Georgië (uitspraak: [ɣeˈjɔrɣijə]; Georgisch: , ) is een land in de Zuidelijke Kaukasus, aan de oostkant van de Zwarte Zee op het grensvlak van Oost-Europa en West-Azië, dat grenst aan Rusland, Turkije, Armenië, en Azerbeidzjan. Het land heeft een oppervlakte van 69.700 km² met een bevolking van 3,9 miljoen inwoners volgens de volkstelling van 2024. Ruim een derde van de bevolking woont in hoofdstad Tbilisi. De bevolking bestaat hoofdzakelijk uit Georgiërs (87%), Azerbeidzjanen (6%) en Armeniërs (4,5%) en is in meerderheid Georgisch-Orthodox (83%).
Georgië verklaarde zich op 9 april 1991 onafhankelijk van de Sovjet-Unie en viert op 26 mei de onafhankelijkheidsdag, een verwijzing naar de oprichting van de Democratische Republiek Georgië in 1918. Het land identificeert zich om historische, culturele en politieke redenen als Europees land en is lid van de Raad van Europa, de OVSE, Eurocontrol, de Organisatie voor Economische Samenwerking in het Zwarte Zeegebied en de GUAM. Sinds 2023 is Georgië kandidaat-lid voor de Europese Unie.
De status van de deelgebieden Abchazië en Zuid-Ossetië vormt sinds de onafhankelijkheid van Georgië een bron van gewapende conflicten, waarin Rusland een grote rol speelde. De Georgische overheid heeft in de praktijk geen gezag over deze gebieden die zich in de jaren 1990 onafhankelijk hebben verklaard en sinds de Russisch-Georgische Oorlog in 2008 feitelijk door Rusland gecontroleerd worden.
Etymologie De naam Georgië, een exoniem, verscheen in 1320 voor het eerst in het Italiaans als Jorgia op de 'mappa mundi' van Pietro Vesconte. De Italiaanse Johannes van Pian del Carpine en Vlaamse Willem van Rubroeck gebruikten halverwege de 13e eeuw in hun reisverslagen de naam Georgië voor het koninkrijk Georgië, dat grofweg het hedendaagse Georgië omvatte. De naam is naar alle waarschijnlijkheid afgeleid van 'gurğān' (), de oud-Perzische benaming voor de Georgiërs, en haar afgeleiden voor de duiding van het land van de Georgiërs, waarmee meestal Iberië bedoeld werd.
Sakartvelo Het endoniem Sakartvelo verwijst net als Georgië naar de kern van de Georgische staat, in dit geval het rompgebied Kartli. Het woord Sakartvelo bestaat uit twee delen, waarbij de stam kartvel-i () de beschrijving is van de bewoners in het centraal gelegen Kartli – Iberië in de klassieke oudheid. De oude Grieken, zoals Strabo, Herodotus, Plutarchus, enz.) en de Romeinen (Titus Livius, Publius Cornelius Tacitus en anderen, noemden het oostelijke deel van Georgië Iberië en het westen Colchis.
Georgiërs noemen zichzelf (), hun land () en hun taal (). De naam is volgens de overlevering afgeleid van de legendarische figuur Kartlos, kleinzoon van de Bijbelse Jafet, die beschouwd wordt als de vader van alle Georgiërs, maar volgens academici is het waarschijnlijker dat het andersom is: de mythe volgde het etnoniem.
Geschiedenis
Sinds het paleolithicum wordt het gebied van Georgië bewoond door mensen, maar de ontwikkeling van de Georgische natie begon in de oudheid. Het gebied bestond sindsdien uit verschillende koninkrijken en vorstendommen en was zelden een staatkundige eenheid. Het werd vaak geheel of gedeeltelijk door omringende grootmachten beheerst. Het Lichigebergte vormde een natuurlijke scheiding tussen West- en Oost-Georgië en de stroomgebieden van de rivieren Rioni en Mtkvari (Koera). Dit was bepalend voor de grenzen van verschillende staten en invloedssferen van overheersers. In 1991 herwon Georgië haar onafhankelijkheid na eeuwenlange overheersing door Ottomanen, Perzen en Russen.
Prehistorie miniatuur|links|Gouden Trialeti wijnglas De vondst van 1,8 miljoen jaar oude schedels van de zogeheten Dmanisi-mensen (vroege Homo erectus), vernoemd naar de archeologische vindplaats bij de zuid-Georgische plaats Dmanisi bewees dat de menselijke bewoning van Georgië teruggaat tot ver in het vroeg-paleolithicum. Vondsten in de west-Georgische regio Imereti duiden op langdurige permanente bewoning in het laat-paleolithicum. West-Georgië speelde een sleutelrol in de menselijke evolutie, waarbij Imereti een belangrijke geografische corridor was voor menselijke migratie tijdens het midden- en laat-paleolithicum met vindplaatsen als de Dzoedzoeanagrot en de Satsoerbliagrot.
Van nederzettingen is sinds het 5e millennium v.Chr. sprake. Langs de Mtkvari zijn hiervan op verschillende plaatsen sporen gevonden. Archeologen hebben ook resten van nederzettingen van de Sjoelaveri-Sjomoecultuur uit het neolithicum gevonden in de buurt van de dorpen Imiri en Sjoelaveri bij de rivier Chrami, ongeveer veertig kilometer ten zuiden van Tbilisi. Hier werd ook bewijs gevonden van vroege vormen van waterbeheer ten behoeve van landbouw. Latere prehistorische culturen in Georgië waren de Koera-Araxescultuur die banden onderhield met Mesopotamië en de Trialeticultuur, die rond 1500 v.Chr. zijn hoogtepunt bereikte. In de kuststreek kwam rond 1800 v.Chr. de Colchiscultuur op.
Georgië in de oudheid miniatuur|Gouden diadeem uit Vani In de oudheid kwamen twee koninkrijken op die de vorming van het uiteindelijke Georgië en de nationale identiteit zouden bepalen. Het oostelijke koninkrijk Iberië (Georgisch: Kartli) ontstond in de 4e eeuw v.Chr. als zelfstandige staat, nadat de Scythische en Cimmische rijken uiteenvielen. Aan de Zwarte Zee lag Colchis, waar de Colchiërs een vroege Kartveelse taal spraken.
Colchis werd genoemd in het mythologische verhaal van Jason en de Argonauten. Zij waren met de Colchische Medea op zoek naar het Gulden Vlies. Vanaf Phasis (het hedendaagse Poti) zouden zij de Rioni-rivier stroomopwaarts zijn gereisd naar Aia (nu Koetaisi), wat de zetel was van de koning van Colchis. Het verhaal wordt sinds 2007 in Batoemi geëerd met een monument van Medea die het gulden vlies in haar hand houdt.
In de Georgische traditie staat Colchis bekend als Egrisi en was een rijk gebied dat onder meer is gebleken door belangrijke archeologische vondsten in Vani. Zowel Colchis als Iberië werden verschillende malen geannexeerd door Perzische dynastieën, namelijk de Achaemeniden en de Sassaniden. In 65 v.Chr. werd het gebied veroverd door de Romeinse veldheer Pompeius en werden beide koninkrijken vazalstaten van het Romeinse Rijk. Iberië was in de eerste eeuwen van de jaartelling een voortdurend strijdtoneel tussen Romeinen, Armeniërs en Parthen, waarbij Iberië meestal aan de kant van Rome stond. De sociale structuur en de bestuurlijke organisatie van oostelijk Georgië bleven daarbij sterk Perzisch gekleurd.
In de 3e eeuw moesten de Iberische koningen de suprematie van de Perzische Sassaniden erkennen. Colchis desintegreerde, van waaruit het koninkrijk Egrisi ontstond. De Romeinen en Byzantijnen noemden het zuidelijke deel van Egrisi Lazica naar de Lazen. Nadat de Georgiërs in de 1e eeuw in aanraking waren gekomen met het christendom, werd het in de 4e eeuw de officiële godsdienst in zowel Iberië als Egrisi. Koning Mirian III van Iberië liet zich door de heilige Nino kerstenen op de plek van het hedendaagse Dzjvariklooster, boven hoofdstad Mtscheta.
Vroege middeleeuwen miniatuur|Nationale held Vachtang I Gorgasali bij de Metechikerk in Tbilisi
Gedurende de vroege middeleeuwen werd Georgië overheerst door Perzen en daarna door de Arabieren, maar wist zich van beide te ontdoen en werd de weg vrijgemaakt naar vereniging van de verschillende koninkrijken. De christelijke religie verspreidde zich in de vroege middeleeuwen verder over Iberië en Egrisi. Er kwam een bloeiend kloosterleven op, ondanks het hardhandig opdringen van het zoroastrisme door de Sassanidische Perzen. De voornaamste vorst uit deze periode was Vachtang I Gorgasali. Hij stichtte de stad Tbilisi, maakte het in 469 de hoofdstad en vocht tevergeefs een onafhankelijkheidsoorlog tegen de Perzen. Zijn strijd voor de Georgische natie bracht hem de status van nationale held. Hij werd naamgever van een Orde van Georgië. Ondertussen was de Georgisch-Orthodoxe Kerk autocefaal geworden.
Aan de Perzische invloed kwam een einde nadat de Byzantijnse keizer Herakleios de Sassaniden uit de Georgische gebieden had verdreven in een reeks Romeins-Perzische oorlogen. Kort daarna werd het vorstendom Iberië (Kartli) door het islamitische Arabische Rijk veroverd dat het een vazalstaat maakte. In de 8e eeuw volgden invallen uit het Rijk der Chazaren. De Georgiërs kwamen verschillende keren in opstand tegen de Arabieren, waaruit de Bagrationi voortkwam. Deze adel stond aan de basis van een rijk vertakte dynastie die de Georgische staten eeuwenlang zouden domineren. Door de tanende macht van Byzantium en de Arabieren konden in de 9e eeuw nieuwe Georgische koninkrijkjes ontstaan: koninkrijk Kartlië, Tao (Tao-Klardzjeti), Kachetië, Hereti en Abchazië. De Bagtrioni wist gaandeweg in al deze rijkjes de macht te krijgen. Aan het begin van de 10e eeuw waren Tao en Abchazië de voornaamste machtsfactoren in de regio.
Georgische gouden eeuw
miniatuur|Hoogtepunt koninkrijk Georgië (1213) De Bagrationi verenigden de Georgische koninkrijken en leidden deze naar eenheid, zelfstandigheid en regionale macht die rond 1200 onder koningin Tamar zijn hoogtepunt kende. De Georgische cultuur, met name literatuur, schilderkunsten en architectuur, kende vanaf het einde van de 10e eeuw een lange periode van bloei, die duurde tot het midden van de 13e eeuw en wordt ook wel de Georgische Gouden Eeuw genoemd. De consolidatie van de koninkrijken begon met de kroning van Bagrat III tot koning van Abchazië in 978, nadat hij een paar jaar eerder tot koning van Iberisch Kartlië was gekroond. In de daaropvolgende decennia wist hij door diplomatie en veroveringen de westelijke en oostelijke Georgische rijkjes te verenigen en benoemde hij zich in 1008 tot Koning der Koningen van het koninkrijk Georgië. Hij vestigde zich in Koetaisi in Imereti, waar hij de Bagratikathedraal liet bouwen.
Koning David de Bouwer versloeg de Seltsjoeken in 1121 in een belangrijke slag bij Didgori en wist Georgië aanzienlijk uit te breiden. Hij maakte Tbilisi tot hoofdstad van het koninkrijk. David de Bouwer verwierf ook gebieden in het huidige Armenië en Azerbeidzjan en ten noorden van de Kaukasus. Hij liet bij Koetaisi het Gelatiklooster bouwen dat niet alleen een religieus doel had, maar tevens functioneerde als een academie voor wetenschap en onderwijs in Georgië.
De andere belangrijke figuur uit de Georgische gouden eeuw was de achterkleindochter van David, koningin Tamar, die vanaf 1184 bijna dertig jaar regeerde. Tamar breidde Georgië verder uit met vooral moslimgebieden in het oosten en zuidwesten en zette na de Val van Constantinopel het keizerrijk Trebizonde op als vazalstaat. In haar opdracht schreef Sjota Roestaveli het Georgische nationale epos 'De ridder in het pantervel'. Het koninkrijk Georgië bereikte rond 1200 zijn hoogtepunt van territoriale omvang en invloedssfeer.
Getrouwtrek om Georgië (1500–1800) miniatuur|Het uiteengevallen Georgië in de 16e eeuw Na het overlijden van Tamar werd de macht van het Georgische koninkrijk gebroken en streden meerdere partijen om controle over het grondgebied dat begon met Mongoolse invasies. Delen van het koninkrijk scheidden zich af en werden weer door de Georgische koning heroverd toen de macht van de Mongolen verzwakte. De hereniging was van korte duur, want eind 14e eeuw viel de Centraal-Aziatische krijgsheer Timoer Lenk voor de eerste keer Georgië binnen, wat weer tot scheuring leidde. De herhaaldelijke invasies van Timoer om de Georgiërs onder gezag te krijgen waren desastreus voor met name Kartlië waar hele streken ontvolkt raakten. Na Timoers dood was Georgië weer vrij, maar het moeizame herstel en de verdeling van de gebieden onder onderkoningen leidden het uiteenvallen van het koninkrijk in. Dit werd in 1493 bezegeld toen Constantijn II de koningen van Imeretië en Kachetië erkende en zijn aanspraken op Samtsche liet vallen. Zelf bleef hij koning van Kartlië.