De Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) was van 1968 tot 2015 de wettelijke verzekering voor de kosten van langdurige zorg aan mensen met een ernstige beperking door ouderdom, een chronische ziekte, een handicap of langdurige psychische problemen. Iedereen die in Nederland woonde of werkte was automatisch verzekerd voor deze zorg. Vanaf 1 januari 2015 is de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten vervangen door de Wet langdurige zorg (Wlz).
Sinds 2015 wordt de extramurale zorg door de gemeenten geregeld. De overblijvende delen van de AWBZ zijn omgevormd tot de Wlz.
De overheid onderscheidt drie compartimenten in de zorg: Het eerste compartiment bevat de langdurige zorg (care) en onverzekerbare medische risico's. De verstrekking en financiering van deze zorg worden grotendeels geregeld door de overheid via de AWBZ. Het tweede compartiment bevat kortdurende geneeskundige zorg die voor iedereen toegankelijk moet zijn. Vergoeding hiervan loopt via de Zorgverzekeringswet. De Zorgverzekeringswet stelt een ziektekostenverzekering verplicht voor iedereen die verzekerd is volgens de Wet langdurige zorg (Wlz). De vrijwillige aanvullende verzekering valt onder het derde compartiment. Vooralsnog (2011) is er alleen een aanvullende ziektekostenverzekering. In 2009 heeft de toenmalige staatssecretaris Jet Bussemaker in het programma Buitenhof een aanvullende AWBZ aangekondigd.
Op grond van de AWBZ is iedere Nederlander verzekerd tegen de kosten van onverzekerbare medische risico's en langdurige zorg (na 366 dagen). Deze worden niet door de zorgverzekering vergoed. De vergoeding kan op twee manieren plaatsvinden: Zorg in Natura (ZIN) en het persoonsgebonden budget (pgb). In het laatste geval krijgt de rechthebbende een bepaald budget toegekend. De uitvoering van zowel ZIN als het pgb verloopt via het zorgkantoor.
Geschiedenis Deze wet verving verscheidene eerdere wetten en regelingen, zoals de Wet op de bejaardenoorden. Per 1 januari 1968 is de wet AWBZ ingegaan.
Tot 2003 zijn veel aanvullende regels gemaakt om de AWBZ aan te passen aan veranderende maatschappelijke trends. De regelgeving werd daardoor complex en bureaucratisch. Een grondigere herziening was noodzakelijk, ook om inhoudelijke redenen. Een van deze redenen is de prijsstijging van de AWBZ. Het kabinet hoopt door meer marktwerking de prijsstijging tegen te gaan. In de gemoderniseerde AWBZ krijgt de vrager een meer centrale plaats, de aanbiedersmarkt wordt meer open en zorgverzekeraars en zorgkantoren krijgen een actievere rol in het inkoopbeleid. De verantwoordelijkheden tussen diverse partijen in de zorgketen (Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), zorgkantoor, zorgaanbieder) worden duidelijker onderscheiden. De stappen in de modernisering maken het mogelijk dat cliënten zelf de zorg inkopen, bij de aanbieder die zij wensen en op de plaats van hun keuze. Met andere woorden: centrale aanbodsturing maakt plaats voor decentrale vraagsturing. Dit wordt mogelijk gemaakt door het afschaffen van het verplicht contracteren door zorgkantoren. Hierdoor kunnen andere bedrijven op de markt komen en de AWBZ uitvoeren. Het gevolg hiervan is dat er geconcurreerd wordt.
Tot april 2003 hadden cliënten van de AWBZ voornamelijk van doen met zorg in natura. Indien zij geïndiceerd waren en zorg kregen, gebeurde dit zonder dat zij geconfronteerd werden met de bijbehorende kosten.
De Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is sinds 2003 geleidelijk vervangen door andere wetten, waaronder de Zorgverzekeringswet. Sinds 1 januari 2015 is de AWBZ geheel vervallen.
Wijzigingen in de AWBZ per 1 april 2003 de aanspraken worden benoemd in termen van functies, in plaats van voorzieningen (nieuwe) aanbieders mogen toelating vragen voor een of meer functies huishoudelijke verzorging persoonlijke verzorging verpleging ondersteunende begeleiding activerende begeleiding behandeling verblijf de toelating is functiegericht en geldt AWBZ-breed de indicatiestelling wordt geformuleerd in termen van functies zorgorganisaties mogen extramuraal AWBZ-breed zorg aanbieden nieuwe AWBZ-brede Regeling Persoonsgebonden budget de aanspraak op verblijf is alleen mogelijk als ook ten minste aanspraak gemaakt kan worden op een van de andere functies, bijvoorbeeld in combinatie met verpleging: ouderenzorg.
Wijzigingen in de AWBZ na 2003 Per 1 januari 2007 is de huishoudelijke verzorging overgegaan in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). De uitvoering van de AWBZ ligt bij de zorgverzekeraars en de uitvoering van de Wmo ligt bij de gemeenten. Een ander technisch verschil tussen beide wetten is dat de AWBZ zorg in rechte afdwingbaar is en dat de Wmo een voorziening is (niet in rechte afdwingbaar).
Vanaf 1 juli 2007 worden indicaties voor langdurige opname in een AWBZ-instelling afgegeven in de vorm van een zorgzwaartepakket (ZZP).
Tot en met 31 december 2008 kon ook een ernstig psychosociaal probleem reden zijn voor een AWBZ-indicatie. Per 1 januari 2009 is deze grondslag komen te vervallen. Er is nu een diagnose nodig binnen een van de andere grondslagen om in aanmerking te kunnen komen voor AWBZ-zorg.
Per 1 januari 2009 zijn de functies ondersteunende begeleiding en activerende begeleiding komen te vervallen. De activiteiten die binnen deze functies vielen, zijn deels overgegaan naar de nieuwe functie begeleiding en deels onder de functie behandeling komen te vallen. Ook valt een deel van de activiteiten niet meer onder de AWBZ. Zo zijn de welzijnsactiviteiten overgeheveld naar de Wmo en vallen ze daarmee onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten.
Grondslag voor AWBZ-zorg Om in aanmerking te komen voor AWBZ-zorg moet er een medische reden (grondslag) aanwezig zijn waardoor iemand bepaalde activiteiten niet zelfstandig kan verrichten maar hierbij hulp nodig heeft. De volgende grondslagen kunnen recht geven op AWBZ-zorg: een somatische aandoening of beperking een psychogeriatrische aandoening of beperking een psychiatrische aandoening een verstandelijke handicap een lichamelijke handicap een zintuiglijke handicap Het moet hierbij in alle gevallen gaan om aandoeningen/beperkingen waardoor iemand langdurig/blijvend hulp nodig heeft. Voor problemen waarvoor nog behandeling (vanuit het tweede compartiment) mogelijk is kan slechts in uitzonderingsgevallen, kortdurend AWBZ-zorg worden ingezet. Namelijk daar waar ernstige problemen ontstaan wanneer dit niet gebeurt en inzet van AWBZ-zorg geen negatieve invloed heeft op het verdere herstel.
Een psychosociaal probleem is geen reden voor een AWBZ-indicatie.
Dekking De AWBZ geeft recht op verpleging en verzorging in een: ziekenhuis vanaf de 366e dag verpleeghuis verzorgingshuis psychiatrische inrichting instelling voor zintuiglijk gehandicapten; instelling voor verstandelijk gehandicapten; gezinsvervangend tehuis voor gehandicapten; beschermde woonvorm voor ex-psychiatrische patiënten en sociaal kwetsbaren; dagverblijf voor gehandicapten of in "Het Dorp" in Arnhem; of algemene thuiszorg. Daartoe behoren verpleging, persoonlijke verzorging, begeleiding en voorlichting in verband met ziekte, herstel, invaliditeit en ouderdom (mits door een grondslag ondersteund); revalidatiezorg vanaf de 366e dag.
Verder valt onder de AWBZ: overige psychiatrische hulp, zowel poliklinisch als door vrijgevestigde psychiaters en Riaggs (Regionale Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg). De geneeskundige ggz is op 1 januari 2008 overgeheveld naar de Zorgverzekeringswet. Ook Forensisch Psychiatrische Poliklinieken vallen onder de AWBZ-vergoeding. inentingen in het kader van een vaccinatieprogramma onderzoek naar het voorkomen van enkele stofwisselingsziekten blindengeleidehond doventolkvoorziening in de privésfeer abortus in een vergunninghoudende kliniek.
Artikel 6 bepaalt dat de verzekerden aanspraak hebben op zorg ter voorkoming van ziekten en ter voorziening in hun geneeskundige behandeling, verpleging en verzorging. Tot deze zorg behoren voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid of strekkende tot verbetering van levensomstandigheden, alsmede maatschappelijke dienstverlening.
Artikel 9a bepaalt dat de gemeente erin voorziet dat ten behoeve van de inwoners een onafhankelijk indicatieorgaan werkzaam is, dat kosteloos besluit of een inwoner is aangewezen op een van de vormen van zorg. Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) is door alle gemeenten aangewezen om die rol te vervullen.
Het Besluit van 25 oktober 2002, houdende hernieuwde vaststelling van de aard, inhoud en omvang van de zorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en wijziging van andere besluiten in verband daarmee (Besluit zorgaanspraken AWBZ) (Bza) gaat verder in op de verschillende vormen van zorg. Het Besluit van 2 oktober 1997, houdende regels met betrekking tot het werkterrein, de samenstelling en werkwijze van indicatieorganen (Zorgindicatiebesluit) (Zib) regelt de indicatiestelling.
Daarbij is er nog de Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 december 2013, kenmerk 178730-114566-DLZ, houdende beleidsregels die het indicatieorgaan hanteert bij het vaststellen of en in hoeverre de verzekerde is aangewezen op zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014).
De zorg vanwege de AWBZ, die indicatieplichtig is vanwege artikel 2 van het Zib, is vastgelegd in een aantal functies (artikel 4 t/m 6, 8, 9, 9a en artikel 13 lid 2 van het Bza): Persoonlijke Verzorging (PV) Verpleging (VP) Begeleiding (BG individueel en BG groep) Behandeling (BH individueel en BH groep) Verblijf (VB) Kortdurend Verblijf (KVB) Voortgezet verblijf op psychiatrische grondslag.
In geval verzekerde op basis van zijn zorgbehoefte is aangewezen op verblijf, wordt de omvang van verblijf met de daarbij behorende samenhangende zorg uitgedrukt in een zorgzwaartepakket (ZZP). Een zorgzwaartepakket is naar aard, inhoud en omvang bij een cliëntprofiel passende samenhangende zorg als omschreven in de Regeling zorgaanspraken AWBZ. Op grond van artikel 2, vierde lid van het Bza zijn ter invulling van de aanspraak op Verblijf, de zorgzwaartepakketten omschreven in de Regeling zorgaanspraken AWBZ. De verzekerde die is aangewezen op Verblijf heeft aanspraak op zorg die is opgenomen in het zorgzwaartepakket. Om te bepalen welk zorgzwaartepakket het best passend is gegeven de zorgbehoefte van de verzekerde wordt bepaald welk cliëntprofiel het beste bij de zorgvrager past.
Er zijn zzp'ers op somatische en psychogeriatrische grondslag (V&V), op psychiatrische grondslag (GGZ) en op grond van een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap (GZ). Hoewel veel instellingen gespecialiseerd zijn in het leveren van zorg aan een specifieke categorie van cliënten, kunnen zij cliënten met alle grondslagen opnemen.
Reguliere verzorgingshuizen en verpleeghuizen krijgen geld uit de AWBZ. Ze heten daarom ook wel AWBZ-instellingen. Particuliere verzorgingshuizen en verpleeghuizen zijn geen AWBZ-instelling.Welke kosten krijg ik vergoed in een verzorgingshuis en verpleeghuis?, rijksoverheid.nl
De AWBZ gaat ervan uit dat huisgenoten voor elkaar zorgen. Dit heet gebruikelijke zorg. Bij gebruikelijke zorg komt men niet in aanmerking voor AWBZ-zorg.
Als iemand kortdurend (minder dan drie maanden) zorg nodig heeft, gaat het CIZ ervan uit dat de partner helpt bij de dagelijkse verzorging, zoals eten, wassen en aankleden. De partner biedt dan de gebruikelijke zorg. Iemand zonder partner die kortdurend zorg nodig heeft, kan wel AWBZ-zorg krijgen.