miniatuur|De Codex Balduineus (ca. 1340) bevat een oude visuele voorstelling van het keurvorstencollege: de keurvorsten verkiezen Hendrik van Luxemburg tot koning. Dit zijn, te herkennen aan het wapenschild boven hun hoofd (v.l.n.r.), de prins-bisschoppen van Keulen, Mainz en Trier, de Paltsgraaf aan de Rijn, de hertog van Saksen, de markgraaf van Brandenburg en de koning van Bohemen, die bij de verkiezing van Hendrik in werkelijkheid niet aanwezig was. Een keurvorst (Latijn: princeps elector imperii of elector; Duits: Kurfürst) was een van de aanvankelijk zeven, later negen en ten slotte tien hoogste vorsten in rang van het Heilige Roomse Rijk, die sinds de 13e eeuw het alleenrecht op de verkiezing van de Rooms-Duitse koning bezaten. Met deze koningstitel was traditioneel ook de aanspraak op de kroning tot Rooms-Duits keizer door de paus verbonden.
De benaming Kurfürst gaat terug op het Middelhoogduitse woord kur of kure voor verkiezing. Hieruit is het Nieuwhoogduitse küren ("plechtig (uit)verkiezen") ontstaan. Het daarmee verwante sterke werkwoord kiesen is buiten het ervan afgeleide erkiesen uit de Duitse taal verdwenen, maar leeft voort in het Nederlandse werkwoord kiezen en het Engelse werkwoord to choose.
Samenstelling van het keurvorstencollege miniatuur|Zandstenen reliëf van de zeven keurvorsten en de Rooms-Duitse koning in Mainz (replica van een origineel uit de vroege 14e eeuw, nu in het Landesmuseum Mainz) miniatuur|Bij het Männleinlaufen boven het hoofdportaal van de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Neurenberg draaien de zeven keurvorsten elke dag om 12 uur driemaal rond de gezeten keizer. In de middeleeuwen en in de vroege nieuwe tijd maakten zeven, later negen rijksvorsten deel uit van het keurvorstencollege. Elke keurvorst werd ook een rijksaartsambt toegekend. Tot het oorspronkelijke college behoorden:
drie geestelijke prins-bisschoppen, de aartsbisschop van Mainz als aartskanselier voor Duitsland; de aartsbisschop van Keulen als aartskanselier voor Italië; de aartsbisschop van Trier als aartskanselier voor Bourgondië; alsook vier wereldlijke vorsten, de koning van Bohemen als aartsschenker; de Paltsgraaf aan de Rijn als aartsseneschalk; de hertog van Saksen als aartsmaarschalk; de markgraaf van Brandenburg als aartskamerheer. In de 17e eeuw verwierven twee andere rijksvorsten de waardigheid van keurvorst: In 1623 kwam de hertog van Beieren in plaats van de Paltsgraven in het college, vanaf 1648 kreeg de Paltsgraaf een nieuwe, achtste keurstem alsook het voor hem nieuw gecreëerde ambt van aartsschatmeester toegekend; In 1692 werd de hertog van Brunswijk-Lüneburg (officieel het keurvorstendom Brunswijk-Lüneburg geheten, maar vaak keurvorstendom Hannover genoemd) tot het college toegelaten als aartsvaandeldrager. Nadat Beieren in 1777 door erfenis aan de Paltsgraven aan de Rijn was gevallen, doofde de keurwaardigheid van de Palts uit, terwijl die van Beieren bleef voortbestaan. Hierdoor kwam ook het aartsambt van aartsschatmeester te vervallen, terwijl het Beierse aartsambt van aartsseneschalk bleef verder bestaan. Het Reichsdeputationshauptschluss van 1803 hief de beide geestelijke keurvorstendommen van Keulen en Trier op, de keuraartskanselier verkreeg als schadeloosstelling voor het aan Frankrijk verloren Mainz het nieuw opgerichte vorstendom Regensburg. Vier rijksvorsten kregen daarentegen voor het eerst de keurwaardigheid. Dit waren: de hertog van Salzburg de hertog van Württemberg de markgraaf van Baden de landgraaf van Hessen-Kassel.
Was er tot dan toe in het keurvorstencollege steeds een katholiek overgewicht geweest, dan heerste er nu een pariteit. Tegenover de vijf protestantse keurvorsten van Brandenburg, Hannover, Württemberg, Baden en Hessen-Kassel stonden evenveel katholieke keurvorsten: die van Saksen, die sinds 1697 weer katholiek waren, Palts-Beieren, Bohemen en Salzburg alsook de keuraartskanselier. De keurvorsten hadden door het Reichsdeputationshauptschluss van 1803 echter weinig invloed meer op de rijkspolitiek. Slechts drie jaar later legde keizer Frans II, als reactie op de oprichting van de Rijnbond (1806), de kroon van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie neer, dat daarmee ophield te bestaan. Daarmee verloor ook het keurvorstenambt zijn functie.
Geschiedenis van het keurvorstencollege
Van het ontstaan tot de dubbelkeuze in 1198 De traditie van de vrije koningskeuze in het Oost-Frankische Rijk, het latere Heilig Roomse Rijk, begon in 911, toen de laatste Karolingische koning was gestorven. Toen besloten de rijksvorsten niet de volgens het erfrecht gelegitimeerde Karolingische heerser van het West-Frankische Rijk als opvolger te erkennen, maar een van hen, Koenraad I van Franken, tot koning te kronen. Dit was tot op dat tijdstip niet ongebruikelijk, daar ook in het West-Frankische Rijk de koning sinds 888 door de rijksgroten werd gekozen. Wanneer een koning sterk stond, kon hij meestal reeds tijdens zijn leven de verkiezing van zijn zoon tot zijn opvolger doordrukken. Daar de sinds 987 over Frankrijk regerende Capetingische koningen over de eeuwen heen hun zonen als hun opvolger konden achterlaten, ontwikkelde zich in Frankrijk uiteindelijk een erfelijke monarchie. In het Oost-Frankische Rijk daarentegen kwam het steeds weer tot een dynastieke wissel, omdat vele koningen geen directe mannelijke erfgenamen nalieten. In 1002, 1024, 1125, 1137 en 1152 werden koningen verkozen, die weliswaar meestal nauw verwant waren aan hun respectievelijke voorgangers, maar niet hun zoons waren. Reeds in 1002 traden naast hertog Hendrik van Beieren uit het huis van de Liudolfingen mededingers op, die bogen op gelijkaardige verwantschappelijke banden met diens voorganger Otto III. Na 1024 scheen de Salische dynastie zich met vier op elkander volgende koningen als enige erfgerechtigde te vestigen, tot ook deze in 1125 in mannelijke lijn uitstierf. In de aansluitende koningsverheffing van Lotharius III van Supplinburg zette zich voor het eerst het zuivere kiesrecht door. Bij Lotharius' dood in 1138 was zijn schoonzoon Hendrik de Trotse zijn volgens het erfrecht naaste verwant. Doch in plaats van op hem viel de keuze op de Staufer Koenraad III. Ook in 1152 werd niet de zoon van Koenraad, maar zijn neef Frederik Barbarossa verkozen. Zo werd met elke keur de traditie van de vrije verkiezing versterkt en de erfrechtelijke traditie verzwakt. Toch had zich in 1197 in het Heilige Roomse Rijk bijna het erfrecht doorgezet, als keizer Hendrik VI niet verrassend gestorven en het in de strijd om de opvolging in 1198 niet tot een dubbelverkiezing was gekomen.
Ontwikkeling tot 1356 Geleidelijke ontwikkeling van het keurvorstencollege miniatuur|De koningskeuze in een miniatuur van de Saksenspiegel. Boven: de drie geestelijke vorsten wijzen naar de koning. Midden: de Paltsgraaf aan de Rijn overhandigd als baljuw een gouden schotel, daarachter de hertog van Saksen met de maarschalkstaf en de markgraaf van Brandenburg, die als kamerheer een schotel met warm water brengt. Onder: de nieuwe koning voor de rijksgroten (Heidelbergse Saksenspiegel, ca. 1300).
Met de dood van keizer Hendrik VI (1165–1197) strandde ook diens Erbreichsplan, de laatste poging het rijk in een erfelijke monarchie om te vormen. In de daarop uitbrekende Duitse troonstrijd tussen de Hohenstaufen en Welfen kwam het in 1198 tot een dubbelverkiezing van twee kandidaten voor de troon. De kandidaat van de Staufen Filips van Zwaben kon zich daarbij op een groter aantal stemmen beroepen. Tegenover hen stond de Keulse aartsbisschop Adolf van Keulen, die absoluut zijn kandidaat Otto van Braunschweig wenste aan te stellen. De aanvankelijk aan de verliezende hand zijnde Otto vroeg paus Innocentius III om een scheidsrechterlijke uitspraak te doen. Daar sinds de keizerskroning van Otto I de Grote in 962 het Duitse koningschap met het Romeinse keizerschap was verbonden hadden de pausen steeds een grote interesse gehad voor een medewerkingsrecht aan de Duitse koningskeuze. Doch zolang de afloop van het conflict nog niet duidelijk was, hield de paus zich op de vlakte om zich niet aan de kant van de verliezer te scharen.
Om zijn beslissing meer gewicht te verlenen zou volgens nieuw onderzoek een vorstengroep van de Welfen rond Adolf van Keulen hebben voorgesteld dat twee geestelijke en twee wereldlijke vorsten – de aartsbisschoppen van Keulen en Mainz alsook de Paltsgraaf aan de Rijn en de hertog van Saksen als een paritair bezette arbitragecommissie - de beslissende kiescommissie zouden vormen. Aan deze vier zijn dan aan het begin van de 13e eeuw respectievelijk een nieuwe geestelijke en een wereldlijke vorst toegevoegd: de aartsbisschop van Trier en de markgraaf van Brandenburg. Volgens het oudere historische onderzoek zou Innocentius III de opvatting hebben verdedigd dat voor een rechtmatige verkiezing de toestemming van de drie Rijnlandse aartsbisschoppen en de Paltsgraven aan de Rijn onontbeerlijk was, die aan het begin van de 13e eeuw met de hertog van Saksen en de markgraven van Brandenburg zou zijn uitgebreid geweest.
Rond 1230 stelde de Saksenspiegel van Eike van Repgow vast: "In des keisers kore sal der erste sin der bischof von Menze, der andere von Triere, der dritte von Kolne. " ("Bij de keuze van de keizer zal de eerste de bisschop van Mainz, de tweede die van Trier, de derde die van Keulen zijn.")Saksenspiegel III 57 § 2. Dan volgen de drie wereldlijke vorsten. De koning van Bohemen wordt in de werk noch uitdrukkelijk als zonder stemrecht vermeld "Der schenke des riches, der kunig von Bemen, enhat keine kore, umme das he nicht duzch enis." ("De schenker van het rijk, de koning van Bohemen, heeft geen kur, omdat hij niet Duits is").Saksenspiegel III 57 § 2. Nieuwere theorieën gaan ervan uit, dat hij pas vanaf 1252 tot de koningskiezers werd gerekend, toen het keurcollege zich als enige kiesinstantie had weten door te zetten en hierdoor patstellingen zouden worden vermeden., Recensie van , Kurfürsten und Königswahl. Zu neuen Theorien über den Königswahlparagraphen im Sachsenspiegel und die Entstehung des Kurfürstenkollegiums (Monumenta Germaniae Historica Studien und Texte, 30), Hannover, 2002, in Zeitschrift der Savigny-Stiftung für Rechtsgeschichte. Germanistische Abteilung 120 (2003), pp. 535-548 (in het bijzonder pp. 540-541). Gearchiveerd op 1 december 2022.
Het keurvorstencollege trad in 1257, na de dood koning Willem van Holland, voor de eerste maal als exclusieve instelling naar voren, die alle overige rijksvorsten van de verkiezing uitsloot. In een dubbelverkiezing werden zowel Alfons van Castilië als Richard van Cornwall tot Willems opvolger aangewezen. Elke kandidaat behaalde echter drie stemmen. Koning Ottokar II van Bohemen gaf namelijk aan beiden zijn stem. Geen van beiden verkozenen kon zijn heerschapsrechten ooit feitelijk uitoefenen, zodat het interregnum tot aan de verkiezing van Rudolf van Habsburg in 1273 zou voortduren. De periode van het interregnum versterkte de positie van de keurvorsten aanzienlijk, wat zich vooral in de 14e eeuw zou doen blijken. Aan de verkiezing van Rudolf I had ook de koning van Bohemen weer deelgenomen. Zijn definitief lidmaatschap tot het college kon hij echter pas in 1289 doorzetten. Tijdens de Hussietenoorlogen in de 15e eeuw werd de Boheemse keurwaardigheid opnieuw tijdelijk uitgeschakeld. De keurvorstelijke waardigheid van de Boheemse koning werd tot 1708 niet waargenomen.