thumb|250px|Olieverf op een palet
Olieverf is een verfsoort, samengesteld uit pigment in de vorm van een zeer fijn gekleurd poeder en een plantaardige olie. Dit bindmiddel is meestal lijnolie. Olieverf is vanaf de 15e eeuw een belangrijk medium in de schilderkunst.
Olieverf is een zeer veelzijdige verfsoort, waarmee zowel dekkend als transparant gewerkt kan worden. De verf kan in dunne gladde lagen worden aangebracht, maar er kunnen ook sterke effecten bereikt worden als de verf met volume wordt verwerkt, zodat de verfstreken zichtbaar blijven. In extreme vorm wordt de impastotechniek gebruikt. Een speciaal gebruik van olieverf is het marmeren. Het gebruik als huisschildersverf of in de industrie is sinds het midden van de twintigste eeuw zeer sterk afgenomen, voornamelijk door de toepassing van minder verwerende en goedkopere synthetische verven (zoals acryl).
Bindmiddel Het belangrijkste bindmiddel dat in de bereiding van olieverf wordt toegepast is lijnolie. Lijnolie wordt gewonnen door het uitpersen van lijnzaad, de zaden van vlas. De vlasplant heeft nog een tweede toepassing in de schilderkunst: de vezel is de basis van het linnen van het schildersdoek. De droging wordt bij olieverf veroorzaakt door de oxidatie van de olie. De olie moet daartoe een hoog bestanddeel aan triglyceriden bevatten, meervoudig onverzadigde vetzuren. Lijnolie bestaat daaruit voor zo'n 60%. Dat is een ideaal percentage voor het vormen van een harde, maar toch enigszins soepele verffilm. Er zijn sneldrogende plantaardige oliën met een hoger percentage, maar die vormen een te brosse laag; in de kunstschildertechniek worden ze niet toegepast; wel soms als beits. left|thumb|Olieverffabricage op een eenvoudige wals Lijnolie krijgt bij het drogen een enigszins gele kleur; dit wordt veroorzaakt door de vetzuren. Voor witte of andere heel lichte kleuren zijn daarom andere oliesoorten, met een lager triglyceridegehalte, beter geschikt omdat ze minder na-gelen bij het drogen. Dit zijn de zogenaamde halfdrogende oliën met een gehalte van 40-60%: papaverolie, maïsolie, saffloerolie, zonnebloemolie of walnootolie. Papaverolie en saffloerolie worden veel door de betere fabrikanten gebruikt. Deze oliën kenmerken zich door een langere droogtijd en een zwakkere verffilm; ze zijn lang niet zo sterk als lijnolie dat zelfs voor een vloerbedekking, linoleum, gebruikt wordt. Overigens vergeelt een schilderij in het licht minder dan in het donker doordat chromofore (kleurende) atoomgroepen door ultraviolet licht worden afgebroken,D. Kraaijpoel & C. Herenius, 2007, Het kunstschilderboek — handboek voor materialen en technieken, Cantecleer, p. 35 en kan een vergeeld schilderij door het in het daglicht te hangen langzamerhand weer de oorspronkelijke kleur verkrijgen.
Droging en harding thumb|250px|Bij het begin van het drogingsproces vormt de olieverffilm een flexibele laag die licht glanst Nadat de olieverf op de drager is aangebracht, begint het droogproces. Het bindmiddel wordt soms eerst verdikt door verdamping van een mogelijk oplosmiddel. Het echte drogingsproces is echter een gevolg van de oxidatie van het bindmiddel, dat zich met zuurstof verbindt.
Olieverf heeft een lange droogtijd, die bij zeer dik opgebrachte verf wel een jaar kan bedragen. De droogtijd hangt af van de mate van verdunning, het type olie, de dikte van de laag, de belichting, de temperatuur, maar ook van het pigment. In sommige kleuren olieverf zit relatief veel pigmentpoeder en weinig olie, bijvoorbeeld omdat het pigment niet zo'n sterk kleurend vermogen heeft. Deze kleuren, meestal zijn dit de aardkleuren zoals gele- en rode oker, sienna en natuurlijke omber, drogen hierdoor snel — met uitzondering van gebrande omber dat een notoir lange droogtijd heeft. Omdat verf met deze pigmenten ook relatief goedkoop is, wordt deze veel voor de onderschildering gebruikt. Kleuren als kraplak (of alizarine)rood en karmijn drogen zeer langzaam. Sommige pigmenten, zoals kobaltblauw, versnellen het drogingsproces doordat ze als katalysator werken.
Bij de eerste fase verandert de verf in een gel. In de tweede fase begint de zogenaamde "vernetting": er ontstaan door de oxidatie moleculen, polymeren, die een hechte laag vormen. Dit is een onomkeerbaar proces: de verf kan nooit meer vloeibaar gemaakt worden in de oorspronkelijke samenstelling. Hierdoor vormt zich na een halve dag een leerachtig huidje. Dun opgebrachte verf is in een week wel droog. In een verlichte ruimte verloopt het proces iets sneller doordat het licht door de oxidatie gevormde producten vernietigt, die anders als weekmaker de droging zouden vertragen.
De lange droogtijd is de hoofdreden van de populariteit van de olieverftechniek: het grote voordeel van olieverf is dat het schilderij dagenlang bewerkt kan worden. De schilder heeft zo de tijd alle kleurovergangen exact aan zijn wensen te laten beantwoorden; vergissingen kunnen met een enkele handbeweging uitgewist worden.
Mocht men echter behoefte hebben aan een korte droogtijd, kan daartoe een droogmiddel, een zogenaamd siccatief, door de verf gemengd worden. Dit werd vroeger veel gedaan door huisschilders. Bij schilderijen heeft dit soms catastrofale gevolgen. Mondriaan gebruikte bijvoorbeeld petroleum als sneldrogend oplosmiddel, waardoor zijn schilderijen veel barsten zijn gaan vertonen. Sinds de jaren zestig gaan schilders die de lange droogtijd niet prettig vinden vaak over op het gebruik van acrylverf of alkydverf.
Verdunnen Pigment met olie vormen samen een dikke pasta, die tegenwoordig in tubes wordt geleverd in allerlei kleuren. Doordat verffabrieken meestal proberen zo min mogelijk (duur) pigment te gebruiken, bevat deze tubeverf al vrij veel bindmiddel en door de vrijwel perfecte machinematige vermenging van de bestanddelen — door de verf te walsen wordt ieder pigmentkorreltje door een film van olie omgeven — is de verfmassa zeer smeuig. Men spreekt wel van een typische boterzachte consistentie. De tubeverf is echter ook "kort": de kwaststreek blijft erin staan. Dat is ideaal voor een alla prima-techniek waarbij de verf in één keer op het doek gezet wordt. Deze verf kan dus uitstekend recht uit de tube onverdund verwerkt worden.D. Kraaijpoel & C. Herenius, 2007, Het kunstschilderboek — handboek voor materialen en technieken, Cantecleer, p. 167 Voor een gelaagde techniek is het echter wenselijk dat de verf "lang" is, vloeibaarder, en moet de schilder de verf verdunnen met terpentijn of lijnolie. Terpentijn is een uit naaldbomen gewonnen dunne hars-essence, niet te verwarren met de uit aardolie gewonnen terpentine, die door zijn lage prijs ook als schoonmaakmiddel voor de kwasten gebruikt kan worden. Als de verf met terpentijn wordt verdund, blijft de verf relatief mager. Hoe meer terpentijn wordt gebruikt, des te dunner wordt na verdamping de verflaag.
Als de verf met lijnolie wordt verdund, of zelfs met de ingedikte vorm daarvan, standolie, wordt de verf vet. Bij het schilderen is het van belang de onderste lagen van het schilderij, de onderschildering, mager te schilderen, en de lagen daarop steeds iets vetter te maken, bijvoorbeeld door minder met terpentijn te verdunnen, of door een beetje lijnolie toe te voegen. Dit wordt aangeduid met de term vet over mager. Worden er magere verflagen over een vettere ondergrond aangebracht dan zal de verf op termijn ongetwijfeld gaan barsten. De meest vette verf kan bovenop worden aangebracht, in de vorm van een transparante gekleurde glacis, waarbij de kleurdiepte verhoogd wordt door de onderliggende lagen te laten doorschemeren. Bij deze techniek is het van belang de onderliggende verflaag eerst goed te laten drogen om 'inschieten' van de verf te vermijden. De regel "vet over mager" hangt samen met de relatieve droogtijd van de verflagen: vette lagen drogen langzamer. Dit betekent ook dat een sneller drogende olie als lijnolie, hoewel op zich niet minder vet, niet op een verflaag gevormd uit papaverolie geplaatst moet worden.Alexander Eibner, Ueber fette Öle, Leinölersatzmittel und Ölfarben — Beitrag zur Normalfarbenfrage, B. Heller, München 1922
Afhankelijk van het gewenste effect zal de schilder de verf meer of minder verdunnen. Bij de impastotechniek kan de verf zelfs verdikt worden door speciale vulmiddelen. Maar om een vloeiende, dunne lijn te trekken, is verdunnen noodzakelijk.
Naast de hier genoemde traditionele verdunningsmiddelen zijn er vele andere schildersmedia in de handel verkrijgbaar, sommige met een siccatief om de droogtijd te bekorten.
Inschieten Inschieten is het verschijnsel dat een laag verf zijn bindmiddel en daardoor zijn glans verliest. Het wordt veroorzaakt doordat de olie uit de laag trekt in een onderliggende, magerder, verflaag. Het kan ook worden veroorzaakt door een absorberende ondergrond. Op zich is het inschieten niet ernstig, maar het leidt vaak tot storende glansverschillen tussen verschillende partijen. Het euvel kan opgelost worden door een dunne laag olie over de ingeschoten verf aan te brengen. Het teveel aan olie dient dan echter te worden weggewreven en men loopt het gevaar op extra vergeling; dat risico is minder bij het aanbrengen van een (retoucheer)vernis.
Vernis Een olieverfschilderij wordt vaak beschermd door een allerbovenste laag vernis. Met een glanzende vernis komen de diepe kleuren van olieverf volledig tot hun recht. De hoge glans wordt echter niet door iedereen gewaardeerd en er bestaan dan ook matte of halfglanzende soorten vernis. Vóór het aanbrengen van de vernis moet het oppervlak van het schilderij echter volledig droog zijn. Meestal laat men een olieverfschilderij daarvoor een half jaar goed drogen. Wordt het schilderij eerder verkocht, dan zou de eigenaar het terug moeten brengen naar de kunstenaar om het te laten vernissen. Daarnaast is het belangrijk dat het schilderij bij het vernissen stofvrij is.
Met retoucheervernis kan een schilderij kortdurend worden beschermd. Door deze dunne vernis kan de verf daaronder eenvoudiger verder drogen.
Vernis is gevoeliger voor oplosmiddelen, kan daardoor eenvoudig vernieuwd worden en maakt een later schoonmaken zo een stuk eenvoudiger. Een nadeel is dat oudere vernissoorten extra vergelen. Soms wordt echter juist opzettelijk een geel pigment aan het vernis toegevoegd om een nieuw schilderij een "goudglans" te geven die lijkt op die van echt oude werken.
Pigmenten thumb|300px|Olieverf wordt tegenwoordig industrieel in tuben vervaardigd in een groot assortiment; hier de selectie die Winston Churchill gebruikte Het bindmiddel is gemengd met een poeder dat de verf zijn kleur geeft: een pigment. Vroeger waren er maar weinig pigmenten beschikbaar, maar sinds de Industriële revolutie is het aantal pigmenten dat commercieel in olieverf verwerkt wordt, tot boven de honderd gegroeid. In geen enkele andere kunstschildertechniek zijn er zoveel verkrijgbaar; de meeste commercieel geproduceerde pigmenten zijn in principe met lijnolie verenigbaar, hoewel ze lang niet allemaal zo gebruikt worden. Een eigenaardigheid van de olieverftechniek is het gebruik van oude typen pigmenten, waarvoor al lang in kleurkracht en duurzaamheid superieure vervangers beschikbaar zijn, maar waarvoor om traditionele reden gekozen blijft worden. Het pigment heeft een belangrijke invloed op de verfeigenschappen; hierboven is het effect op de droging al genoemd; een ander effect is de transparantie.
Transparantie left|thumb|Chromaatgeel is een typisch dekkend pigment Bij olieverf worden de korrels van het pigment helemaal door de olie omhuld, wat de lagen altijd een zekere transparantie geeft, zelfs als de pigmentconcentratie vrij hoog is. Een ondertekening in grafiet blijft zo, zelfs onder opmerkelijk dikke lagen zichtbaar — om dit te vermijden wordt vaak aangeraden houtskool te gebruiken.