De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) is een verklaring die op 10 december 1948 is aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (A/RES/217) om de Rechten van de mens (basisrechten/grondrechten) te omschrijven. De UVRM is tot op heden van grote betekenis als algemene morele en juridische standaard, als vaak gebruikte bron voor een nieuw internationaal verdrag of een nationale grondwet en als basis van het werk van mensenrechtenactivisten en -organisaties.
Actuele betekenis Belangrijke juridische standaard De UVRM is niet in strikte zin bindend. Maar volgens uitspraken van de VN-Commissie voor Internationaal Recht heeft een verklaring die door een groot aantal landen over langere tijd is aanvaard, een status die niet veel lager is dan die van een verdrag. Rechters hebben in verscheidene landen in verscheidene uitspraken naar de UVRM verwezen. (Baehr, 2000) Bron van verdragen De UVRM is gebruikt als basis voor twee bindende VN-verdragen voor de mensenrechten, namelijk het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. Ook het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens van 1950 is erop gebaseerd. Inmiddels hebben de VN op het gebied van mensenrechten zo’n driehonderd verdragen en (niet-bindende) verklaringen aangenomen. Zo kwam er in 1984 een verdrag tegen martelen, in 1989 een Verdrag inzake de rechten van het kind, in 2007 een verdrag tegen gedwongen verdwijning. Bij de meeste verdragen zijn toezichthoudende comités ingesteld. Weerslag in grondwetten De UVRM heeft aantoonbaar invloed gehad, met vaak expliciete verwijzingen, op meer dan negentig grondwetten, waaronder ten minste negentien grondwetten van nieuwe staten die zich na 1948 (vooral in Afrika) vormden. (Morsink, 1999) Mensenrechtenverdedigers De UVRM werd ook de grondslag van organisaties en activisten voor mensenrechten. De grootste hiervan is Amnesty International, met in 2008 meer dan 2,2 miljoen leden over de hele wereld. Andere van dergelijke organisaties zijn bijvoorbeeld Human Rights Watch en Aim for human rights. In bijna alle landen zijn verder plaatselijke comités voor mensenrechten actief. Mensenrechtenverdedigers zijn ook actief in staten die het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten niet hebben geratificeerd, zo’n vijftig landen. In die landen is de UVRM een belangrijke leidraad, omdat ze immers automatisch geldt voor alle lidstaten van de Verenigde Naties. Niet alleen voor staten De UVRM richt zich niet alleen op staten, maar ook op individuen en 'organen’. Daaronder vallen bijvoorbeeld ook bedrijven. Volgens de UVRM moeten die organen 'ernaar streven door onderwijs en opvoeding' de mensenrechten te bevorderen en 'door vooruitstrevende maatregelen, op nationaal en internationaal terrein, deze rechten algemeen en daadwerkelijk te doen erkennen en toepassen'. Het gaat dus om een plicht tot zowel educatie als daadwerkelijke maatregelen. Voortgaande bewustwording De UVRM wordt nog steeds aangehaald door wetenschappers, advocaten en grondwettelijke rechtbanken. Internationale rechters debatteren geregeld over de vraag of onderdelen van de verklaring overeenkomen met de gebruikelijke internationale wetgeving. De meningen zijn wereldwijd verdeeld over deze vraag, vanaf een enkel onderdeel tot aan de gehele verklaring. Vooral niet-westerse landen die ten tijde van het opstellen van de verklaring nog onder koloniaal bestuur stonden, hebben het universele karakter van de UVRM betwist.Universaliteit
Geschiedenis Volgens incorrecte overlevering was het eerste mensenrechtenverdrag de Engelse Magna Carta (Groot Handvest), dat dateert uit 1215. De rol van de Magna Carta beperkte zich echter tot de verhouding tussen de adel en de koning. In latere propaganda uit Groot-Britannië is de rol van de Magna Carta vergroot en geherinterpreteerd, waardoor het document met name in common-law landen geassocieerd kan worden met mensenrechten. Het bevatte bepalingen zoals: 'De kerk moet vrij zijn en haar rechten mogen niet worden geschonden ... Het is iedereen toegestaan ons koninkrijk te verlaten en er weer terug te keren ... Geen vrije burger mag worden gearresteerd of gevangengezet tenzij na een veroordeling door de rechters volgens de wetten van het land ... Als rechters en gerechtsdienaren zullen alleen diegenen worden aangesteld die de wetten van het koninkrijk kennen en die er oprecht naar streven die na te leven ...'
Op 26 juli 1581 werd het Plakkaat van Verlatinghe getekend in Den Haag. Het stelt dat 'een vorst is door God aangesteld om heerser over zijn volk te zijn, het tegen onderdrukking en geweld te verdedigen als een herder zijn schapen ... en wanneer hij zich niet zo gedraagt maar hen onderdrukt dan is hij niet langer een vorst maar een tiran en dan mogen zij wettig overgaan tot de keuze van een andere vorst.'
Het Plakkaat van Verlatinghe diende Thomas Jefferson tot inspiratie voor de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring van 1776, waarin veel rechten van (vrije) burgers werden vastgelegd.
De Amerikaanse verklaring was een voorbeeld voor de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger (1789) van de Franse Revolutie. De Franse verklaring somde, vanuit het idee van de zelfbeschikking van het volk en het individu, een lange reeks rechten op. Ze stelde dat mensen vrij en gelijk in rechten zijn geboren. Ze verbood gevangenschap zonder proces. Ze bracht rechten zoals die op godsdienstuitoefening, bezit en controle op de rechtvaardigheid van belastingen. Ze stelde dat burgers vrijelijk mochten spreken, schrijven en hun ideeën in druk mochten laten verschijnen, zolang dat althans geen inbreuk was op de wet.
De Britse schrijver Herbert George Wells, toentertijd waarschijnlijk de meest gelezen auteur ter wereld, schreef in oktober 1939, toen hij 73 jaar was, een ingezonden brief aan het dagblad The Times. Daarin stelde hij voor een nieuwe verklaring van de rechten van de mens op te stellen. Het voorstel legde hij dat jaar persoonlijk voor aan de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt. Roosevelt ontvouwde in januari 1941 de 'Vier Vrijheden': vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst, vrijwaring van gebrek en vrijwaring van vrees. Later is een prijs hiernaar vernoemd: de Four Freedoms Award.
De ontzetting over de Holocaust was echter doorslaggevend in de formuleringen voor en debatten over de UVRM (Morsink, 1999). Artikelen zoals over recht op huwelijk, recht op werk en beroep, recht op vrije keuze van onderwijs voor kinderen en geloofsvrijheid, zijn direct terug te voeren op bescherming tegen het soort discriminerende maatregelen dat de nazi's namen tegen Joden.
Totstandkoming thumb|Eleanor Roosevelt met de UVRM.
De auteurs van de belangrijkste studies (zie #Bibliografie) melden het volgende over de totstandkoming van de UVRM: De belangrijkste initiatiefnemers voor de verklaring waren enkele niet-gouvernementele organisaties, vooral joodse organisaties en joodse intellectuelen in de Verenigde Staten. (Korey, 2001) Dat de verklaring, voor z’n tijd, opvallend vrij is van vooringenomenheid met betrekking tot geslacht is vooral te danken aan de intensieve bemoeienis van vrouwenorganisaties. Aan de tekst werd gewerkt door een grote verscheidenheid van mensen. Tot de grondleggers behoren de Amerikaanse presidentsweduwe Eleanor Roosevelt, de Canadese jurist John Peters Humphrey en de Franse jurist René Cassin. De laatste kreeg later de Nobelprijs voor de vrede. Leden van de redactiecommissie waren verder een Libanese rechtsfilosoof, een voormalige Tsjechische president, een linkse Chileense diplomaat en een Panamese rechtsgeleerde. Verder werkten onder meer een Chinees, een Uruguayaan, een Iraniër, een Mexicaanse en een Indiase diplomaat aan de voorbereiding van de tekst mee. Ook de eerste Russische gedelegeerde toonde zich coöperatief. (Morsink, 1999) De UVRM is gebaseerd op rechtsnormen vanuit de hele wereld. De redactiecommissie deed een uitnodiging uitgaan naar vertegenwoordigers van alle stromingen, religies en ideologieën, en verwerkte honderden reacties (onder meer die van Gandhi kreeg veel aandacht). Vooral de Sovjetstaten brachten het beginsel van bescherming tegen discriminatie sterk naar voren, in weerwil van de wens van de Amerikanen (die toen nog een beleid van rassensegregatie voerden). De nadruk op sociaal-economische rechten kwam vooral van de Latijns-Amerikanen, die eerder in 1948 al een Inter-Amerikaanse Verklaring van de Mensenrechten hadden aangenomen. Deze rechten vonden weerklank bij de twee belangrijkste auteurs van de tekst, John Humphrey en René Cassin, die beiden socialistische idealen koesterden. Een belangrijke invloed van Eleanor Roosevelt was dat ze de gedelegeerden ervan overtuigde af te zien van een bindende tekst, die zou namelijk naar haar inschatting geen voldoende steun hebben gekregen. Ze kreeg gelijk: zelfs de niet-bindende tekst kon alleen met veel moeite door de Verenigde Naties worden geloodst. (Glendon, 2002) Acht staten onthielden zich van stemming: de Sovjet-Unie plus vijf andere staten van het Oostblok, Zuid-Afrika en Saoedi-Arabië. Saoedi-Arabië steunde de UVRM niet, omdat die niet in overeenstemming zou zijn met de islam. Pakistan, het grootste islamitische zelfstandige land ten tijde van 1948, tekende wel. Andere staten met een islamitische meerderheid die de aanvaarding steunden waren Afghanistan, Egypte, Iran, Irak, Jemen, Syrië en Turkije.
Nederlands aandeel Onder meer de jonge afgevaardigden Marga Klompé (KVP) en Hilda Verwey-Jonker (PvdA) waren aanwezig bij vergaderingen over de UVRM, maar ze hadden geen belangrijke inbreng. De meest prominente Nederlandse gedelegeerde was pater Leo Beaufort (1890-1965). Hij maakte zich voor de vermelding van God sterk. Aanvankelijk kreeg hij enige bijval, maar geleidelijk rees bij steeds meer gedelegeerden de vrees dat christenen, moslims, boeddhisten en atheïsten het nooit over een verwijzing naar een Opperwezen eens zouden worden. Toen Beaufort merkte dat er nogal wat bezwaar was, voegde hij aan zijn pleidooi toe dat wie het daar niet mee eens was, de desbetreffende zin in de verklaring gewoon kon negeren. Waarop de vertegenwoordiger van Polen opmerkte dat de staten dan vrij zouden zijn om alles te negeren wat hun niet beviel (Samnøy, 1993). Uiteindelijk werd God in de UVRM buiten beschouwing gelaten. Mensen zijn, volgens artikel 1, 'begiftigd met verstand en geweten', maar het wordt in het midden gelaten door wie of wat ze daarmee begiftigd zouden zijn. (Morsink, 1999)
Structuur en inhoud De UVRM is een heel ‘dichte’ tekst; er zijn niet minder dan 65 verschillende rechten in vervat.65 verschillende rechten Ze bevat een preambule, waarin de 'inherente waardigheid en onvervreemdbare rechten van de mens' worden erkend, en dertig artikelen. Artikelen 1-21 hebben betrekking op burgerrechten en politieke rechten. Daaronder zijn integriteitsrechten zoals die op leven, op erkenning als persoon voor de wet en op vrijwaring van marteling. Enkele artikelen van de UVRM formuleren de hoofdlijnen van een democratie: recht op inspraak in bestuur, op gelijke benoeming in openbare functies en stemrecht in vrije verkiezing. Artikelen 22-27 gaan over economische, sociale en culturele grondrechten. Dat zijn onder meer de rechten op werk, rust en vrije tijd, beloning, sociale zekerheid, onderwijs, huisvesting en medische verzorging.