Uden () (Udens dialect: Uje) is de hoofdplaats en met () inwoners de grootste woonkern van de gemeente Maashorst, gelegen aan de PeelrandKaart Gebiedspaspoorten/Kenmerken - Provincie Noord-Brabant in het oostelijke deel van de provincie Noord-Brabant.

Naar inwonertal is de stadANWB Topografische Atlas Noord-Brabant (2005) - kaart 51 173-409 . Uden de twaalfde plaats van Noord-Brabant. Uit geschiedkundig perspectief was het lang een vlek, maar gelet op het voorzieningenniveau, de werkgelegenheid, en de regiofunctie die zij vervult, is de plaats thans te beschouwen als een middelgrote stad.

Uden vormt samen met Veghel het stedelijk concentratiegebied (SCG) van de regio Uden-Veghel.Gebiedsindeling - Bevolkingsprognose Noord-Brabantsubregio Uden-Veghel e.o.- : Uden, Veghel- :    Boekel, Landerd, Schijndel, Sint-Oedenrode"Uitwerkingsplan Uden-Veghel en omstreken", Provincie Noord-Brabant, 23 maart 2004. Geraadpleegd op 13 mei 2015. “Voor de concentratie van verstedelijking zijn in het Streekplan van Noord-Brabant vijf stedelijke regio’s aangegeven (Bergen op Zoom-Roosendaal, Breda-Tilburg, Eindhoven-Helmond, Uden-Veghel en Waalboss). Het streven is om de woon- en werklocaties zodanig over Brabant te verdelen dat het grootste gedeelte van de woningbouw en de aanleg van bedrijventerreinen in deze vijf stedelijke regio’s terechtkomt.”

Geschiedenis thumb|Oude St. Petrus uit 1300, na de verwoestende brand van zondag 4 april 1886. Heden ligt aan deze locatie het oorlogskerkhof (Uden War Cemetry) waar op initiatief van de Heemkundekring Uden de contouren van de oude kerk met stenen zijn gemarkeerd. In het verre verleden ontstond de Peelrandbreuk, onder meer zichtbaar aan de Karperdijk en er was in de ijzertijd al bewoning nabij de heide van Slabroek. Deze bewoning is in 1922 ontdekt door dr. Remouchamps die aldaar een Gallo-Germaans urnenveld vond. In 2006 vond archeologe Hanneke van Alphen een 4000 jaar oude stenen bijl uit de vroege bronstijd op een bouwlocatie bezuiden de Udense binnenstad. In 2011 werd een vorstengraf gevonden.

Een Romeins dorp met zogenaamde woonstalhuizen werd in 2007 gevonden door de Leidse archeoloog Leon van Hoof op de nieuwbouwlocatie van ziekenhuis Bernhoven. In de eerste en tweede eeuw blijkt het gebied de Hengstheuvel in Uden-Noord te zijn bewoond, maar de nederzetting is in de derde eeuw weer verlaten, volgens de onderzoekers waarschijnlijk ten gevolge van de instorting van het Romeinse Rijk.

Anno 1190 n.Chr. komt in een Zutphense akte van de graaf van Gelre voor het eerst de naam Uden voor (heer Ricolt van Uthen). (Waarschijnlijk slaat deze naam op Ochten in Gelderland, daar leefde omstreeks die tijd eveneens een Ricolt. Daarbij is Ochten een verbastering van "Uhtwo", het germaanse woord voor ochtendgloren of morgenweide). De eerst bekende naam van Uden was Uot, deze was tot in de 11e eeuw bekend. Daarna is het (geleidelijk) in Uden veranderd. In die tijd bestonden er een aantal verspreid liggende kernen, die geleidelijk een eenheid zijn gaan vormen: de omgeving van de huidige Pius X-Kerk, een uit de vóór-Frankische tijd daterende kerk in de Bitswijk, een Frankische nederzetting in de buurt van het driehoekige marktveld, de omgeving van het Birgittinessenklooster en het Moleneind.

Land van Herpen In 1233 vond er een scheiding plaats tussen het territorium Cuyk en het Land van Herpen en Uden. Uden vormde in die periode samen met Herpen één heerlijkheid. Tot de stichting van het stadje Ravenstein bleef Herpen de hoofdplaats van dit landje.

Land van Ravenstein 350px|thumb|Ruim tweehonderd jaar was Uden Kleefs bezit. V.l.n.r. de hertogen Adolf IV, Jan I, Jan II, Jan III, Willem V en Johan Willem

In 1324 ging de heerlijkheid Uden in bestuurlijk opzicht behoren tot het Land van Ravenstein onder heerschappij van het Huis Valkenburg tot en met 1396. Het Land van Ravenstein maakte, in tegenstelling tot wat weleens vermeld staat, bestuurlijk noch territoriaal onderdeel uit van het hertogdom Brabant, maar behoorde tot het Rijksterritorium

In 1339 kwam er een Schepenbank in Uden. De bevoegdheid van dit 'Heikantsgericht' strekte zich uit over de gehele vroegere heerlijkheid Uden, dat bestond uit Uden, Boekel en Zeeland. De schepenbank voerde in die tijd een zegel (de oudste afdruk uit 1331), met daarop een eikenboom, waaraan twee schilden hangen die de wapens van de oudste heren uit het geslacht Van Herpen en dat van hun opvolgers uit het geslacht Van Valkenburg vertonen. Dit is het eerste Wapen van Uden.

Vanwege kinderloos overlijden van Reinoud van Valkenburg (gehuwd met Elisabeth van Kleef) beleende hertog van Brabant Adolf van Kleef met Herpen, Ravenstein en Uden waardoor in 1397 het Land van Ravenstein Kleefs territorium werd. Het wapen van Uden ging in deze periode lijken op dat van Kleef, waar het heden ten dage nog herkenbaar elementen van bevat. Het kinderloos overlijden van hertog van Gulik Kleef en Berg leidde tot de Gulik-Kleefse Successieoorlog en betekende het einde van de zelfstandigheid van Kleef en Ravenstein. De oorlog duurde van 1609 tot 1614. Aan het begin van de oorlog streden de erfgenamen Brandenburg en Palts-Neuburg samen met hun bondgenoten tegen de commissaris van de keizer om de hertogdommen in handen te krijgen. Vervolgens brak over de verdeling van de gebieden een nieuwe oorlog uit. Het calvinistische Brandenburg werd hierin gesteund door de Republiek en het katholieke Palts-Neuburg door Spanje. De oorlog werd beëindigd met het Verdrag van Xanten, waarin Brandenburg Kleef en Mark kreeg en Palts-Neuburg Gulik en Berg. In 1629 werd een vriendschapsverdrag gesloten om een voortzetting van de vijandelijkheden te stoppen en daarmee de volledige vernieling van de landen door de nog altijd aanwezige Spaanse en Staatse garnizoenen te voorkomen. Daarmee kwam het Land van Ravenstein in 1629 onder Palts-Neuburg. Als Rijksterritorium kon het Land van Ravenstein na 1648 zijn zelfstandige status bewaren, terwijl de aangrenzende Meierij als onderdeel van Staats-Brabant aan de Verenigde Provinciën kwam. De Republiek en het Bossche bestuurscollege schroomden echter niet om in enkele gevallen hun macht in het Land van Ravenstein te doen laten gelden, wat meerdere malen tot conflicten leidde met de Duitse vorstenhuizen die over Ravenstein regeerden.

De voor de Rijksterritoria geldende godsdienstvrijheid zorgde voor een toestroom van katholieke geestelijken uit de Staats-Brabant naar het Land van Ravenstein. Zo kwamen na de inname van 's-Hertogenbosch in 1629 de Kruisheren (Orde van het Heilig Kruis) (in 1638) en de zusters Birgittinessen (Orde van de Heilige Birgitta) (in 1713) naar Uden. Ook bouwden de katholieke inwoners van Veghel hun eigen schuurkerk op de grens met Uden.

Franse tijd In 1796 werd het Land van Ravenstein stilzwijgend bij de Franse Republiek ingelijfd. Het was uit met de "status aparte" van het Land van Ravenstein. Naar godsdienstvrijheid werd niet gekeken. De zusters Brigitinessen ontvluchtten voor korte tijd het dorp en vonden in 1795 hun abdij leeggeroofd en beschadigd terug. In januari 1800 stond Frankrijk het Land van Ravenstein als een van de Gecedeerde Landen af aan de Bataafse Republiek, waarmee Uden onderdeel wrrd van het gewest Bataafs-Brabant en vanaf 1806 het departement Brabant van het Koninkrijk Holland. In 1809 bezocht koning Lodewijk Napoleon het Land van Ravenstein. Hij passeerde Uden, maar vermeldde: "Met leedwezen heeft Z.M. zich overtuigd, dat in het kwartier Ravenstein het geheel bestuur zich in eenen toestand bevindt verre beneden het overige van het rijk." Hiermee verwijzend naar het feit, dat alles in het Land van Ravenstein te veel bij het oude bleef. De staatsgrens tussen de Meierij en het Land van Ravenstein was dan wel verdwenen, maar daarmee ook de privileges die het oude Land van Ravenstein bezat.

Economische ontwikkelingen Marktfunctie thumb|Uden Centrum in 1811 met de oude Sint Petruskerk uit 1300 (Eglise de Saint Pierre), het toenmalig marktveld als 'La Place' en laat 'Marché aux cochone' niets te raden over de functie van de huidige Markt destijds. Uden was aanvankelijk een agrarische gemeenschap en had van oudsher een centrumfunctie binnen het Land van Herpen en later Land van Ravenstein. De oude Sint-Petruskerk uit de 13e eeuw was in primaire fase het godsdienstige centrum voor Uden, Volkel, Boekel en Zeeland. Naast het godsdienstig centrum in de omgeving van het huidige Piusplein, ontwikkelde zich rond het marktveld (huidige kruising Sint-Jansstraat, Kerkstraat, Marktstraat) een tweede economisch centrum dat een vestigingsplaats vormde voor kleine ondernemers en ambachtslieden. Deze kleinschaligheid was typerend voor het oude Uden. Al even typerend was de ontwikkeling van een derde economisch centrum rond de zogenaamde Biggenmarkt (de tegenwoordige Markt), toentertijd een groot grasveld, omgeven door boerderijen. Op de biggenmarkt kwam de weekmarkt tot bloei, die zich tot op de dag van vandaag weet te handhaven. Op de markt, die geheel in dienst stond van landbouw en veeteelt, verkochten de plaatselijke boeren hun vee, landbouw- en gebruiksartikelen. Pas in de 18e eeuw veranderde het aanzien van de weekmarkt. De particuliere boterproductie werd grootschaliger en de uitbreiding van de regionale markt met een boterwaag was een feit, toch bleef het mesten van kalveren en het aandeel van de veemarkt verreweg het grootst. Bezoek van de veemarkt kwam in die tijd tot uit België naar Uden afgereisd. Begin 20e eeuw boette de Udense veemarkt snel aan belang in. De plaats van de veemarkt werd ingenomen door de kersenteelt die vanaf die periode een spectaculaire groei doormaakte.

Heden ten dage is op de Markt in Uden op maandagochtend een (grootschalige) warenmarkt overgebleven met regionale betekenis, en op vrijdagochtend een kleine warenmarkt.

Industrie Eind 19e eeuw kwam de eerste industrie in Uden van de grond. Udens oudste industrieterrein omvat de huidige Losplaats (ook bekend als bedrijventerrein "Molenheide") waar in 1882 door Henricus Coenen uit Zeeland en Johannes Schoenmakers uit Druten aan het toenmalig spoor een kunstmestfabriek werd opgericht. Zij verhuisden in 1920 naar Veghel, dat over een haven beschikt. Een uit die tijd bekende onderneming werd de strohulzenfabriek Diks en Coenen, die in 1917 'DICO' met een strohulzen-machinefabriek startte en die later stalen bedden ging produceren op dit fabrieksterrein.

Tot kort na de Tweede Wereldoorlog nam de industriële ontwikkeling in Uden geen grote vlucht. Uden werd ontsloten over weg-, tram- en spoorverbindingen, maar beschikte niet over een haven, zoals het naburige Veghel dat door de aanleg van de Zuid-Willemsvaart sinds de 19e eeuw over water wordt ontsloten.