Ermelo (; Nedersaksisch: Armelo, vroeger: Armel ) is een plaats op de Veluwe in de Nederlandse provincie Gelderland, en hoofdplaats van de gemeente Ermelo. De gemeente Ermelo heeft circa inwoners ().
Etymologie In zijn eerste naamsvermelding uit de 9e of 10e eeuw heette Ermelo Irminlo. Het deel lo verwijst naar een op zandgrond gelegen bos. Voor Irmin worden verschillende verklaringen gegeven; "groot", "goddelijk, verheven, groot", of het verwijst naar een oud-Germaanse god met de naam "Irmin". Mogelijk is er een verbinding met het Saksische heiligdom Irminsul.
Geschiedenis Prehistorie Ongeveer 4000 jaar geleden vestigde het klokbekervolk zich op de zandgronden van Het Gooi en de Veluwe. Deze immigranten, afkomstig uit het Donaugebied en de Balkan, danken hun naam aan vondsten tijdens opgravingen in de 19e eeuw in Het Gooi en later in de jaren zeventig op de Ermelosche Heide. Hierbij werden grafgiften zoals koperen bijlen, vishaken, dolken, pijlen en bogen, polsbeschermers, vuurstenen, klokbekers, priemen, hamers met aambeelden, wetstaven en dergelijke aangetroffen.
Hun doden begroeven ze in grafheuvels. De dode lag met het gezicht naar het zuiden, richting de zon. Een grafheuvel bestaat uit een grafkuil in het midden omringd door vier hoekpalen met daartussen planken. Daaromheen werd een greppel gegraven, daarin een palenrij geplaatst. Met de aarde uit de greppel werd het geheel bedekt. In elke heuvel werd maar één dode gevonden, vaak met bijzonder rijke grafgiften. De graven legden zij aan in kaarsrechte lijnen in het landschap, vermoedelijk langs zogeheten doodswegen. Het onderhoud aan de grafheuvels vindt plaats door de Werkgroep Archeologie van de Vereniging Historisch Ermeloo.
Dit bekervolk kapte bos voor weidegrond, of brandde stukken bos af, en gebruikte de as als mest voor de grond, een proces dat al begonnen was in de eerdere periode van het neolithicum. Het volk was bekend met landbouw, veeteelt en visserij, en ook met keramiek, paarden, wielen, boten. Het dreef handel via rivieren en ook overzee. Door het kappen van bos voor weidegrond, pottenbakkersovens en dergelijke ontstond heide na uitputting van de bodem. Op die heide groeiden ook bomen (den, eik, linde, berk en hazelaar), grassen en kruiden. Iep, es en els groeiden toen al in de lager gelegen gebieden rondom de zandgronden.
Rond 800 v. Chr., richting het begin van de IJzertijd, was de bevolking goeddeels ingericht op de landbouw. Restanten van de akkerbouw zijn teruggevonden onder andere langs het Solsche Gat, in de vorm van zogenaamde celtic fields. Dit zijn raatakkers, die honderden jaren in gebruik zijn gebleven en vele hectaren gebied beslaan.
Sinds 1000 v. Chr. werden doden niet meer begraven in grafheuvels, maar werden zij gecremeerd. In het begin begroef men de urnen met de as en botresten van de overledene nog in (familie-)grafheuvels, later in urnenvelden, en nog later elke urn apart. Aanvankelijk kreeg de urn nog grafgiften mee, later niet meer. De urnen met de as van de overledenen werden op het laatst direct onder het maaiveld begraven, meestal zonder grafgiften. Het meest recente archeologisch onderzoek naar grafheuvels en urnenvelden, vond in de jaren zeventig plaats op de Veluwe. De urnen bleken geboetseerd uit strengen klei. De pottenbakkersdraaischijf is een vinding die via de Romeinen Nederland binnenkwam. Het bekervolk draaide zijn bekers dus nog niet.
Romeinse marskampen De Romeinen legden op de stuwwal ten oosten van het huidige Ermelo een tijdelijk marskamp aan, waarschijnlijk in de 2e eeuw na Christus. De jongste datering gaat uit van de vroege keizertijd, toen nog aan verdere expansie gedacht werd. Dit negen hectare groot marskamp, dat plaats bood aan 4000-6000 legionairs, lag ver in vijandig gebied, op de route tussen de limes en het Flevomeer. Het zuidwestelijke deel van de ruitvormige wal van het marskamp is deels nog in het landschap te zien. Dat geldt op sommige plekken ook voor de grachten. De aarden verdedigingswallen van het kamp hebben de status van rijksmonument en zijn in 2006 deels gerestaureerd. Er staat een informatiebord met plattegrond op de plek waar het fietspad het kamp doorsnijdt. Het kamp is gelegen op de Ermelosche Heide.
In 2017 werd vermoed dat een ruitvorminge structuur in het bos, 4 kilometer ten westen van het al bekende marskamp, ook van een Romeins kamp zou kunnen zijn. Bij veldonderzoek in 2020 zijn diverse vondsten gedaan die inderdaad wijzen op een Romeinse origine. Het marskamp is ongeveer 6 hectare groot en ligt ten oosten van de Oude Arnhemse Karweg.
Middeleeuwen (500–1500 na Chr.) Het gebied Ermelo was ook na het beëindigen van de Romeinse tijd bewoond. Op de Groevenbeekse heide werd in 1933 een omvangrijk Frankisch grafveld ontdekt met meer dan 300 graven. Het grafveld is gedateerd omstreeks 600 na Chr. De oudst bekende kerkelijke indeling van het gebied op de Veluwe was het kerspel Ermelo dat al ver voor het jaar 1000 bestond. Het dorp Ermelo was het middelpunt met daaromheen het grondgebied van de huidige gemeenten Harderwijk en Nunspeet. Op basis van een testament van de heer Folckerus uit het jaar 855 is de vestiging van Ermelo gedateerd. Deze Folckerus schonk zijn goederen in Irminlo aan een klooster in Duitsland.
De Oude Kerk (1006) thumb|Oude Kerk De Oude Kerk van Ermelo wordt voor het eerst vermeld in een stichtingsoorkonde van een klooster in Leusden in 1006. Zij is gesticht door monniken die uit Leusden kwamen uit de Sint-Paulusabdij en van hun abt de opdracht hadden meegekregen om de Veluwe te kerstenen. Zij ontgonnen de grond, stichtten een kerkdorp en van daaruit ook andere kerkdorpen zoals Elspeet, Nunspeet en Harderwijk, alle dochterkerken. De grote kerk in het naburige Harderwijk heeft eeuwenlang jaarlijks recognitiegelden aan de moederkerk in Ermelo betaald, een verplichting die pas aan het eind van de 19e eeuw werd afgekocht.
Lang bleef Ermelo een eenvoudig dorp bestaande uit enkele boerderijen, een molen, een herberg, huizen van de predikant en koster en die van ambachtslieden zoals de smid, de kleermaker en de bakker, met de Oude Kerk als centrum. In de 18e eeuw werd Ermelo beschreven als een "matig dorp, waar men enig bouwland vindt".
Klooster Sint-Jansdal (1406) In 1406 werd door een commandeur met tien Maltezer ridders het klooster St Jansdal gesticht. Dit klooster stond in de buurtschap 's-Heeren Loo en heeft in belangrijke mate een stempel gedrukt op Ermelo. De middeleeuwse zorgtraditie heeft zich tot op heden voortgezet. Ermelo heeft nog steeds enkele belangrijke zorginstellingen binnen zijn grenzen. Vandaar dat het Maltezer kruis in de vlag als symbool voor zorg is opgenomen. Dit kruis heeft de Soevereine Orde van Malta altijd als teken gevoerd.
Bestuurlijke indeling (circa 1000–1795) Kerkelijk gezien viel het grondgebied van het ambt Ermelo binnen de grenzen van het kerspel Ermelo. Door de eeuwen heen heeft er steeds een bestuurlijke band bestaan tussen de ver uiteen liggende gemeenten Ermelo en Nunspeet. Dit wordt toegeschreven aan de eerder genoemde kerkelijke indeling, het kerspel, uit de vroege middeleeuwen.
Schoutambt (circa 1000) De eerste bestuurlijke indeling als schoutambt Ermelo, stammend van na het jaar 1000, loopt qua grenzen vrijwel gelijk met de oude kerspelindeling. Ermelo behoorde – samen met Nunspeet en Elspeet – tot een apart schoutambt. De schout was opperchef van de politie, hulpofficier van justitie, verantwoordelijk voor de wegen en bruggen, deurwaarder en ambtssecretaris. Daarnaast vervulde hij notariële werkzaamheden. De herkomst van het scholtambt (of schoutambt) Ermelo dateert uit de tijd van de graven van Gelre. Deze situatie blijft bestaan tot de tijd van de Bataafse Republiek (1798–1806). Waarschijnlijk is in de 13e eeuw Harderwijk en omliggend gebied door stedelijke ontwikkelingen, zoals verkregen stadsrechten, uit het schoutambt gehaald. Het gebied rondom Elspeet en Vierhouten hoort dan nog onder het ambt Barneveld.
Staverden (1298) In het gebied van de gemeente Ermelo ligt het kasteel Staverden, een landgoed met stadsrechten. In 1290 verkreeg graaf Reinoud van Gelre van de kapittelkerk te Zutphen een deel van zijn bezittingen in erfpacht. Hij vatte toen het plan op, om rond zijn hofstede Staverden een stad te stichten. Niet alleen omdat in die tijd een groot deel van de Veluwe werd ontgonnen maar meer om met een truc Harderwijk economisch te verzwakken. Harderwijk mocht markt voeren en een regel was in die tijd, dat marktkooplui een uur gaans van de stad (plm. vier kilometer) niet hun waar mochten verkopen of prijsafspraken maken. Met een stad met marktrechten, precies buiten die uur gaans zou dat opgelost zijn en konden de marktkooplui in de te stichten stad hun koopwaar al kwijt.
Op 16 juli 1291 kreeg hij toestemming van koning Rudolf en op 25 maart 1298 kreeg Staverden officieel stadsrechten. Het goed heeft zich echter nooit verder ontwikkeld tot stad maar is wel in 2012 uitgeroepen tot 'kleinste stad van de Benelux'. De stad telt iets meer dan 50 inwoners en kent een sterke gemeenschapsbinding. Het gemeenschapshuis van Staverden bestaat uit de laatste overgebleven barak van het Belgisch interneringskamp uit Harderwijk en is in 1922 aangekocht. Het neogotische kerkje is in 1875 gebouwd. Op het kerkhofje erachter liggen de inwoners uit Staverden en Leuvenum apart begraven.
Sinds het begin van de 14e eeuw werd de stad verplicht om de witte pauwenveren voor de helmkroon van de graven (later hertogen) van Gelre te leveren. Deze traditie is ook heden ten dage nog in zwang en witte veren zijn in het provinciehuis in Arnhem te vinden. De pauwenveren zijn ook terug te vinden in het wapen van Ermelo en in het embleem van het Regiment Infanterie Oranje Gelderland.
Ambtsjonkers Langzamerhand kregen de ambtsjonkers op financieel gebied meer te vertellen zodat de schout geleidelijk aan invloed moest inleveren, vooral op financieel gebied. De ambtsjonkers, waarvan het aantal niet beperkt werd, kwamen geregeld bijeen voor het bespreken van alle ambtelijke zaken. Meestal gingen die over belastingen. Iedere jonker die de leeftijd van 22 jaar had bereikt, woonachtig was in het ambt en daar onroerende goederen bezat van ten minste achttienduizend gulden, kon meepraten. Ook moest hij kunnen aantonen dat zijn voorouders al voor 1500 tot de adelstand behoorden.
Periode na 1600 Met de komst van de Fransen in 1795 kwamen er wijzigingen op bestuurlijk gebied. In de Franse tijd veranderde er enkele malen wat aan de bestuurlijke indeling waardoor dan eens het ambt Ermelo, dan weer een kerspelindeling in Ermelo en Nunspeet gehanteerd werd. Vanaf 1811 werd bestuurlijk gezien Nunspeet een zelfstandige mairie. Per 1 januari 1812 worden de beide delen van het schoutambt definitief gescheiden.
Gekozen richter (1795) De Fransen vonden dat niet de adel moest regeren, maar de gewone man. Op bevel van de nieuwe machthebbers moest een richter en een gemeenteraad (onder de naam van municipaliteit) worden gekozen. Het nieuwe bestuur, met de heer van Leuvenum, mr. Antonie Pieter van Westerveld als eerste gekozen richter, werd pas in september 1795 door de inwoners van het ambt Ermelo gekozen. Zowel uit Ermelo als uit Nunspeet werden er drie municipalen gekozen. Na enkele jaren werd het aantal municipalen teruggebracht van zes naar vier. Tevens werd in het kader van de medezeggenschap het volk in bepaalde situaties geraadpleegd. Een deel van de bevolking, namelijk de grondbezitters (of eigengeërfden) kozen met elkaar de nieuwe ontvanger. Op 6 januari 1796 kwam de municipaliteit voor de eerste keer bijeen.