thumb|Abraham volgens de Promptuarii Iconum Insigniorum Abraham (Hebreeuws: אַבְרָהָם, Avrāhām of אֲבִירָם, Aviram, mogelijk "De/mijn vader is subliem", volgens de volksetymologie: "Vader van velen/vele volken"), eerder Abram geheten (Hebreeuws: אַבְרָם, avrām), is volgens de Hebreeuwse Bijbel de aartsvader van de Israëlieten en Arabieren.P. Kyle McCarter (2000): Abraham, in Noel David Freedman, Allen C. Myers (red.): Eerdmans Dictionary of the Bible, Amsterdam University Press, , pag. 8–10

Sara was zijn halfzus en echtgenote, Hagar was zijn bijvrouw. In Genesis 25 wordt Ketura als zijn tweede vrouw genoemd. Haran en Nachor waren zijn broers.

In de Hebreeuwse Bijbel In vertellingen in het Bijbelboek Genesis 11-15 wordt Abraham beschreven als een rondtrekkende nomade (boer en veehouder). Zijn vader Terach trok weg uit het Chaldeeuwse Ur om in Kanaän te gaan wonen, samen met zijn zoon Abram en diens vrouw en halfzus Saraï en neef Lot. "Maar toen ze in Haran waren gekomen, bleven ze daar wonen" (Genesis 11:31). In Jozua 24:2-3 staat dat Abraham in de tijd dat hij nog "ten oosten van de Eufraat" woonde "andere goden" diende. thumb|Abraham vertrekt uit Haran (Francesco Bassano)

Van Abram naar Abraham Terach stierf in Haran. Hierna kreeg Abram van God de opdracht weg te trekken naar een land dat Hij hem zou wijzen. God zou Abram zegenen en hem tot een groot volk maken. Abram verliet Haran met al zijn huisgenoten en alles wat hij had en trok naar het land Kanaän. Overal waar hij zijn tent opsloeg bouwde hij een altaar voor de Heer (Genesis 12:1-10). Abram en Lot besloten uit elkaar te gaan, omdat er te weinig land was voor hun vee. Lot ging naar de Jordaanstreek van Sodom en Gomorra in het oosten en Abram ging in de buurt van Hebron wonen. Na vele omzwervingen door Kanaän en Egypte (bij de farao) en zijn ontmoeting met Melchisedek (Genesis 12-15) was Abram intussen oud geworden en had geen erfopvolger. "Daarom leidde [de Heer] Abram naar buiten. 'Kijk eens naar de hemel,' zei Hij, 'en tel de sterren, als je dat kunt.' En Hij verzekerde hem: 'Zo zal het ook zijn met jouw nakomelingen'" (Genesis 15:3-5). Aangezien Saraï (later Sara) kinderloos bleef, verwekte Abram (86 jaar oud) een zoon bij Hagar, haar slavin/zijn bijvrouw en noemde hem Ismaël ("God zal horen" - Genesis 16:1), Toen Abram 99 jaar oud was verscheen de Heer aan hem. Als God sloot Hij een verbond met Abram, die daarbij de naam Abraham kreeg, want God zei: "Ik maak je de vader van vele volken". Abraham moest Saraï voortaan Sara noemen en haar zou een zoon gegeven worden: "Ik zal haar zo rijk zegenen dat er volken uit haar zullen voortkomen en koningen van haar zullen afstammen" (Genesis 17:1-16). Na allerlei gebeurtenissen, zoals de verwoesting van Sodom en Gomorra (Genesis 19) en een reis naar het zuiden bij Abimelech, de koning van Gerar (Genesis 20), baarde Sara een zoon, Isaak. Sara was toen 90 en Abraham 100 jaar oud (Genesis 21). thumb|Engelen bezoeken Abraham (Genesis 18)

Beschouwingen In Genesis 15:6 worden Gods woorden over erfelijkheid aan Abram bevestigd met tegenwoordig archaïsch ogende rituelen en hierop volgde de zin: "Abram vertrouwde op de Heer en deze rekende hem dit toe als een rechtvaardige daad." Dit vers zou in het Nieuwe Testament een uiterst belangrijke rol spelen in de interpretatie over rechtvaardiging door geloof of door besnijdenis, vooral bij Paulus.

Het verbond met Abraham, dat in Genesis 17 door de herhaling van de beloftes en door de besnijdenis als verbondskenmerk werd bevestigd, werd in de latere geschiedenis van de Israëlieten en in de volledige Bijbelse en buitenbijbelse argumentatie een beslissende factor. Reeds bij Isaak (Genesis 26:3) en aan het eind van het boek Genesis (50:24) werd het verbond als een eed aangemerkt. Uitdrukkelijke goddelijke inmenging werd ondersteund door het hernoemen van Abram tot Abraham (Genesis 17:5), waarnaar terugverwezen werd in 1 Kronieken 1:27 en Nehemia 9:7. Dit hernoemen toonde enerzijds de volledige soevereiniteit van God en Zijn macht over de geschiedenis aan, anderzijds ook Zijn bijzondere verantwoordelijkheid voor de op die manier uitgekozen en gekenmerkte mensen. Het kenmerk van het verbond was de besnijdenis (vergelijk Genesis 17:10-14).

In de verhalen over Abraham werd ook geanticipeerd op de verschillende manieren waarop God een mens kon benaderen: Abraham kon in direct contact met God treden (bijvoorbeeld Genesis 18:22-33) – zoals later Mozes (vergelijk Deuteronomium 34:10). God verscheen aan Abraham in een droom (Genesis 15:12-21), in een visioen (Genesis 15:1) in mensengestalte met begeleiding (de "drie mannen" bij de eiken van Mamre - Genesis 18:1-22) en door bemiddelende goddelijke boodschappers (Genesis 22:11,15). Abraham had ook profetische gaven en werd in Genesis 20:7 een profeet genoemd.

Nakomelingen De vertellingen over Ismaël in de Hebreeuwse Bijbel laten aan de ene kant zien dat hij een echte zoon van Abram is, die als zodanig gezegend werd en beloftes ontving van talrijke nakomelingen (Genesis 16:10; 21:13,18; 25:12-18). (Arabische) moslims geloven dat zij afstammen van Ismaël – waardoor joden, christenen en moslims allen terug te voeren zijn op Abraham als de oervader van alle gelovigen. Aan de andere kant maken de verhalen duidelijk dat de lijn die beloofd was, verliep via Isaak, de zoon van Sara (Genesis 21:1-8). Ismaël en de andere zonen van Abraham (bij zijn tweede bijvrouw Ketura) namelijk Zimran, Joksjan, Medan, Midjan, Jishbak en Suach (Genesis 25:1-6) speelden geen rol in de erfopvolging – focuspunt van het Bijbelse perspectief.

Het bijna-offer van Isaak thumb|Abrahams offer (Laurent de La Hire) Een centraal verhaal in het leven van Abraham is wat in de joodse traditie bekend staat als de "binding van Isaak" – op het brandofferaltaar. In dit verhaal moest Abraham als test van zijn geloof zijn zoon Isaak aan God offeren. Toen hij op het punt stond om dit te doen, weerhield een engel hem ervan en stond er een ram gereed om de plaats van het mensenoffer in te nemen.

Al aan het begin van het verhaal werd duidelijk gemaakt dat het om een gedachte-experiment ging: "Enige tijd later stelde God Abraham op de proef" (Genesis 22:1-2) is de leessleutel voor de hele tekst. Vanaf het begin stonden met Isaak de gezamenlijke beloftes aan Abraham en het latere volk van Israël op het spel. De volmaakte oplossing werd gedemonstreerd: enerzijds gaf Abraham zich zonder voorbehoud of twijfel over aan Gods wil – wat hem als een grote geloofsdaad werd aangerekend (Genesis 15:6). Anderzijds redde God Isaak van de dood door een door Hem gezonden engel – wat een oerbeeld van bedreiging en redding van het volk van Israël werd. Wat later de Israëlieten ervoeren in de vorm van de uittocht uit Egypte, als bevrijding van een land van slavernij, en later ook in de bescherming die het volk kreeg tijdens de omzwervingen in de woestijn, werd in Genesis 22:1-19 als een raadselachtige, aanstootgevende en diepgravende oerbeeld-vertelling geschilderd.

Abraham zelf werd in het verhaal als "de ideale Israëliet" beschreven (Genesis 22:15-18), waarvan werd gezegd "jij hebt naar mij [God] geluisterd", een uitdrukking die bij de oproepen om naar Gods wetten te leven in het boek Deuteronomium veelvuldig voorkomt (bijvoorbeeld in Deuteronomium 26:17). Abraham had zich aan de voorschriften, geboden, regels en wetten van God gehouden (begrippen die op andere plaatsen voor de openbaring van Gods wet op de Sinaï staan of voor de Thora in zijn geheel - Genesis 26:5). Genesis 18:19, een uitspraak van God tegen zichzelf bij de ontmoeting met Abraham bij de eiken van Mamre, laat zien dat Abraham juist daarom werd uitverkoren om zijn zonen en verdere nakomelingen op te dragen de weg van JHWH te houden en gerechtigheid en recht te doen. Abraham hield zich daarbij aan de Thora als weg van JHWH zelfs voordat deze door God aan Mozes werd geopenbaard.Vergelijk in de Babylonische Talmoed Kiddoesjien 4:14; Joma 28b Iedere keer werd bij deze vermeldingen van Abraham de zegen genoemd die alle mensen (volken) door Abraham zouden ontvangen.

Dood Sara stierf op 127-jarige leeftijd in Hebron, in Kanaän. Abraham overleed toen hij 175 jaar oud was. Hij werd begraven door zijn zonen Isaak en Ismaël, volgens de overlevering zou dat de huidige Grot van de Aartsvader in Hebron zijn.

Abraham in het Nieuwe Testament In het Nieuwe Testament wordt Abraham ten voorbeeld gehouden vanwege zijn rotsvaste geloof in God, waardoor God hem als rechtvaardig aanmerkte. Dit wordt binnen het christendom als voorloper beschouwd van de christen die door God als rechtvaardig wordt beschouwd dankzij zijn geloof in het offer van Jezus Christus. In die zin worden alle ware christenen hierdoor geestelijke nakomelingen van Abraham, terwijl de Israëlieten en Arabieren zijn lijfelijke nakomelingen zouden zijn.

Samengevat zegt het Nieuwe Testament over Abraham: Abraham was de stamvader van de Israëlieten (Matteüs 3; Lucas 3; Handelingen 13 Romeinen 4; 2 Korintiërs 11, Hebreeën 6), dus ook een voorvader van Jezus (Matteüs 1, Lucas 3). Abraham werd door God geëerd (Hebreeën 7). Door zijn geloof is Abraham nu in het Koninkrijk bij Christus (Matteüs 8; Lucas 12 en 16). God is Abrahams God; daarom leeft Abraham bij God (Matteüs 22; Marcus 12; Lucas 20; Handelingen 7). Abraham ontving van God grote beloftes (Lucas 1; Handelingen 3 & 7; Galaten 3, Hebreeën 6). Abraham volgde God (Handelingen 7; Hebreeën 11). God zegende Abraham om zijn geloof (Romeinen 4; Galaten 3; Hebreeën 11, Jakobus 2). Abraham is de stamvader van ieder die in geloof tot God komt (Romeinen 9; Galaten 3).

In de rede van Stefanus over Abrahams roeping zit een tegenspraak met het verhaal in Genesis. In plaats van het initiatief van Terach om weg te trekken uit Ur (Genesis 11:31) met de roeping van Abraham in het "tussenstation" Charan (Genesis 12:1-9), was de volgorde volgens Stefanus dat Abraham werd geroepen toen hij "nog in Mesopotamië woonde, voordat hij zich in Charan vestigde" (Handelingen 7:2-4).

Historiciteit