De Val van Srebrenica (ook bekend als het Bloedbad van Srebrenica) is de inname van de Bosnische stad Srebrenica op 11 juli 1995 en de daaropvolgende deportatie en genocide van meer dan 8.000 moslimjongens en -mannen door Bosnisch-Servische troepen. Het exacte aantal slachtoffers is nooit vast komen te staan. Het NIOD ging in 2002 nog van ongeveer 8.000 doden uit, maar het Bosnische herdenkingscentrum heeft tot aan 2009, 8.373 slachtoffers geteld. Tot juli 2012 zijn 6.838 slachtoffers geïdentificeerd.
Na het uiteenvallen van Joegoslavië en de burgeroorlog die daarop volgde werd de stad, evenals Tuzla, Sarajevo, Goražde en Žepa, door de Verenigde Naties tot veilige enclave verklaard, binnen een door Bosnische Serviërs beheerst gebied. De aanwezigheid van een internationale vredesmacht onder de vlag van de Verenigde Naties zag toe op de handhaving van Resolutie 819 Veiligheidsraad Verenigde Naties waarbij beide groepen de veiligheid van het VN-personeel moesten garanderen.Resolution 819 demanded that all parties ensure the safety of the Protection Force, United Nations personnel and other international organisations. https://undocs.org/S/RES/819(1993) In 1993 werd Srebrenica door Servische eenheden dusdanig bedreigd dat de stad door de Verenigde Naties werd uitgeroepen tot het eerste “veilig gebied” in het Bosnische conflict.
Op 11 juli 1995, toen ruim 400 Nederlandse UNPROFOR-militairen (achtereenvolgens de bataljons Dutchbat I, II en III (IV alleen in Tuzla actief geweest)) in Tuzla en Srebrenica hun humanitaire werk deden, drongen Bosnisch-Servische troepen onder bevel van generaal Ratko Mladić met hulp van tanks de stad binnen en deporteerden en vermoordden een groot deel van de daar aanwezige moslimmannen en -jongens. Het wordt gezien als de ergste daad van genocide in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog.
Voorgeschiedenis thumb|Kaart van het strijdverloop van de val van Srebrenica Toen Dutchbat de waarneming in de twee enclaves Srebrenica en Zepa overnam van de Canadezen was het Bosnische gebied rond Srebrenica al drastisch gekrompen. Bosnische eenheden hadden zich rond de stad ingegraven. Daarvoor verlieten groepen bewoners onder leiding van gewapende mannen nu en dan de enclave om voedsel te zoeken in de omringende Servische dorpen. Aangezien de Servische burgers hun voedsel - dat voor deze burgers evenzeer van levensbelang was - vaak met hun leven beschermden en beide groepen bovendien doodsbang waren voor elkaar, hadden ontmoetingen tussen Bosnische en Servische burgers op deze voedseltochten vaak een dodelijke afloop. Veel Servische dorpen in de wijde omgeving van de enclave zijn hierbij in brand gestoken met slachtoffers aan Servische kant.Servische slachtoffers in de Srebrenica regio, van 1992-1995, de 3287 Servische slachtoffers, de namen
Deze plundertochten werden veelal uitgevoerd onder leiding van Naser Orić, de algemene militaire commandant van de moslims in Srebrenica. Dit kan wellicht de belangrijkste factor zijn geweest die na de val van de enclave leidde tot de massamoord op moslimmannen. De Britse onderhandelaar David Owen zou later verklaren dat Milošević hem al begin 1993 had gewaarschuwd voor een bloedbad als de Bosnische Serviërs de enclave zouden innemen.In Europa, Geert Mak, , blz. 768
Op 12 februari 2004 verklaarde generaal Philippe Morillon voor het Joegoslaviëtribunaal dat hij overtuigd was dat de val van Srebrenica een direct gevolg was van de aanval van 7 januari 1993, tijdens het orthodoxe kerstfeest, op het Servische dorp Kravica. De afspraak met de Bosnische leiding was dat de enclave gedemilitariseerd zou worden, dat was een voorwaarde van de VN, echter op bevel van de Bosnische president Alija Izetbegović werden alleen de grootste en defecte wapens ingeleverd. De moslimtroepen binnen de enclave voerden regelmatig aanvallen uit op omliggende Servische posten, opzettelijk vanaf posities vlak bij de waarnemingsposten van de VN.
Voortvloeiende uit Resolutie 819 Veiligheidsraad Verenigde Naties van de VN, die voorzag in waarneming in een enclave waarvan de grenzen niet afgebakend werden, en waarbij beide partijen zorg moesten dragen (overeenkomend punt 10 van de resolutie) voor de veiligheid van het VN-personeel, had Dutchbat slechts lichte wapens ter verdediging van zichzelf en in overeenstemming met Resolutie 836 Veiligheidsraad Verenigde Naties, om een aanval af te weren. Naar algemeen oordeel waren de wapens van Dutchbat te licht voor een effectieve afweer. De visie van de VN was echter dat alleen al de aanwezigheid van Dutchbat de Serviërs ervan zou weerhouden de enclave aan te vallen: afschrikken door aanwezigheid. Een andere handicap was de slechte communicatie tussen de hoofdkwartieren van Srebrenica, Tuzla, Sarajevo, Den Haag en het VN-hoofdkwartier in Zagreb.
Gevechten voorafgaand aan de val van Srebrenica Op 29 maart werd een observatiepost getroffen door een mortiergranaat van het Bosnische federatieleger, waarbij soldaat der Eerste Klasse Jeffrey Broere zwaargewond raakte. Een pantservoertuig bracht hem naar het ziekenhuis in Tuzla, waar zijn dood werd vastgesteld.
Op 3 juni werd een pantservoertuig getroffen door een antitankraket, waardoor sergeant der Eerste Klasse Pieter van Wesel en soldaat der Eerste Klasse Gaby Looman zwaargewond raakten.
De val van Srebrenica Toen de Serviërs Srebrenica naderden sloeg luitenant-kolonel Thom Karremans alarm. Hij vroeg viermaal om luchtsteun, op 6 en 8 juli 1995, en tweemaal op 11 juli. De eerste twee keer weigerde brigadegeneraal Cees Nicolai vanuit Sarajevo Karremans' verzoek aan het VN-hoofdkwartier in Zagreb aan generaal Bernard Janvier door te geven, omdat de aanvragen niet voldeden aan de gemaakte afspraken omtrent het aanvragen van luchtsteun: toen waren er nog geen directe gevechtshandelingen.
Op 8 juli werd in de buurt van observatiepost 'Foxtrot' gevochten tussen Servische en moslimstrijders. De post kwam in de vuurlinie te liggen, toen een Servisch pantservoertuig door de moslim-linies brak. De militairen van Dutchbat kregen tien minuten de tijd om de post te verlaten, die daarop door de Serviërs werd overgenomen. Zij stuitten bij hun vertrek op een barricade van Bosnische moslims. De Dutchbatters reden met hun pantservoertuig door de barricade. De Nederlandse soldaat Raviv van Renssen verloor daarbij het leven door een handgranaat, die vanuit de barricade op het voertuig werd geworpen toen hij zijn luik opende om de aanwezigen aan te spreken.Peter Bootsma, Srebrenica, Het officiële NIOD-rapport samengevat. Boom, 2002
Op 10 juli beval generaal Janvier de Nederlanders met hun pantserwagens een defensieve 'blocking position' in te nemen teneinde verder oprukken van de Serviërs te stuiten.
Pas op 11 juli, toen Servische tanks de stad al waren binnengedrongen, speelde generaal Nicolai Karremans' laatste aanvraag voor luchtsteun door aan Janvier, die eerst zou hebben geweigerd. De tweede aanvraag op 11 juli werd wel gehonoreerd. De vliegtuigen (F-16's), die in afwachting van een inzetbevel al uren rondcirkelden, waren ondertussen door Nicolai gesommeerd terug te vliegen naar hun basis in Italië om bij te tanken. thumb|left|Begrafenis van 505 geïdentificeerde slachtoffers in Potočari, 11 juli 2006
Uiteindelijk voerden twee Nederlandse F-16's om 14:40 een luchtaanval op twee tanks uit, vrijwel zonder tactisch effect. De leiding berustte bij eerste luitenant Manja Blok. Haar vliegtuig wierp – in opdracht van een militair op de grond – twee bommen af op twee Servische tanks. Een groep Amerikaanse jachtbommenwerpers kon zijn doel echter niet vinden en moest terugkeren naar de basis. De enclave was toen reeds onder de voet gelopen en de luchtaanval werd op bevel van de VN en na sterk aandringen van minister Voorhoeve afgebroken, omdat Servische militairen dreigden een groep van 55 gegijzelde Dutchbatters te doden. De Nederlandse militairen en duizenden inwoners waren intussen naar het nabijgelegen Potočari gevlucht, de VN-basis waar Dutchbat was gelegerd.
Zo'n vijftienduizend Bosnische moslims, vooral mannen, sloegen in de nacht van 11 op 12 juli vanuit de enclave op de vlucht. Een deel van hen was voorzien van lichte wapens zoals pistolen, geweren en handgranaten. Buiten het zicht van Dutchbat trokken zij te voet de bergen in en probeerden het veilige Tuzla te bereiken. Zo een twintigduizend achterblijvers zochten toevlucht op en rond de VN-compound in Potočari. Het waren gewonden, vrouwen, kinderen en vooral oudere mannen. In de fabriekshal verbleven vijfduizend vluchtelingen. De voorraad aan voedsel en de sanitaire voorzieningen waren niet op dit soort aantallen voorzien. In de enclave waren geen westerse media aanwezig, alleen een door Mladić meegetroonde Servische televisieploeg. Die registreerde hoe Bosnisch Servische soldaten chocola uitdeelden aan kinderen en hoe Mladić vriendelijk praatte met een van hen. De generaal beloofde de wanhopige vluchtelingen op geruststellende toon dat ze snel weg mochten en dat hen niets zou overkomen. Hij had de regie, ook over de aftocht. In de dagen ervoor had hij VN-commandant Karremans tijdens drie ontmoetingen geïntimideerd, vernederd en zijn wil opgelegd. thumb|Mladić en Karremans (juli 1995) Op 13 juli werden de Bosnische moslims die bij Dutchbat in Potočari veiligheid zochten, door zwaarbewapende Servische soldaten onder regie van Ratko Mladić in bussen gedwongen om naar Tuzla geëvacueerd te worden. Bij die operatie assisteerde Dutchbat om een en ander ordelijk te doen verlopen. Kort na vertrek werden door Servische soldaten de jongens en mannen van de vrouwen gescheiden. Mladić beloofde dat dit alleen gebeurde om deze groep te verhoren en ze daarna te herenigen met hun familie in Tuzla; allen bleken later echter vermoord of vermist. Hierbij waren zowel Mladić' soldaten als paramilitairen van de groep de Schorpioenen betrokken.
Dutchbat werd aansluitend teruggetrokken op één compagnie na, de Alfacompagnie van 42 Bataljon Limburgse Jagers. Zij behoorde tot het oorspronkelijke Dutchbat 4; de eenheid bleef in Shimin Han tot november 1995. De feestelijke ontvangst in Zagreb van de Nederlandse militairen door minister Voorhoeve veroorzaakte commotie: hossende en bierdrinkende Dutchbatters in Zagreb die in het NOS Journaal te zien waren tijdens het verdwijnen van de geëvacueerde moslims in Srebrenica hebben de indruk van onverschillige soldaten gewekt. Volgens het NIOD-rapport ging het echter slechts om enkele feestvierders.
In 2002 waren nog maar ruim zestig van de lichamen teruggevonden. Anno 2005 zijn meer dan 1500 lichamen geïdentificeerd. Door internationale inspanning tracht men de gevonden lijken te identificeren voor de nabestaanden. Deze hebben zich sinds 1995 verenigd in de 'Campagne voor Waarheid en Gerechtigheid'.
Het 'vernietigde' fotorolletje van Srebrenica Op 24 juli 1995, toen Dutchbat terugkeerde op vliegbasis Soesterberg, hoorde majoor R. de Ruyter van de sectie inlichtingen en veiligheid van de MID/KL dat een filmrolletje van luitenant Ron Rutten uiterst gevoelig materiaal - bewijs van Servische oorlogsmisdaden - bevatte. De Ruyter opperde aan generaal Couzy dat de Militaire Inlichtingendienst de film zo snel mogelijk in handen moest krijgen. Couzy ging akkoord en De Ruyter haalde de volgende dag, 25 juli, bij Rutten thuis het rolletje op.
De volgende dag reed De Ruyter naar de Frederikkazerne in Den Haag, waar adjudant H. Winkelman van de audiovisuele afdeling van de MID/KL hem opwachtte. Winkelman bracht het rolletje niet naar zijn eigen donkere kamer, maar naar die van de MID/KM, de inlichtingendienst van de marine. Bij het ontwikkelen van het filmpje ging het echter fout, en de beelden werden daardoor gewist. Onderzoek van het Gerechtelijk Laboratorium wees later uit dat het ontwikkelen van de film van Rutten was mislukt in een mengsel van 70% ontwikkelaar en 30% fixeer. 'Een menselijke fout', oordeelde Defensie later.