Scheveningen () is een stadsdeel van Den Haag. Het was voorheen een zelfstandige vissersplaats, die later is opgegaan in een badplaats en wijk in Den Haag.
De oorspronkelijke kern van Scheveningen bevindt zich in Scheveningen-Dorp, maar van de vroegere bebouwing van vóór de grote kaalslag en de daaropvolgende nieuwbouw van het stadsdeel is niet veel meer terug te vinden. Het meest karakteristieke deel van het oude dorp vindt men bij de Oude Kerk.
Geschiedenis Naam thumb|Scheveningse vlag, gebaseerd op het dorpswapen De geschiedschrijving verschaft geen uitsluitsel over de ouderdom van Scheveningen. Naamkundig onderzoek zou hebben aangetoond, net als bij andere Nederlandse plaatsen die eindigen op het suffix (achtervoegsel) '-ingen', dat de oorsprong ervan in de 10e of 11e eeuw ligt. De bewuste naam komt voor het eerst voor in een grafelijk register dat deels is opgesteld omstreeks 1284. Er is sprake van een gebied dat wordt omschreven als een 'terra de Sceveninghe' (land van Scheveningen). Er is weleens beweerd dat een geslacht met de naam Scheven - dat bij Haarlem een kasteel bezat en zich in de 14e eeuw in de omgeving van Leiderdorp vestigde - iets te maken zou hebben met het dorp of met de naam Scheveningen, maar hiervoor ontbreekt elke aanwijzing.
Soms genoemde, maar nooit onderbouwde, buitenlandse invloeden zijn evenmin aantoonbaar. Uit de historie valt op te maken dat de oorsprong van Scheveningen een puur Hollandse aangelegenheid moet zijn geweest. Binnen de reeds genoemde 'terra de Sceveninghe' heeft naar alle waarschijnlijkheid een oudere woonkern gelegen; te denken valt aan een agrarisch gemeenschapje, een buurtschap, enkele kilometers meer landinwaarts van de kust gelegen.
De kennis over die tijd is vrij beperkt; wel heeft de sociaal geograaf J.K. de Cock in een artikel, getiteld Scheveningen-Binnen en Scheveningen aan Zee, hierover iets geschreven dat als onderbouwing kan gelden. Ook in het naslagwerk De bodem van 's-Gravenhage van E.F.J. de Mulder komt De Cock met een bijdrage op dit oudere 'Sceveninghe' terug. Naar zijn opvatting is het oude buurtschapje - te denken valt in de 12e of 13e eeuw - door langdurige zandverstuivingen onder het zand verdwenen.
Kustlocatie thumb|Scheveningen op een kaart uit 1712 Naast de oudere buurtschap is er het kustdorp dat nu Scheveningen heet. Het is gebouwd op jonge duinen die zich rond de 12e eeuw langs de Noordzeekust hebben ontwikkeld. Dat huidige Scheveningen wordt voor het eerst genoemd in een akte van 1357, waarin dorpsbewoners met een officieel document verzoeken om een grafelijke gunst.
De residentie van de graven van Holland, die zich in de loop van de 13e eeuw bij de buurtschap Die Haghe heeft ontwikkeld, is vermoedelijk de aanzet geweest tot het ontstaan van het huidige Scheveningen. Mogelijk heeft een toenemende vraag naar zeevis van de nieuwe, rijke nederzetting tot gevolg gehad dat er zich vissers hebben gevestigd aan de dichtstbijzijnde kuststrook.
Een grafelijke beslissing in de late middeleeuwen heeft ertoe geleid dat Scheveningen niet zelfstandig is geworden, maar zich slechts met één zetel mocht vertegenwoordigen in de Haagse schepenbank.
Ontwikkeling thumb|Scheveningen op een kaart uit 1905 Het dorp is in de geschiedenis vele malen door stormvloeden geteisterd, waarbij meestal ook een gedeelte van de bebouwing wegspoelde. In 1570 verdween tijdens de Allerheiligenvloed de helft van het dorp in de golven, waardoor de kerk aan de rand kwam te staan - wat nu nog steeds het geval is.
Volgens een telling in 1680 woonden er in Scheveningen 917 mensen in 200 huizen. Daarvan hielden er zich ongeveer 250 bezig met de visvangst. Andere beroepen waren afslager, lijndraaier, scheepstimmerman en vishakker. Niet-visserijgebonden beroepen waren onder andere rietdekker, schoenmaker, kleermaker, timmerman en bakker.
Scheveningen was tot halverwege de zeventiende eeuw slechts met Den Haag verbonden door een duinpad, het Westerpad, dat uitkwam bij het Haagse Noordeinde. In 1665 kwam de naar een ontwerp van Constantijn Huygens aangelegde Scheveningseweg gereed, een lange, rechte straatweg, waardoor de verbinding aanzienlijk verbeterde. Langs deze weg liet Jacob Cats een buitenverblijf aanleggen met de naam Zorgvliet. Andere welgestelden lieten, vooral toen Scheveningen na 1800 als badplaats opkwam, buiten het oude dorp - en met name ten noordoosten en ten oosten ervan - landhuizen en villa's bouwen. Andere bouwsels uit vroeger tijden zijn het niet meer bestaande Kalhuis, een wachthuisje voor lieden die aanlandende pinken een ligplaats op het strand moesten aanwijzen, en het opmerkelijke buitenverblijf Nieuw Soetenburgh, aan de kop van de Keizerstraat.
Sloppen Aan het begin van de achttiende eeuw bestond het dorp Scheveningen uit slechts enkele straten. In de loop van de negentiende eeuw ontstonden de sloppen en hofjes, die zich vrij konden ontwikkelen achter de huizen die waren gelegen aan de rooilijnen van de straten. Omdat voor deze bouw in zogeheten achterbuurten (toen nog geen ongunstige kwalificatie!) geen stedelijke bouwvoorschriften golden, werd er goedkoop en slecht gebouwd. Mede door het gebrek aan frisse lucht in de vochtige huisjes, die stonden in buurten waar riolering ontbrak, was de kans op het uitbreken van besmettelijke ziekten groot. Regelmatig waren er epidemieën, waaronder een uitbraak van de cholera in 1832, met honderden slachtoffers. De Bloedpoort was om meerdere redenen een van de meest spraakmakende hofjes, zij dit vooral in negatieve zin. Alles wat aan hofjes slecht was, kon in de Bloedpoort worden aangetroffen.
Vanaf 1900 werd er stedelijk, op grond van onrustbarende rapporten en verslagen, ernstig over de problematiek van de slechte behuizing nagedacht en werd er weldra begonnen met het saneren van de sloppenbouw. Pas rond 1935 was de sanering voltooid. Duindorp was een van de nieuwbouwwijken die vanaf het begin van de 20e eeuw werden aangelegd.
Kanaal en binnenhaven In 1862 was het kanaal dat Scheveningen verbond met Den Haag en de Hollandse binnenwateren, klaar. Hierdoor kon Scheveningen de visvangst vervoeren naar de streek. In Scheveningen is het kanaal nu gedempt, maar de binnenhaven is nog herkenbaar aan de straatnamen: Badhuiskade, Havenkade en Haringkade. In 1882 is er een tweede kanaal aangelegd, het afvoerkanaal ('Verversingskanaal'), dat later uitmondde in de zeehaven (1903).
Visserij thumb|Bomschuiten (kleine vissersschepen) in 1900 miniatuur|Panorama Mesdag, 1881 miniatuur|Het strand gezien van de pier miniatuur|Kop van een oude visser met zuidwester, Vincent van Gogh, zwart krijt en inkt, Den Haag, januari 1883, Kröller-Müller Museum De zeevisserij heeft gedurende honderden jaren het beeld van het dorp bepaald. Scheveningen beschikte evenals andere kustdorpen aan de Noordzee niet over een zeehaven. Daarom voeren vissersschepen - eerst de pink en in de loop van de 19e eeuw het type bomschuit - af vanaf het strand en landden met hun vangsten daarop aan. Deze visserij was vooral gericht op de vangst van plat- en rondvis.
Vanaf het midden van de 19e eeuw begon Scheveningen zich steeds meer te richten op de haringvangst. De logger deed als vissersschip ook dáár zijn intrede en na de komst van een eigen zeehaven, geopend in 1903, excelleerde Scheveningen vele jaren bij de visserij op haring door middel van de vleetvisserij. Deze hield stand tot eind jaren zestig van de 20e eeuw. Vanaf 1905 moest de vis aan de haven (en niet meer op het strand) geveild worden, maar al snel klaagden de vissers over gebrek aan ruimte daarvoor. Om aan de klachten tegemoet te komen werd er in 1911 voor de veilingen een loods als visafslag in gebruik genomen, die echter ook al snel te klein gevonden werd.
Problemen rond de overbevissing van de Noordzee, verouderde vissersschepen en gewijzigde visserijtechnieken luidden het einde in van grootschaligheid van de plaatselijke haringvisserij. Tegenwoordig wordt er nog maar door een beperkt aantal schepen op haring gevist en dan nog alleen maar gedurende een korte periode.
De huidige Scheveningse vissersvloot bestaat uit een vijftiental grote tot zeer grote hektrawlers, waarvan een aantal onder buitenlandse vlag vaart vanwege de toebedeelde visquota. Deze schepen vissen over de hele wereld. De vissersvloot bestaat tevens uit een vijftal kotters, die veelal op de Noordzee hun vis vangen. Verder zijn er enkele kotters die geregistreerd staan in andere Nederlandse vissersplaatsen, maar eigendom zijn van rederij Jaczon, die net als rederij W. van der Zwan Scheveningen als thuishaven heeft.
Vissersschepen uit Scheveningen zijn herkenbaar aan hun nummer, dat altijd met SCH begint.
Inspiratie voor kunstschilders Scheveningen bood in de 19e eeuw inspiratie voor kunstschilders van de Haagse School, als Jozef Israëls, Hendrik Willem Mesdag en Anton Mauve. Mesdag schilderde het 'Panorama Mesdag' in 1881. Ook Vincent van Gogh liet zich in zijn Haagse periode door Scheveningen en de visserij inspireren.
Badplaats thumb|Het strand in 1900 In het jaar 1818 opende de Scheveninger Jacob Pronk Nz. het eerste badhuis, een klein houten gebouwtje met een wachtkamer en vier badkamertjes met uitzicht op zee. In 1820 verving hij het door een stenen gebouw. In 1828 werd Pronk uitgekocht door de gemeente Den Haag, die hier het Stedelijk Badhuis liet bouwen, een gebouw met een centraal gedeelte en twee vleugels. Het Stedelijk Badhuis werd verbouwd tot hotel toen de particuliere stichting Maatschappij Zeebad met hulp van de gemeente in 1884 het Kurhaus bouwde. Dit gebouw in de stijl van de Italiaanse renaissance brandde een jaar later af, maar werd terstond herbouwd. In 1901 werd het Kurhaus rechtstreeks verbonden met het nieuw gebouwde wandelhoofd (de eerste pier: het Wandelhoofd Koningin Wilhelmina). Het aantal slaapplaatsen in Scheveningen bleef sinds die tijd groeien.Zie reisgids uit 1905: :File:Scheveningen transport en hotels 1905.jpg en :File:Scheveningen hotels en restaurants 1905.jpg
Scheveningen is vooral 's zomers in belangrijke mate afhankelijk van met name dagtoerisme uit Nederland en Duitsland.
Herbergen en hotels