Kuinre (vroeger ook Kuinder, Nedersaksisch: De Kuunder) is een kerkdorp en een voormalige gemeente in de huidige gemeente Steenwijkerland in de Nederlandse provincie Overijssel. De inwoners worden Kuundersen genoemd. Kuinre lag vroeger aan de monding van de rivieren de Linde en de Tjonger. De laatste wordt in Overijssel de Kuinder genoemd en in het Stellingwerver dialect de Kuunder.
Het dorp werd naar verluidt gesticht door vissers, die huizen bouwden op de landtong tussen beide rivieren. De monding van beide rivieren was een van de beste natuurlijke havens van de Zuiderzee. Kuinre groeide uit tot een bescheiden vissers- en havenplaatsje. De oude haven is nog te bezichtigen in het Kuinderbos, dat is gelegen aan de rand van het dorp. De bewoning aan de Hopweg in het bos en de camping die aan Kuinre vast is gelegen en tegenover het bos is gelegen, vallen qua adressering onder Luttelgeest maar worden meestal tot het dorp Kuinre gerekend. Zo kan men zeggen dat Kuinre deels in de provincie Flevoland is gelegen.
Geschiedenis
Middeleeuwen
De veenontginningen begonnen vermoedelijk al in de 10e eeuw vanaf de oever van de Oude Kuinder, die ten oosten van het huidige dorp door de velden slingerde en vervolgens afboog in de richting van de Steenwijker Aa bij Blokzijl. Pas later brak de Zuiderzee hier door.Piet van der Lende, Geschiedenis van de Stellingwerven en Noord-West Overijssel: De eerste kolonisatie in de middeleeuwen (geraadpleegd 26 september 2023). Archeologische vondsten op de bodem van de Noordoostpolder, ten zuidoosten van het dorp, doen hier het oorspronkelijke dorp Kuinre vermoeden.
De oudste notities waarin sprake is een kerkdorp Cunre, Kuinre of Kunre dateren van het begin van de 12e eeuw. De spellingsvorm Cuijnder wordt vermeld in 1523.G. van Berkel & K. Samplonius, Nederlandse plaatsnamen verklaard, 2018, trefwoord: Kuinre.
In 1118 kreeg bisschop Godebald van Utrecht de beschikking over een huis met weilanden in de omgeving van Kuinre, dat Zwaag werd genoemd (Swechus dicitur, juxta Cunre). Vermoedelijk gaat het daarbij om de landerijen van de latere Kuinderburcht. Deze landerijen waren al geruime tijd kerkbezit.
De kerk of kapel van Cunre viel in 1132 onder het gezag van de abt van het Sint-Odulfusklooster te Stavoren.De notities uit 1132 en 1243 gelden volgens de huidige stand van het onderzoek niet als vervalst. Zie: J.A. Mol en K. van Vliet, 'De oudste oorkonden van het Sint-Odulfusklooster van Staveren', in: Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis 1 (1998). p. 73-134. Bisschop Godfried gaf daarna in 1165 toestemming aan een groep Friese kolonisten uit de Lindevallei (Lammebruke) om in de omgeving van Kuinre een nieuw kerkdorp te stichten.<ref>Het toponiem Lammerbroek (Lammebruke) verwijst - net als de plaatsnamen Oldelamer, Nijelamer en Lemmer - naar de riviernaam Linde ('zacht stromend water'). De kolonisten zouden in theorie ook uit het achterland van Lemmer afkomstig kunnen zijn. Henk T.J. Miedema, 'De Friese plaats- en waternaam (de) Lemmer of Liamer''', in: Naamkunde 14 (1982), p. 46-51, hier p. 49. Karel F. Gildemacher, Friese plaatsnamen, Kampen 2007, p. 149, 178. G. van Berkel & K. Samplonius, Nederlandse plaatsnamen verklaard, 2018, trefwoord: Oldelamer.</ref> Het nieuwe dorp lag tussen de Oude Linde en de Kuinder, en werd begrensd door de sloot Rutherikesdole en de buurtschap Wiberburen (Wibernessate).S. Muller Fzn. & A.C. Bouman (ed.), Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301, dl. 1, Utrecht 1920, nr. 444.De buurtschap Wiberburen of Wibergha lag in de Kuinder Buitenpolder aan huidige Wagenweg; de landerijen strekten zich uit van de Doerzyll in het westen tot de Kuinder in het oosten. Collectie Overijssel, toegang 0285.1, inv.nr. 24 (1519), inv.nr. 89 (1558). J.A. Mol, 'De plundering van het convent te Schoten in 1487', in: De Vrije Fries 67 (1987), p. 65-88, hier p. 77. Wellicht gaat het om het Bedijkte Rondebroek ten oosten van het huidige dorp.
Waarschijnlijk al de 12e eeuw werd het Kuindervaart gegraven, die het water van Kuinder en Linde direct naar zee afvoerde.Mol, 'Veenontginningen', p. 53.Van Popta's reconstructiekaarten dateren de Kuindervaart pas aan het einde van de middeleeuwen. Dit wordt verder niet beargumenteerd.Dat Kuinre op een landtong tussen de Kuinder en de Linde was gebouwd, is een misverstand, dat uitgaat van de situatie na de aanleg van het Nieuwe Kanaal omstreeks 1845. Op de westelijke kanaaloever ontstond een langgerekt dijkdorp die de directe voorloper was van het huidige Kuinre. Iedere bewoner bezat een smalle kavel, die 'perk' werd genoemd. Vermoedelijk was er tevens sprake van een grote spuisluis of zijl. Het buurrecht van 1385 spreekt uitdrukkelijk van zeijl en zeijlroeden (sluis en afwateringskanalen).Molhuysen, 'Geschiedkundige herinneringen', p. 33-41. Waar deze zijl zich heeft bevonden, is moeilijk te achterhalen.
In 1243 worden hier drie kerkdorpen genoemd, namelijk Kuinre (Kunre), Veenhuizen (Fenehusum) en Kuinrezijl (Kunresijl). De kerk van Kuinre wordt opnieuw vermeld in de jaren 1275-80. De dorpsheer noemde zich in 1304 Henricus, ridder van Kunresile.Oorkondenboek van Groningen en Drenthe, nr. 224. In 1385 had Kuinre twee buurtschappen of kluften, die in 1448 Olden Cuynre en de Nye stadt werden genoemd.Molhuysen, 'Geschiedkundige herinneringen', p. 29, 35. De oorspronkelijke dorpskerk van Kuinre was misschien al eerder in zee verdwenen, waarna de parochie met die van Kuinrezijl is gefuseerd.Ook Molhuysen suggereert dat de oudste kerk dichter bij zee stond, Mogelijk waren Olden Cuynre en Fenehusum echter beide veenontginningsdorpen en is de naam Kuinre na afbraak van de eerste kerk overgegaan op het dijkdorp Kuinrezijl oftewel Nye stadt. De Kunre zyl wordt nog in 1398 genoemd, maar daarmee werd het huidige dorp Kuinre bedoeld. Ook het Traktaat van de Zeven Friese Zeelanden uit dezelfde tijd gebruikt de naam Kunersyl als aanduiding voor de hele heerlijkheid.Bouwe Brouwer (ed.), Cleen tractaet fan da saun zelanden (naar de oudste druk van het Freeska Landriucht, ca. 1485).
In 1337 vroegen de inwoners van Kuynre en Venehusen bescherming aan de graaf van Holland. Het dorp Veenhuizen bevond zich om in de omgeving van het Achterveen in de Buitenpolder. Op luchtfoto's van het huidige Kuinderbos zijn sporen van dit buitengedijkte dorp te zien. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat het Veenhuizen van de 14e tot de 17e eeuw moet zijn bewoond. Een oudere voorloper van dit dorp lag mogelijk enkele kilometers verder zuidelijk, waar eveneens archeologische sporen zijn gevonden.Van Popta, ‘No Country for Men. Dez., When the Shore Becomes the Sea, p. 61-75.
De parochie van Kuinre was volgens een notitie uit 1549 gewijd aan de heilige Nicolaas en had behalve een dorpspastoor maar liefst zes vicariën, aan ieder waarvan een geestelijke was verbonden. Dit aantal geeft aan dat Kuinre een drukke havenplaats was. De burgers kregen in 1385 een eigen buurrecht en het recht een jaarmarkt te houden, die rond Allerheiligen plaatsvond. De nederzetting had in 1448 een boterwaag up den dyck langs de Kuindervaart, waar ook de markt werd gehouden. In 1504 telde Kuinre 159 huizen met naar schatting 600 tot 800 inwoners. Rechtspraak en bestuur waren in handen van schout en schepenen (sinds de 17e eeuw schout en burgemeesters), al had de dorpsheer (en later de bisschoppelijke ambtman) wel een flinke vinger in de pap. Pas in de 17e eeuw werd Kuinre niet meer tot de kleinere Overijsselse steden gerekend. In de volksmond bleef men echter over Kuinre spreken alsof het wel degelijk een stadje was.
Kuinre fungeerde in de 15e en 16e eeuw vooral als voorhaven voor Kampen. Uit grafelijke rekeningen in Holland blijkt dat meerdere schippers beschikten over grotere handelsschepen of koggen, die ook wel koeynre kogghen werden genoemd. De inwoners hadden vooral goede betrekkingen met het zuiden van Friesland, met name Schoterland, Oosterzeesterland en de Stellingwerven, die zich aan het bisschoppelijke gezag hadden onttrokken. Uitgevoerd werden vooral producten uit het Friese achterland, als takkenbossen, turf en vetgemest vee, terwijl vis en bier werden aangevoerd. Het dorp had een schippersgilde (1597), een bakkersgilde en een kleermakersgilde.
De oorspronkelijke zeesluis moet voor 1433 zijn weggespoeld, waardoor de rivier in open verbinding met de zee kwam te staan. Het Rondebroek werd toen opnieuw bedijkt. De inwoners van Schoterland besloten in 1474 een eigen scheepvaartsluis in de Tjonger te bouwen, de Schoterzijl.Register van charters en bescheiden van het Oud Archief van Kampen, dl. 1, Kampen 1862, p. 234. In 1580 werd verder stroomafwaarts een nieuwe sluis gebouwd, de Slijkenburgerzijl.G. van Berkel & K. Samplonius, Nederlandse plaatsnamen verklaard, 2018, trefwoord: Slijkenburg.
De dorpen rond Kuinre hadden meermalen te kampen met oorlogsgeweld en stormvloeden. Doordat het maaiveld daalde, kwam het gebied geleidelijk onder de zeespiegel te liggen. De vicarie van het Maria-altaar was bijvoorbeeld afkomstig van het verlaten kerkdorp Veenhuizen (Veenhuijsen), dat bij een van de vele dijkdoorbraken in de 16e eeuw grotendeels door de zee werd overspoeld. De burcht was al in 1378 verplaatst. Kuinre zelf werd in 1522 door Gelderse troepen in de as gelegd, alleen de burcht en de kerk bleven staan. Niet lang daarna werd ook de burcht gesloopt. Twee kaarten uit de jaren 1534/1535 tonen tslott ter Cuynre, de Cuynre kercke en de ruïnes van het dorp Veenhuyssen.H.J. Moerman, ‘De IJsselmonden’, in: Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap, 2e serie 35 (1918), p. 311-342, hier p. 313.Van Popta, When the Shore Becomes the Sea, p. 10 (naar Historisch Centrum Overijssel, map KD 000372). Hier in hoge resolutie online. In 1559 was sprake van het "erf van Veenhuizen", wellicht het voormalige kerkhof bij de dijk. De rooilijn van Veenhuizen naar Emmeloord gold als de grens tussen Friesland en Overijssel. Ver in zee lagen bovendien de restanten van de oorspronkelijke nederzetting Veenhuysen.
Kuinderburcht I In de tweede helft van twaalfde eeuw (tussen 1165 en 1197) werd aan de Kuindervaart een mottekasteel gebouwd met een diameter van 30 meter, de Kuinderburcht I, als steunpunt voor de bisschop van Utrecht. Het gebouw lag zo'n 800 meter ten zuiden van de huidige dorpskern.
Rond 1200 is sprake van de bezittingen van de bisschop te Kuinderberg (in monte Cunre). In 1331 wordt gesproken van de Aldenberg ten (zuiden?) van het dorp Kuinre. Vermoedelijk wordt hiermee de motte van de eerste Kuinderburcht bedoeld. Dit heeft overigens niets te maken huidige Kuinderberg, die is ontstaan als vuilstortplaats.
Spoedig kwam de burcht in handen van Heynric die Crane, heer van Kuinre en ministeriaal van de bisschop van Utrecht. Van Heynric die Crane werd verwacht dat hij de burcht bewaakte, en toezicht hield op het waterrijke omliggende gebied, dat ongeveer zo groot was als de huidige Noordoostpolder. In deze tijd streed de bisschop van Utrecht met Willem I, graaf van Holland, om zoveel mogelijk land te bemachtigen. De heer van Kuinre verzette zich hevig tegen het gezag van Willem I, maar in 1197 werd de burcht verwoest, en de heer van Kuinre verdreven. Volgens Hollandse kronieken werd Hendrik bestraft, omdat hij het de Friezen zo moeilijk gemaakt had.