thumb|Topografische gemeentekaart van Sint-Oedenrode, per december 2015 Sint-Oedenrode (; in de volksmond: Rooi) is een plaatsANWB Topografische Atlas Noord-Brabant (2005) - kaart 73 159-398 . en voormalige gemeente in de provincie Noord-Brabant, gelegen in de Meierij van 's-Hertogenbosch.Kaart Gebiedspaspoorten/Kenmerken - Provincie Noord-Brabant Op telde Sint-Oedenrode inwoners, op een oppervlakte van km².

Tot de BAG-woonplaats Sint-Oedenrode behoren de kernen Boskant, Nijnsel en Olland. Exclusief deze kernen telde Sint-Oedenrode op inwoners, op een oppervlakte van km².

De plaats had van 1232 tot 1851 vrijheidsrechten, en werd in het verleden als vlek bestempeld. Het dorp heeft een matig verstedelijkt karakter. Van zuidoost naar noordwest wordt de plaats doorsneden door rivier de Dommel.

Op 1 januari 2017 ging Sint-Oedenrode, samen met Schijndel en Veghel, op in de gemeente Meierijstad.

Geschiedenis Prehistorie en Romeinse tijd De eerste sporen van menselijke aanwezigheid dateren uit de periode tussen 10.000 en 9000 jaar voor Christus. De eerste nederzettingen waarvan restanten zijn gevonden tijdens het afgraven van een dommeloever ter hoogte van de Hazenputten dateren uit een periode tussen 8000 en 9000 voor Christus. In de bronstijd vestigden de eerste boerenbedrijfjes zich in en rond Sint-Oedenrode. Over de daarop volgende periode is niet veel bekend.

De legende van Sint-Oda Volgens de overlevering dankt Sint-Oedenrode zijn naam aan de heilige Oda van Brabant. De naam Sint-Oedenrode komen we echter pas tegen in de bronnen in de late middeleeuwen. Deze vrouw maakte rond het jaar 700, samen met enkele volgelingen, een start met de ontginning van de heide. Deze werd Rode (gerooide plek) genoemd, zoals veel plaatsen eindigen met -rode. Oda zou een blinde Schotse prinses zijn geweest, die na het bezoeken van het graf van de Heilige Lambertus – destijds waarschijnlijk nog in Luik – haar gezichtsvermogen weer terug had gekregen.

Eerschot De oorsprong van het huidige Sint-Oedenrode ligt waarschijnlijk in Eerschot. Hier zou een voorganger van de Knoptoren zijn gebouwd op de kruising van de twee belangrijkste verbindingswegen van het dorp. (De oost-west verbinding ligt er nog maar de noord-zuid verbinding is inmiddels vervangen door de Lindedijk een stukje verderop.) De Martinuskerk in het dorpscentrum zou dan pas later als kapittel-/burchtkerk gebouwd zijn voor de heren van Rode. Tijdens de middeleeuwen was de Knoptoren de parochiekerk en de huidige Martinuskerk slechts een kapittelkerk, wat deze theorie bevestigt.

Geografisch was het zeker een handige plek. Er was dus niet alleen kruising van twee wegen, maar dit is ook de eerste plek waar de Dommel naar links gaat in plaats van constant maar rechtdoor richting het noorden. De kerk lag hierdoor dus niet alleen langs twee wegen, maar ook langs een tamelijk belangrijke brug (die er in nieuwere vorm trouwens nog steeds ligt).

De bronnen verschillen enorm over het bouwjaar van de kerk. Waarschijnlijk gaat het hier, zoals bij veel kerken in Brabant, om een houten kerk uit de missionarissentijd (8e eeuw) die later in de 10e eeuw is versteend.

In de 11 eeuw ontstond de 'burcht van Rhode'. Waarschijnlijk niet door de heren van Rhode zelf, maar misschien wel door toenmalig machthebber Ansfried. De heren Van Rode komen we pas in de bronnen tegen rond 1100 als een machtige familie in deze omgeving met connecties met de graven Van Gelre en Van Cuijk. Onder de heren Van Rode komt de cultus van Sint-Oda op en verplaats het dorpscentrum zich van de Knoptoren naar de Sint-Martinuskerk, en het Kerkplein en Marktplein gelegen voor die kerk.

Rode De eerste ontginningen vonden in de vroege middeleeuwen plaats op vruchtbare bosgronden langs de Dommel. In deze periode vormde Sint-Oedenrode de kern van wat (in elk geval) postuum graafschap Rode werd genoemd. Er is geen exacte omvang van Rode bekend, maar aan de hand van de Rooise costuijmen, die golden voor de bijbehorende plaatsen, kan toch een indruk gemaakt worden van de omvang van het graafschap. De costuijmen van Rode waren van kracht voor de zogenoemde consorten van Rode. Hieronder vielen Sint-Oedenrode, Liempde, Son en Breugel, Veghel en Erp, Schijndel, Stiphout, Lieshout, Aarle-Beek, Bakel, Deurne, Lierop, Tongelre, Nuenen, Gerwen en Nederwetten. Zij konden in hoger beroep gaan bij de zogenaamde hoofd- of leenbank van Sint-Oedenrode.

In die periode ontvingen deze plaatsen hun landrechten naar Roois recht. Het Roois recht werd in 1547 voor het eerst op schrift gesteld, maar een deel van de costuijmen, zoals het erfrecht en het Rooise leenrecht dat al in 1312 vermeld wordt, dateert volgens historicus Martien van Asseldonk mogelijk nog uit de tijd van het graafschap. De heren van Rode bezaten goederen rond de Burcht van Rode, zoals Slot Ten Hout, maar bezaten bijvoorbeeld ook goederen in Eerschot, Schijndel, Veghel, Erp, Son en Liempde. Verder waren er goederen leenroerig aan de heren van Rode, waaronder de Baexhoeve te Veghel en verschillende hoeven in Sint-Oedenrode zelf.

Hertogdom Brabant Met de verkoop van het graafschap Rode door Otto II graaf van Gelre aan de hertog Hendrik I van Brabant, wegens een oude overeenkomst, kwam Sint-Oedenrode in 1231 bij het Hertogdom Brabant als onderdeel van de Meierij van 's-Hertogenbosch. De plaats werd door deze overeenkomst, als gevolg van het verlies van de eigen soevereiniteit, de eerste bestuurlijke hoofdstad van het kwartier Peelland. Dit graafschap Rode is mogelijk de voorloper van het kwartier Peelland.

In 1232 kreeg Sint-Oedenrode vrijheidsrechten. Vanaf dan wordt Sint-Oedenrode met de voorgelegen plaats Eerschot aangeduid als De Oude Vrijheid. Het nieuwe stadje had goede natuurlijke verdedigingswerken, aangezien het in een lus van de Dommel lag en werd omgeven door de moerassige Dommelbeemden.

In deze periode ging het Sint-Oedenrode als hoofdplaats van Peelland voor de wind. In 1355 sloot de plaats zich aan bij een verbond van Brabantse steden. Door de verkregen stadsrechten en de bestuurlijke functie vormde Sint-Oedenrode een vestigingsplaats voor nieuwe ambachtslieden, die zich met name rond de grote langwerpige marktplaats vestigden. De clerus en adel bouwden in Sint-Oedenrode meerdere kasteeltjes en versterkte hoeven, die voornamelijk dienden als buitenverblijven voor verschillende adellijke families uit de Meierij. Een belangrijk goed was op dat moment het Hertog Jaaghuis, dat als Brabants leen gebouwd is op de plaats van de voormalige Burcht. De fundamenten ervan werden in 2004 opgegraven.

De economische groei uitte zich in de oprichting van verschillende bouwwerken, zoals de knoptoren van de Sint-Maartenskerk te Eerschot in 1410, de stichting van het Sint-Paulusgasthuis in 1434 en de bouw van een nieuw hoogkoor aan de Odakerk in 1498. Deze kapittelkerk werd bediend door kanunniken die in grote particuliere patriciërshuizen wonen. Het kapittel sloot zich in 1505 aan bij het Brabants kapittelverbond.

De bloeiende economie van Sint-Oedenrode kreeg vanaf de 16e eeuw verschillende klappen te verduren. Tijdens de Gelderse Oorlogen werd Rode in 1542 door de Gelderse hoofdman Maarten van Rossum geplunderd en platgebrand, waarbij ook de parochiekerk werd geplunderd. De Tachtigjarige Oorlog zorgde voor nog meer leed. In 1572 plunderden Staatse troepen onder de hertog van Holstein het dorp. In 1576 vernielde de Staatse bezetting van Zaltbommel verschillende huizen te Rode, waarop het Staatse garnizoen van Heusden in 1581 nog eens honderdtien huizen verwoestte. Een rampjaar werd 1583 toen Staatse troepen onder baron van IJsselstein na het verbranden van Schijndel en Veghel op hun doortocht het totale dorp met beide kerken in brand staken. De inwoners van Sint-Michielsgestel, Gemonde, Heeswijk, Dinther, Erp, Veghel en Sint-Oedenrode hadden op dat moment reeds het bevel gekregen om al het graan te dorsen en dit met turf en hout naar Den Bosch te brengen, zodat het niet in handen zou vallen van Staatse krijgsbendes. In 1587 werd het dorp nog eens uitgeplunderd door Staatse troepen onder de graaf van Hohenlohe. De opeenvolgende rampen in de late 16e eeuw betekenden de doodslag voor de ontwikkeling van het dorp.

Staats Brabant In 1648 werd Sint-Oedenrode onderdeel van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, aangezien de Meierij van 's-Hertogenbosch en al haar toebehoren werd toegewezen aan de Staten. Sint-Oedenrode ging een tijd van stagnatie tegemoet. Het had onder de Staats-Brabantse functie als militaire buffer voor het gewest Holland weinig tot geen mogelijkheden om tot economische groei te komen. In deze periode vervielen verschillende kasteeltjes en pachtboerderijen of werden zelfs helemaal verlaten. De katholieke eredienst werd verboden, de kerken gesloten en de Sint-Martinuskerk te Eerschot werd aan een handjevol protestantse ambtenaren toegewezen. De Rooise bevolking maakte daarop vanaf 1649 enkele jaren gebruik van de Veghelse schuurkerk onder het gehucht Duifhuis. Die kerk werd tot aan de Franse inval van 1672 gebruikt door de parochianen uit Sint-Oedenrode, Schijndel en Veghel.

De Fransen onder generaal Pichegru trokken in 1794 Sint-Oedenrode binnen.

Franse Tijd In 1794 viel de Franse generaal Pichegru de Republiek binnen. Vanuit Boxtel kwamen de Fransen in Sint-Oedenrode, dat op dat moment door Engelse troepen bezet was. De Engelsen verwoestten de bruggen over de Dommel. Tussen Sint-Oedenrode en Veghel kwam het tot flinke schermutselingen tussen Franse en geallieerde troepen.

Vanaf 1795 maakte Sint-Oedenrode volwaardig deel uit van de Bataafse Republiek. In 1809 bracht koning Lodewijk Napoleon de plaats een bezoek.

Tweede Wereldoorlog In 1940 werd Sint-Oedenrode bezet door de Duitse troepen. De plaats kreeg een detachement van de Duitse Luftwaffe van ca. 15 personen, verdeeld over twee uitkijkposten om het geallieerd vliegverkeer richting de Vliegbasis Volkel en Vliegbasis Welschap (nu: Vliegbasis Eindhoven) in de gaten te houden. Met het begin van Operatie Market Garden in 1944, lag Sint-Oedenrode op een belangrijke plaats tussen de geallieerde landingszones in Son en Veghel. Generaal Eisenhower en veldmaarschalk Montgomery hadden de belangrijke taak om de corridor (die dwars door Sint-Oedenrode liep) naar Nijmegen te veroveren en open te houden voor de doortocht van het Britse 30e Legerkorps.

Na de oorlog In de 20e eeuw zorgde voornamelijk de groei van de N.V. ODA Staalwerken en Ovenbouw v/h H.J.van de Kamp, later N.V. ODA Stalen Meubelen (tegenwoordig onderdeel van de multinational Ahrend) voor de werkgelegenheid in Sint-Oedenrode. Sint-Oedenrode wordt regelmatig ten onrechte als plattelandsgemeente aangeduid. Als voormalig vlek begon de matige verstedelijking reeds aan het einde van de 19e en begin 20e eeuw. De matige verstedelijking mag blijken uit het feit dat reeds in 1930 meer dan de helft van de Rooise bevolking niet meer in de landbouw werkzaam was. Daarmee vormde Sint-Oedenrode na buurgemeenten Schijndel en Veghel de derde meest geïndustrialiseerde gemeente van Oost-Brabant. Rond 1950 werd Sint-Oedenrode van deze plaats verdreven door Uden, dat zich als aangewezen kerngemeente snel begon te ontwikkelen. In 1956 was nog maar 30% van de inwoners van Sint-Oedenrode de landbouw toegedaan.

Stedelijke ontwikkeling