Het Bretoense broertje is het honderdvijftigste stripverhaal uit de reeks van Suske en Wiske. Het scenario was deze keer weer geschreven door Willy Vandersteen, de oorspronkelijke bedenker van de serie. Het is grotendeels getekend door Paul Geerts.192 Het Bretoense broertje op www.stripinfo.be

Van 24 mei 1982 tot en met 1 oktober 1982 werd het verhaal gepubliceerd in De Standaard en Het Nieuwsblad. De eerste albumuitgave in de Vierkleurenreeks was in februari 1983, met nummer 192.

Locaties Normandische en Bretoense kust, Bretagne, Honfleur met haven, restaurant Ferme St. Siméon en radartoren, Mont Saint-Michel, het eiland Arzur, verzonken vissersdorp, het Verboden Hunebed, de ruïne van de vesting van koning Arthur en de grot van Merlijn

Personages Suske, Wiske met Schanulleke, tante Sidonia, Lambik, Jerom, professor Barabas, kantoorchef van de kindertelefoon, de crimineel Jatter, politieagent, schilder, visser, Noormannen, Triphine en andere feeën, bewoners van het verzonken dorp, wilde zeestier, Yannig, de tovenaar Merlijn

Uitvindingen Een computer van professor Barabas waarmee informatie van schilderijen worden opgevraagd

Het verhaal

Als Lambik en tante Sidonia 's avonds uit de bioscoop komen, hebben ze het over de toenemende verruwing in de maatschappij. Sidonia hoort ’s nachts een geheimzinnige stem uit de telefoon. Suske en Wiske denken dat ze heeft gedroomd, maar de hoge telefoonrekening bewijst dat er inderdaad gebeld is. Dan komt er een medewerkster van de kindertelefoon bij Sidonia langs. Ze vertelt deze dat iemand die zich Schanulleke noemt radeloos naar hun lijn heeft gebeld met de melding dat ze een broertje wil. Tante Sidonia laat de lappenpop zien en meent dat het een grap van iemand moet zijn.

Lambik wordt gebeld door de antiquair van wie hij het schilderij van een Bretoense visser dat hij Sidonia cadeau heeft gedaan de week daarvoor had gekocht. Deze man vertelt dat het schilderij betoverd is. Schanulleke blijkt inderdaad een levende pop te zijn geworden en vertelt wat er is gebeurd: de visser op het schilderij kroop op een nacht uit zijn lijst en vertelde dat hij ooit betoverd is als straf voor een drama op zee. Eenmaal per jaar komt hij tot leven om een goede daad te doen. Dit heeft hij deze keer gedaan door Schanulleke tijdelijk het leven te schenken.

Schanulleke voelt zich echter erg eenzaam en wil een broertje. Tante Sidonia krijgt een idee: ze zal een pop van zaagsel maken, naar het model van de Bretoense visser. De volgende ochtend is het popje al af, maar Schanulleke is nog niet tevreden omdat hij niet leeft. Jerom komt langs en de vrienden besluiten professor Barabas te bellen om hem om hulp te vragen. Op weg naar de professor botsen de vrienden op een auto die wordt achtervolgd door politieagenten. De crimineel, Jatter, kan ontsnappen.

Als professor Barabas het schilderij ondervraagt, blijkt dat Lambik als gevolg van het auto-ongeluk last heeft gekregen van plotselinge aanvallen van slaapwandelen. Ook verhaspelt hij allerlei spreekwoorden. De vrienden krijgen via Barabas' computer aanwijzingen over het geheim om poppen tot leven te wekken: in het Franse dorpje Honfleur heeft Lucine, de eigenaresse van een kaartenwinkel, een kaart van een eiland voor de kust van Bretagne in haar bezit. Op dat eiland bevindt zich het betreffende geheim. Jatter heeft intussen ook alles gehoord, en hij wil nu zelf het geheim als eerste ontdekken om er rijk van te worden. De vrienden vertrekken onmiddellijk naar Honfleur, om Jatter voor te zijn. In Honfleur aangekomen gaan de vrienden op zoek naar de kaartenwinkel, maar tante Sidonia hoort van een schilder dat deze vrouw al jaren dood is. De kaartenwinkel blijkt te zijn afgebroken. Op het betreffende terrein is de nieuwe radartoren aan de haven gebouwd. Jerom verzamelt al zijn kracht en tilt de radartoren op, zodat de vrienden de kelder eronder die er nog steeds is kunnen onderzoeken.

Jatter blijkt ook al in de kelder te zijn. Hij houdt de vrienden onder schot, maar ze weten hem te overmeesteren. Suske vindt de kaart, die melding maakt van Arzur, een eiland voor de kust van Bretagne. De vrienden passeren Mont Saint-Michel, waar Lambik alweer in een gevaarlijke situatie belandt door zijn acute slaapwandelen. Jerom brengt Lambik opnieuw naar een dokter en hij wordt voorlopig ter observatie opgenomen. Sidonia wil een boot kopen om naar het eiland Arzur te varen, maar een lokale visser zegt dat het eiland helemaal niet bestaat. Een legende vertelt weliswaar dat koning Arthur er met zijn ridders van de Ronde Tafel verbleef, maar niemand heeft het eiland ooit echt gezien. Om Wiske en Schanulleke niet teleur te stellen koopt tante Sidonia toch de boot en de vrienden gaan op zoek naar het eiland. In een mistbank lijden ze schipbreuk. De vrienden bereiken op brokstukken de kust van een eiland, dat inderdaad Arzur blijkt te zijn.

Op het eiland zien Suske, Wiske, Schanulleke en Sidonia hoe vliegende feeën worden aangevallen door twee Noormannen. Ze komen de feeën te hulp. Een van de feeën laat zien dat de geschiedenis van het eiland in de rotsen werd uitgehakt door Bretoense beeldhouwers. Koning Arthur kwam met zijn ridders van de Ronde Tafel en vestigde zich op het eiland, de tovenaar Merlijn was zijn raadsman. Gwinevere, de koningin, was verdrietig omdat ze geen kinderen had en zij maakte de hele dag poppen. Koning Arthur liet zijn schatten in een dolmen verbergen, want hij moest met Gwinevere en zijn ridders naar Engeland om oorlog te voeren. De poppen van Gwinevere werden door Merlijn tot leven gewekt om de schat te bewaken. De toverstaf van Merlijn staat nog altijd boven op een enorme menhir bij de zee.

De vrienden worden voorgesteld aan de andere feetjes die bij de feeënpoel in kleine dolmens wonen. Ze mogen overnachten in een oude vissershut. Schanulleke wil echter niet langer wachten en ze besluit 's nachts zelf met haar broertje naar de toverstaf te gaan. Als de bliksem op de menhir inslaat, belandt de toverstaf in zee. Een feetje vertelt dat hier onder water een nog bewoond vissersdorp ligt. Toen er een springvloed dreigde, weigerden de bewoners het dorp te verlaten en ze verdwenen met hun huizen in de zee. De bewoners kunnen onder water ademen dankzij rode kapmantels die ze van een fee hebben gekregen. De feetjes hebben één kapmantel opgevist, en Suske besluit met deze kapmantel op zoek te gaan naar de toverstaf. De feetjes waarschuwen dat een wilde zeestier het verzonken dorp bewaakt. In het verzonken dorp vraagt Suske de bewoners of ze de toverstaf van Merlijn hebben gezien en hij wordt naar de molen gestuurd. Suske vindt de toverstaf en kan aan de wilde zeestier ontkomen. De feetjes zijn blij dat de toverstaf terug is en beloven bij volle maan het broertje van Schanulleke tot leven te wekken. Het popje wordt Yannig genoemd en wordt voorgesteld aan alle vrienden. Dan hoort tante Sidonia een geluid en ze gaat samen met Triphine op onderzoek bij het Verboden Hunebed. Ze zien hoe verkenners van de Noormannen de grot van Merlijn en de ruïne van de vesting van koning Arthur vinden. Tante Sidonia verjaagt de verkenners en gaat terug naar haar vrienden. Ze ontdekt dat Wiske erg jaloers is op de aandacht die het nieuwe vriendje van Schanulleke krijgt. Yannig redt Schanulleke van de aanval van een meeuw en de twee poppetjes gaan samen wandelen, waarna Wiske opnieuw verdrietig en jaloers wordt. Dan komt Schanulleke ineens huilend aangelopen; Yannig is verliefd geworden op het feetje Triphine en wil met haar trouwen, zodat Schanulleke helemaal niet meer belangrijk voor hem is.

Tante Sidonia gaat alleen terug naar het Verboden Hunebed en weet alsnog in het hunebed te komen. Daar ontmoet ze Merlijn, die zich eerder had teruggetrokken uit het openbare leven en zich hier nog steeds schuilhoudt. Als Merlijn het verhaal van tante Sidonia heeft aangehoord, vertelt hij dat er bij de drie menhirs een boot verborgen is. Hierna vertrekt hij naar een andere schuilplaats, waar hij weer in alle rust kan leven. Suske ontdekt dat de Noormannen de boot stukslaan en waarschuwt zijn vrienden. De feetjes raken in paniek; juist nu slaat de klok, die eenmaal per jaar slaat, en de poort van de schatkamer zal zich dan openen. De enige manier om de Noormannen te verslaan is ze te bekogelen met glazen bollen. Als ze hierdoor geraakt worden, zullen ze veranderen in stenen rotsblokken. Met doedelzakken schieten de vrienden de glazen bollen op het aanstormende leger en beschermen de ruïne en de grot. Enkele Noormannen kunnen de grot toch betreden en ontdekken een grot met goud en een grot met edelstenen. De mannen gaan ook naar de derde grot, waar parels liggen, maar de klok slaat door toedoen van Yannig voor de derde maal. De Noormannen worden in de grot opgesloten en veranderen ook in rotsblokken. Als de vrienden in het nauw gedreven worden, worden ze gered door Lambik die inmiddels weer hersteld is en Jerom. Schanulleke springt voor Wiske als deze bijna wordt geraakt door een pijl van een achtergebleven Noorman. Schanulleke besluit weer vriendschap te sluiten met Yannig en Triphine, omdat ze inziet dat jaloezie niet goed is.

De vrienden blijven nog even op het eiland om bij het huwelijk mee te maken en vertrekken dan stilletjes. Tante Sidonia vertelt dat ze nog veel meer popjes zoals Yannig heeft gemaakt en deze heeft ze ook op het eiland achtergelaten. De feetjes kunnen deze poppen ook tot leven wekken en zo zullen er nog vele huwelijken volgen. Wiske ontdekt op de boot dat Schanulleke niet meer leeft; de betovering van de visser is uitgewerkt.

Achtergronden bij het verhaal Mont Saint Michel staat op de Werelderfgoedlijst van UNESCO, het eiland speelt een belangrijke rol in Het verloren zwaard. Het thema van Schanulleke die tot leven wordt gewekt was al gebruikt in een aantal eerdere verhalen (Bibbergoud, De sterrenplukkers, De dulle griet, De poppenpakker). Aan het begin van dit verhaal draagt Lambik de bolhoed die hij in sommige andere verhalen (zoals De sterrenplukkers) ook op heeft.

Uitgaven

Externe link Samenvatting op suskeenwiske.ophetwww.net

Categorie:Stripverhaal van Suske en Wiske Categorie:Stripverhaal uit 1983