Benito Amilcare Andrea Mussolini (Predappio, 29 juli 1883 – Giulino di Mezzegra, 28 april 1945) was een Italiaans politicus, journalist en onderwijzer. Hij was van 1922 tot 1943 minister-president van Italië. Na de mars op Rome in oktober 1922 kwam Mussolini aan de macht en maakte hij van Italië een fascistische staat.
Jeugd en jonge jaren Mussolini werd geboren in Predappio, een klein plaatsje in het noorden van Italië. Zijn vader Alessandro Mussolini werkte als smid en was een socialist. Zijn moeder Rosa was een katholieke onderwijzeres. Zijn antimonarchistische vader vernoemde hem naar Benito Juárez, een Mexicaans revolutionair, op wiens bevel keizer Maximiliaan gefusilleerd werd. Zijn tweede en derde voornamen verwijzen naar de Italiaanse socialisten Andrea Costa en Amilcare Ciprian. In zijn jeugd werd Mussolini sterk beïnvloed door zijn socialistische vader.
Hij is getrouwd geweest met Ida Dalser, met wie hij een zoon Benito Albino Mussolini had en dan met Rachele Mussolini, met wie hij vijf kinderen heeft gekregen: Edda Mussolini, Vittorio Mussolini, Bruno Mussolini, Romano Mussolini en Anna Maria Mussolini.
Socialist Mussolini studeerde voor onderwijzer, maar stond slechts een korte tijd voor de klas. De politiek van het socialisme trok hem meer dan het onderwijs en hij sloot zich aan bij de Socialistische Partij van Italië (PSI). De PSI was over het algemeen een revisionistische partij, maar bezat wel een sterke marxistische vleugel. Mussolini sloot zich aan bij deze vleugel en keerde zich sterk tegen het revisionistisch socialisme. Om zijn dienstplicht te ontlopen vluchtte hij tijdelijk naar Zwitserland (1902-1904). Hier kwam hij in contact met vooraanstaande marxisten.
Ondanks zijn antimilitarisme vervulde hij na zijn terugkeer in Italië toch zijn dienstplicht (1906). In 1909 werd Mussolini secretaris van de vakbond van Trentino (Zuid-Tirol). Hij ontdekte zijn roeping als propagandist en schreef tal van socialistische brochures met een sterk antimilitaristisch en antiklerikaal karakter.
Hij sprak zich uit tegen de Italiaanse oorlog tegen het Ottomaanse Rijk, die als doel de verovering van Libië had. In 1912 werden de revisionisten uit de partij gestoten en werd Mussolini hoofdredacteur van Avanti! ('Voorwaarts'). In dit marxistische blad sprak hij zich uit voor de revolutie. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak sprak hij zich uit voor neutraliteit, omdat in zijn visie oorlogen slechts de belangen van de landeigenaren verdedigen met het bloed van de arbeider. Hij was dan ook, evenals velen met hem, verbouwereerd en enorm teleurgesteld toen Duitse en Oostenrijkse socialisten afweken van de socialistische lijn van neutraliteit en in de oorlog de zijde van hun regering kozen. Op dat moment verloor hij het geloof in het internationale socialisme. Hierdoor veranderde hij zijn visie op neutraliteit van een absolute naar een van voorwaardelijke neutraliteit. Als Italië het risico liep om te worden aangevallen dan moest zij zich durven verdedigen. Dit viel, zoals hij al had verwacht, niet in goede aarde bij andere leiders van de PSI die hem als een verrader beschouwden. Hierdoor moest hij Avanti! verlaten, waarna hij het blad Il Popolo d'Italia stichtte dat later in Italië het toonaangevende fascistische orgaan zou worden. In dit blad begon hij artikelen te schrijven waarin hij erop aandrong dat Italië aan de zijde van de democratische landen van de geallieerden (Entente) aan de oorlog zou deelnemen tegen de monarchistische landen van de centrale mogendheden. Zijn kritiek was vooral gericht tegen het keizerrijk Duitsland. Vanuit zijn socialistische achtergrond was hij van mening dat een burger rechten mag opeisen voor iets waarvoor hij hard gewerkt heeft. Door de oorlog kwam hij tot de conclusie dat een burger dat recht verliest indien hij niet voor het land wil vechten waar hij zijn identiteit en bestaan aan te danken heeft. Hij sloot zich aan bij diegenen die dat wel wilden en keerde zich tegen die socialisten die dat niet wilden. Een aantal fabrikanten zagen het nut van Mussolini's krant om Italië te bewegen de kant van de geallieerden te kiezen en besloten hem te financieren. Later toen de krant in financiële problemen kwam heeft Mussolini zelfs geld van de Franse regering geaccepteerd om de krant te kunnen laten voortbestaan.Robert O. Paxton: The anatomy of fascism, A.A. Knopf/Allen Lane 2004, Penguin 2005, Chapter 4
Soldaat Toen Italië deelnam aan de Eerste Wereldoorlog werd Mussolini als vrijwilliger aan het front met Oostenrijk-Hongarije gestationeerd. Hij schopte het tot sergeant. Op 23 februari 1917 raakte hij gewond door 40 granaatscherven en werd hij opgenomen in het ziekenhuis. Hij kon daarna niet meer deelnemen aan de strijd. Nadat hij genezen was, greep hij weer naar de pen. In Il Popolo d'Italia schreef hij positief over de Februarirevolutie van 1917 en de Russische socialistenleider Aleksandr Kerenski (de bolsjewieken waren toen nog niet aan de macht). Steeds meer begon Mussolini te verlangen naar de revolutie. Hij keerde zich echter wel af van een marxistische revolutie en hij streefde naar een socialistische of nationalistische revolutie.
Stichter van het Italiaanse fascisme Fasci di Combattimento Na de Eerste Wereldoorlog streefden de communisten naar een revolutie, de reformistisch-socialisten naar een verdere uitbreiding van de democratie en de middenklasse naar een herstel van de orde en garanties voor het veiligstellen van hun bezittingen. De nationalisten wilden meer annexaties van Joegoslavisch en Oostenrijks grondgebied.
Veel Italianen, onder wie Mussolini, waren boos omdat hun land bij de vredesverdragen tekort was gedaan, aangezien de geallieerden de afspraken van het Pact van Londen niet waren nagekomen. Op basis van dat verdrag had Italië besloten aan de oorlog deel te nemen. En die oorlog had diepe wonden in de samenleving en de economie geslagen. Honderdduizenden keerden niet meer terug van het slagveld, de nationale schuld was torenhoog, en er heerste schaarste. Hierdoor braken er in 1919 en 1920 enorme stakingen en onlusten uit. Ten gevolge van deze "twee rode jaren" (Biennio Rosso), die in andere landen zoals Duitsland en Hongarije leidde tot communistische radenrepublieken, ontstond er een sterke tegenreactie, die vooral de op orde en discipline geënte fascistische beweging een enorme impuls gaf.
Op 23 maart 1919 stichtte Mussolini op de Piazza San Sepolcro in Milaan de Fasci di Combattimento. Deze groep bestond voor een groot deel uit veteranen. De beweging groeide snel. De leden, die zich fascisten noemden, droegen een zwart hemd, een zwarte muts en veelal wapens. Van een sterk leiderschap was geen sprake. Dat was juist gedecentraliseerd en iedere stad of streek had haar eigen fascistenbaas. Een dergelijke baas werd ras genoemd, naar de Ethiopische provinciegouverneurs. Het kostte Mussolini vaak moeite om alle ras op één lijn te krijgen. De fascisten knokten met hun vijanden, de socialisten, de communisten, de leden van de katholieke volkspartij, hun vakbonden en hun kranten, waarbij veel doden vielen. Op 15 april 1919 viel een groep fascisten het redactiebureau van de socialistische partijkrant Avanti! aan, waarbij vier socialisten gedood werden.Robert O. Paxton: The anatomy of fascism, A.A. Knopf/Allen Lane 2004, Penguin 2005, Chapter 1 De fascisten pleegden het meeste geweld op de Povlakte. De grootgrondbezitters op de Povlakte zochten steun bij de fascisten tegen de landarbeiders. Die hadden door socialistische arbeidsbureaus en stakingen hoge lonen afgedwongen. De fascistische zwarthemden vielen op 21 november 1920 het stadshuis van Bologna binnen omdat socialistische ambtenaren een rode vlag hadden opgehangen. Bij deze aanval vielen zes doden onder de ambtenaren. In het eerste halfjaar van 1921 werden – volgens fascistische partijdocumenten – de gebouwen van 17 drukkerijen, 59 socialistische partijbureaus, 119 arbeidsbureaus, 107 coöperaties, 83 boerenbonden, 151 socialistische clubs en 151 culturele verenigingen vernield door de fascisten.Robert O. Paxton: The anatomy of fascism, A.A. Knopf/Allen Lane 2004, Penguin 2005, Chapter 3 Door de fascistische aanvallen tussen 1 januari en 7 april 1921 werden 41 socialisten, 20 politieagenten en 16 andere personen vermoord. Een favoriete afstraffing van tegenstanders was het laten opdrinken van wonderolie. In Noord-Italië namen de zwarthemden hele dorpen en steden over.
Partij Mussolini streefde inmiddels naar een sterk leiderschap en rond 1921 werd de fascistische beweging omgezet in een politieke partij: de Partito Nazionale Fascista (PNF). Mussolini werd de absolute leider en het gezicht van de partij. Hij voerde de titel Duce (van het Latijnse Dux = legeraanvoerder). Tegelijkertijd met de oprichting van de PNF werd er een partijprogramma aangenomen. Het republicanisme en antiklerikalisme werden afgezworen vanwege praktische redenen (de bevolking van Italië was katholiek en het merendeel monarchistisch), maar bleven op de achtergrond, zeker ook bij Mussolini, een rol spelen.
Minister-president Bij de verkiezingen van mei 1921 deed de PNF mee met de lijst Nationaal Blok, waarin ze samenwerkten met liberalen en nationalisten. Deze lijst stond onder leiding van de liberaal Giovanni Giolitti. Bij deze verkiezingen kreeg het Nationaal Blok in totaal 105 parlementszetels die ingenomen werden door 52 liberalen, 33 fascisten en 20 nationalisten van de Italiaanse Nationalistische Associatie. Daarnaast kreeg de PNF bij kiesdistricten waar ze zelfstandig meededen nog eens twee zetels. Bij de verkiezingen van 1921 kwamen in totaal 35 fascisten in het parlement. De Italiaanse Nationalistische Associatie fuseerde in 1923 met de fascistische partij. Als parlementslid keerde Mussolini zich vooral tegen de democratie.
Mars op Rome miniatuur|Voorafgaand aan de mars op Rome inspecteert Mussolini (links) zijn troepen te Napels In oktober 1922 begon een mars op Rome. Uit vier verschillende richtingen vertrokken groepen fascisten met de bedoeling de hoofdstad over te nemen. Iedere groep werd geleid door een vooraanstaand leider van de beweging. De regering reageerde sterk verdeeld. De demissionaire premier Luigi Facta liet politie en treinpersoneel 20.000 deelnemers aan de mars tegenhouden in Civita Vecchia, Orte en Avezzano. Negenduizend uitgeputte zwarthemden bereikten ten slotte op 28 oktober in de regen de buitenwijken van Rome. Koning Victor Emanuel III weigerde Facta's wet voor de noodtoestand te ondertekenen. Hij vreesde een burgeroorlog als er soldaten zouden overlopen en bood Mussolini (die overigens niet meeliep maar in Milaan bleef en een vluchtweg naar Zwitserland had voorbereid voor het geval de mars mislukte) het premierschap aan. Mussolini accepteerde en kwam op 30 oktober 1922 meteen naar Rome. Op 31 oktober werd aan 10.000 zwarthemden, inmiddels van voedsel en droge kleren voorzien, een parade door Rome toegestaan, waarbij zeven doden en 17 gewonden vielen. Na aanzienlijke schade aan kantoren van kranten van de oppositie zette Mussolini ze diezelfde avond Rome uit.Robert O. Paxton: The anatomy of fascism, A.A .Knopf/Allen Lane 2004, Penguin 2005, p. 87-91, p. 109 Hij werd premier van een coalitiekabinet van fascisten, katholieken, liberalen en socialisten. Mussolini keerde zich echter spoedig tegen zijn coalitiegenoten en gooide ze een voor een uit de coalitie: de socialisten werden als eersten weggewerkt en moesten ondergronds gaan opereren, de liberalen werden uit de regering gezet, maar mochten hun zetels in het parlement behouden, mits zij de fascistische politiek zouden steunen. De katholieke partij werd het werken onmogelijk gemaakt. Een deel van haar leiders week uit naar het buitenland. De rest van de partij opereerde sindsdien eveneens ondergronds.
Moord op Matteotti