien door Jamshid werd ontdekt. Babil zou dan een weerklank van Bawer kunnen zijn. Volgens David Rohl zou het oorspronkelijke Babylon in feite Eridu zijn.
In een Akkadische tekst uit de late Vroeg-dynastieke periode III (ca. 2500 v.Chr.) is sprake van een gouverneur van 'BAR-BAR' die een tempel bouwt ter ere van de god Marduk. Fonetisch kan dit gelezen worden als 'ba(b)bar' of 'ba(b)bal', mogelijk identificeerbaar met 'Babylon', een naam afgeleid van het Akkadische "Bāb-ilim" of "Bāb-ilī' (Poort van God, van de Goden). De Bijbelse vermelding 'Babel' van het Hebreeuwse werkwoord 'balal' (= verwarren) sluit hierbij aan. Rond 2200 v.Chr. is de identificatie zekerder wanneer op een Sumerisch tablet staat dat ten tijde van de Akkadische vorst Shar-kalli-shari (2217–2193 v.Chr.) twee tempels gebouwd worden voor de oorlogsgoden Anunîtum en Il-aba in de stad 'KA.DINGIR.RA', de Sumerische transcriptie voor het Akkadische 'Bāb-ilim', 'Babylon'.Louis Hulstaert, Doctor in de kunstgeschiedenis
Geschiedenis miniatuur|300px|Kaart met het Babylonisch gebied ten tijde van Hammurabi's troonsbestijging in 1792 v.Chr. en bij zijn dood in 1750 v.Chr. De mythische oorsprong van Babylon ligt bij een opdracht van de god Nanna aan de koning van Ur om deze stad te bouwen. Volgens een latere mythe was het de god Marduk die haar bouwde.
De stad was gevestigd op beide oevers van de rivier de Eufraat, ongeveer 300 kilometer stroomopwaarts van haar samenloop met de Tigris. In het 4e millennium v.Chr. was het een aanzienlijk dorp op de oostelijke oever, waar in het 2e millennium v.Chr. de Amurru hun hoofdstad van maakten nadat zij zich in Mesopotamië kwamen vestigen. 1978: Graven in Bijbelse Bodem - Archeologie van de landen van de Bijbel, p. 196
Eerste historische vermeldingen (2500 v.Chr.) De vroegste bron die Babylon vermeldt wordt gedateerd aan de hand van een kleitablet uit het rijk van Sargon van Akkad (circa 24e eeuw v.Chr.) Volgens de zogenoemde Weidner Kroniek was het Sargon zelf die de stad bouwde "tegenover Akkad".ABC 19:51 Een andere kroniek vermeldt in dezelfde termen dat het Sargon was die "het slijk van de put van Babylon heeft opgedolven, en een tegendeel van Babylon maakte vlak bij Agade".ABC 20:18-19
Tijdens de Derde dynastie van Ur (Ur III) (2119–2004 v.Chr.) vermelden verschillende administratieve teksten Babylon als zetel van een gouverneur ondergeschikt aan de politieke macht van Ur. De namen van de ambtenaren zijn overwegend Akkadisch, wat overeenkomt met de vrij noordelijke ligging van Babylon ten opzichte van de echt Sumerische steden van het Zuiden, een ligging wellicht dichter in de buurt van (het nog niet teruggevonden) Akkad.Louis Hulstaert, Babylon Poort der Goden p. 12
De indrukwekkende koningslijst gaat terug tot circa 2300 v.Chr. en bevat onder andere de legendarische koning Hammurabi.
Na de politieke val van Ur III ten gevolge van de verovering van Sumer door de Elamieten, houden alle vermeldingen van Babylon voor een periode van meer dan honderd jaar op.
Oud-Babylonische Rijk (1894–1595 v.Chr.)
Vanaf de 20e eeuw v.Chr. nam de macht van Babylon af en werd het bezet door de Amorieten, nomadenstammen uit het westen die een Noordwest-Semitische taal spraken en leefden van het hoeden van schapen. In Babylon namen zij de Akkadische taal over. De Eerste Dynastie van Babylon werd gevestigd door Sumu-abum, al was er maar weinig land in de omgeving dat tot de stadstaat behoorde. Dit zou veranderen onder Hammurabi.
Vanaf 1850 v.Chr., 500 jaar na Zababa, werd Marduk de god van Babylon. Hij is geen militaire spion, met zekere trots noemt hij zich 'Ontdekkingsreiziger'. De wereld der Hethieten - Grote culturen der Oudheid, p. 22
Hammurabi (omstreeks de 18e eeuw v.Chr.) maakte van Babylon de hoofdstad van zijn rijk, dat Babylonië heette. Uit 1750 v.Chr. dateert de Zuil van Hammurabi, waarop hij de wettafels vasthoudt. Ze bevatten een nieuwe formulering van de wet- en rechtspraaktraditie, (die teruggaat tot ver in het 3e millennium v.Chr.), met 250 wetten, gelijksoortig aan die van Ur-Nammu (3e dynastie van Ur). De profeet Mozes werd later op gelijkaardige wijze afgebeeld., Graven in Bijbelse Bodem - Archeologie van de landen van de Bijbel, p. 196 Babylonië brengt nu geheel Mesopotamië onder zijn heerschappij, waarmee het begin van het Oud-Babylonische Rijk wordt gemaakt.,Graven in Bijbelse Bodem - Archeologie van de landen van de Bijbel, p. 196 Tot dan hadden Semitische leiders elkaar voortdurend bekampt, iets wat reeds ca. 20e eeuw v.Chr. was begonnen., Dagelijks leven in de Bijbeltijd, p. 54 In feite namen de Babyloniërs de beschaving van de Sumeriërs over. Door de dood van Hammurabi kwam er een einde aan het Oud-Babylonische Rijk.
De Babylonische schrijver Sin-liqi-unninni legde het Gilgamesj-epos rond 1600 v.Chr. vast. Een groot aantal veel oudere verhalen komt erin samen.
Kassietische periode (1595–1185 v.Chr.) De door Hattusilis (met voorbijgaan aan zijn eigen kinderen) aangewezen Hettitische opvolger Mursilis maakte Aleppo met de grond gelijk en deed ook Babylon vallen. In 1595 v.Chr. plunderde het Hettitische leger onder Mursilis Babylon. Mursilis keerde met kisten goud terug naar Hattusas en liet Babylon verder ongemoeid. Maar dit betekende het einde van de Hammurabi-dynastie, Midden-Oosterse Mythen, De eerste Heldendichten, p. 16 en had een hergroepering van de politieke krachten in Klein-Azië tot gevolg. Opdringerige Hurrieten leverden toen nog geen moeilijkheden op. De wereld der Hethieten - Grote culturen der Oudheid, p. 31
Onder de 440 jaar durende heerschappij van de Kassieten, werd de naam van de hoofdstad omgedoopt tot Karanduniash.
Babylon groeide snel in omvang en aanzien, maar werd vanaf 1530 v.Chr. onderhorig aan Assyrië, wat de instorting van het Babylonische rijk betekende.
De Elamieten vielen het koninkrijk Chaldea binnen (te weten: Lager Mesopotamië, ook Shinar of Sumer geheten, en Hoger Mesopotamië, ook Akkad geheten) en heersten over de stad. In 1158 v.Chr. veroverden zij onder Shutruk-Nahunte (1185–1155 v.Chr.) Babylon en sleepten het cultusbeeld van Marduk mee naar Susa. Hiermee eindigde officieel de Kassietische periode.
Vanaf 1080 v.Chr. doken in Syrië en Mesopotamië zonder zichtbaar verleden nieuwe nomadengroepen op. Aramese en Chaldese stammen infiltreerden het Babylonische gebied. Beide waren West-Semitische volkeren waarvan de onderlinge relatie niet zo duidelijk is. Blijkbaar waren ze voortdurend met elkaar in conflict. De eerste golf streek neer over Assyrië en ongeveer tegelijk over Babylon. Complexe Bijbelse tradities wijzen op een nauwe relatie tussen Arameeërs en Israëlitische voorouders: "Mijn vader was een ronddolende Aramees".Deut. 26:5 Mogelijk waren het eerst in een overeenkomstig gebied wonende afstammelingen van Amorieten of een nauw verwante groep., Biblical Lands, p. 58
Vooral de Chaldeeërs gingen een belangrijke rol spelen in de latere geschiedenis van Babylon. Zij vestigden zich in het Zuiden, rondom Ur (Akkadisch: mât Khaldu) waar ze kleine rijkjes vormden.
Assyrische periode (900–626 v.Chr.) miniatuur|Detail van de Isjtarpoort