De basiliek van San Clemente is een rooms-katholieke kerk, gewijd aan paus Clemens I. Ze is gesticht in de vierde eeuw en behoort daarmee tot de oudste christelijke kerken van Rome. Ze maakt deel uit van een van de meest intrigerende gebouwencomplexen van de stad, omdat er door de eeuwen heen vier opeenvolgende bouwlagen over elkaar heen zijn aangelegd, waarvan de bovenste drie kunnen worden bezocht. Bovendien hebben talrijke kunstenaars uit verschillende eeuwen bijgedragen tot de verfraaiing van de San Clemente, die aldus kunstwerken bevat gaande van de vroegste middeleeuwen tot in de 18e eeuw.

De legenden rond paus Clemens I Terwijl het levenseinde van paus Clemens I niet beschreven werd in contemporaine bronnen, werd hij vanaf het einde van de 4e eeuw vereerd als martelaar, en ontstonden er wijd verspreide - maar niet altijd geloofwaardige - legenden over zijn marteldood. Hieraan refereren talrijke symbolen en iconografische voorstellingen in de basiliek.

Volgens de overlevering zou paus Clemens I op het einde van de eerste eeuw onder de regering van keizer Trajanus vanuit Rome verbannen zijn naar de Krim. Daar ging hij door met zijn bekeringswerk, maar Romeinse soldaten maakten er rond het jaar 100 ruw een einde aan: ze bonden Clemens vast aan een scheepsanker en verdronken hem in de Zwarte Zee. Engelen bouwden voor hem een graf op een eiland in de zee, maar eenmaal per jaar trok de zee zich terug, zodat het graf bereikbaar werd.

Wanneer de heiligen Cyrillus en Methodius in de 9e eeuw vanuit Thessalonika naar Oost-Europa trokken om de Slavische volkeren te kerstenen, vingen ze op de Krim het verhaal op van het zeegraf van Clemens. Ze groeven zijn stoffelijke resten op, en brachten ze in het jaar 867 op verzoek van de paus over naar Rome: eerst naar het Vaticaan, en vandaar naar de basiliek die al eerder aan hem was gewijd. Cyrillus zelf zou twee jaar later in Rome overlijden en zou in 869 eveneens in de San Clemente-basiliek begraven zijn.

Naar de legendarische marteldood van Clemens verwijzen de talrijke afbeeldingen van een anker in deze basiliek: in de bovenkerk o.a. op het mozaïek van de triomfboog, in het houtsnijwerk van de zoldering en in het fronton van het altaarciborium.

De vier bouwlagen

Het gebouwencomplex illustreert duidelijk hoe het straatniveau van de stad Rome door de eeuwen heen is gewijzigd. Dit is niet enkel veroorzaakt door de afzetting van sediment maar ook door vernielingen (o.a. bij de brand van 64 en de plunderingen in 1084, zie hierna), waarna het puin niet werd afgevoerd maar enkel werd genivelleerd om te dienen als basis voor een volgende bouwfase.

Het niveau van de huidige straten ligt reeds een à twee meter hoger dan de huidige twaalfde-eeuwse basiliek (bovenkerk). Bij opgravingswerkzaamheden die werden uitgevoerd vanaf 1857 kwamen onder de huidige basiliek nog oudere bouwlagen aan het licht: een vierde-eeuwse basiliek (benedenkerk) en nog lager enkele gebouwen uit de eerste eeuw. Later werd ontdekt dat daaronder zelfs nog een bouwlaag schuilgaat van vóór het begin van onze jaartelling. Deze twintig eeuwen oude laag ligt bijna twintig meter onder het huidige straatniveau.

Hierna beschrijven we achtereenvolgens de verschillende bouwfasen, te beginnen met de oudste en laagst gelegen bouwlaag. Daarbij vermelden we telkens hoe elk niveau kan worden bereikt vanuit het bovenliggende niveau. Bouwlaag uit de republikeinse periode Bij opgravingen uitgevoerd in 1912-1914 zijn ongeveer twintig meter onder het huidige straatniveau resten van huizen gevonden die stammen uit de laatste eeuw van de Romeinse Republiek (± 500 – 27 v.Chr.) en die zijn verwoest door de grote brand van Rome ten tijde van Keizer Nero in het jaar 64. Bij de wederopbouw van de stad is het genivelleerde puin van die huizen gebruikt als fundering voor de nieuwe bouwlaag.

In de loop der eeuwen had het binnendringende water (van een bron, of van een aquaduct?) een meer gevormd dat in het begin van de 20e eeuw al gestegen was tot de ingang van het mithraeum (zie hierna). Het water wordt nu afgevoerd via een kanaal dat werd gegraven op het niveau van de republikeinse periode, 12 meter onder de Via Labicana.NB De Via Labicana ligt hoger op de helling van de Oppiusheuvel dan de Via di San Giovanni in Laterano. Dit verklaart de schijnbare incongruentie tussen de vermelde hoogteverschillen. Het kanaal loopt in de richting van het Colosseum en sluit een eindje verder aan op de Cloaca Maxima die het water verder afvoert naar de Tiber.

Bouwlaag uit de eerste eeuw n.C. De bouwlaag uit de eerste eeuw bevindt zich op nagenoeg dezelfde hoogte boven de zeespiegel als het Colosseum (dat uit dezelfde periode dateert, nl. de eerste decennia na de brand van het jaar 64). Ze kan worden bereikt via een trap uit de 4e eeuw die vertrekt vanuit het linker zijschip van de benedenkerk (zie hierna). Na het bezoek aan de bouwlaag uit de eerste eeuw leidt een andere trap terug naar het rechter zijschip van de benedenkerk.

Twee gebouwen thumb|Grondplan van de gebouwen uit de 1e eeuw

Twaalf meter onder het huidige niveau van de Via di San Giovanni in Laterano zijn aanzienlijke delen van twee grote gebouwen opgegraven die van elkaar zijn gescheiden door een steegje van amper 80 cm breed. Het kleinste van de twee is opgetrokken in baksteen, en was waarschijnlijk een insula (soort flatgebouw). Op de binnenplaats hiervan was een mithraeum ingericht: zie hierna.

Het grotere rechthoekige gebouw was de zgn. Moneta Caesaris, de keizerlijke munt die dateert uit het laatste kwart van de eerste eeuw.De identificatie van dit gebouw met de munt van keizer Domitianus wordt verzekerd door The Atlas of Ancient Rome (zie brionnen) deel 1 p. 316, die zich hiervoor baseert op de Forma Urbis Romae , die het grondplan én de naam van het gebouw weergeeft. Na de brand van het jaar 80 n.C. had Domitianus de munt naar hier overgebracht vanuit de citadel (Arx) op de Capitolijnheuvel. Het gebouw was 19.000 m² groot en bestaat uit talrijke afzonderlijke ruimtes die alle uitgaven op een (nog niet uitgegraven) centrale binnenplaats. Terwijl de buitenmuren van het muntgebouw zijn opgetrokken uit tufsteen, zijn de binnenmuren ervan bezet met opus reticulatum en de vloeren bedekt met opus spicatum. Oorspronkelijk waren deze vertrekken enkel toegankelijk vanuit de binnenplaats; pas bij de opgravingen (zie verder) werden ze onderling verbonden met doorgangen.

De Mithrastempel (mithraeum)

De benedenverdieping van het kleinste van beide gebouwen werd in de laatste jaren van de tweede eeuwThe Atlas of Ancient Rome (zie bronnen) deel 1 p. 318 situeert de inrichting van dit mithraeum in de laatste decade van de tweede eeuw. omgebouwd tot tempel waar de Perzische zonnegod Mithras werd vereerd. Zijn cultus, het mithraïsme, werd in de eerste eeuw n.Chr. ingevoerd in Rome en kende daar een groot succes. Doordat het christendom vanaf 380 de staatsgodsdienst was van het Romeinse Rijk en het mithraïsme zelfs verboden was vanaf 392, raakte deze cultusplaats in onbruik.

Het mithraeum onder de San Clemente bestaat uit drie ruimtes:

een pronaos of vestibule, gelegen aan de rechterzijde na de afdaling van de trap vanuit de benedenkerk. daartegenover: een langwerpige zaal, ingericht als een triclinium. Het lage tongewelf met sporen van sterren in schilderwerk en in stucwerk bootst het universum na. Een beeld in een nis achteraan stelt de geboorte van Mithras uit een grot voor. De zijmuren zijn ingenomen door twee lange stenen banken waarop de aanhangers van deze godsdienst liggend op kussens de rituele maaltijd nuttigden. Tussen de aanligbanken is het altaar opgesteld. Het reliëf op de voorzijde ervan toont de typische scène die in elk mithraeum wordt aangetroffen: Mithras doodt de stier (tauroktonie) om zo het leven te schenen aan heel de natuur. Op de zijkanten van het altaar houden zijn helpers Cautes en Cautopates hun fakkel omhoog resp. omlaag: zij stellen het lengen en het korten van de dagen voor, en tegelijk het cyclische wederkeren van alle leven. Boven op het altaar zijn nog twee van de vier koppen bewaard die de vier seizoenen symboliseren. iets verderop, opnieuw aan de rechterzijde: de ruimte die bestemd was voor initiatie-rituelen, de zgn. schola mithraïca. Hier zijn nog enkele resten van stucwerk en fresco's met rituele voorstellingen te zien.

Een schuilkerk? Een veronderstelling is dat een van de huizen van de bouwlaag uit de eerste eeuw in het bezit zou zijn geweest van de Romeinse consul Titus Flavius Clemens en dat deze zich als een van de eerste hooggeplaatste Romeinen zou hebben bekeerd tot het christendom, dat toen nog verboden was (pas in 313 n.C. heeft Constantijn de Grote met het Edict van Milaan de vrijheid van godsdienst ingevoerd). Misschien zou het huis van deze consul reeds in de eerste eeuw als schuilkerk hebben dienstgedaan. Het staat echter hoegenaamd niet vast of Paus Clemens I met hem kan worden geïdentificeerd; een andere mogelijkheid is dat deze paus een vrijgelatene van de genoemde consul was, maar ook dat is niet zeker.

Benedenkerk: de vierde-eeuwse basiliek

De benedenkerk kan worden bereikt vanuit de bovenkerk via een trap die vertrekt vanuit de sacristie rechts achteraan.

Op het niveau van de eerste verdieping van de gebouwen uit de eerste eeuw n.C. werd in de vierde eeuw een christelijke basiliek ingericht, gewijd aan de heilige Clemens, de zgn. titulus Clementis. Deze kerk werd ingewijd onder het pontificaat van Paus Siricius (384-399).

Grondplan

De benedenkerk rust boven op de gelijkvloerse verdieping van de Moneta Caesaris uit de eerste eeuw (zie hierboven). Het middenschip van de basiliek stemt exact overeen met de ruime binnenkoer ervan, terwijl de zijschepen rusten op de vertrekken die aan weerszijden uitgaven op die koer. De apsis van de basiliek werd in de 5e eeuw aangelegd over het onderliggende kleinere gebouw met het mithraeum heen. Uit de imposante afmetingen van de vierde-eeuwse basiliek blijkt het succes van het christendom, dat in 380 was uitgeroepen tot staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk.

Deze kerk wordt voorafgegaan door een narthex, vanwaar drie deuren toegang geven tot het middenschip resp. tot het linker- en het rechter zijschip. De kerk heeft een basilica-grondplan: het langwerpige brede middenschip wordt aan weerszijden door een zuilenrij afgescheiden van de zijschepen, en sluit vooraan aan op de apsis waar het altaar is opgesteld. De bakstenen muren die de zuilen van elke rij verbinden, werden niet in de oorspronkelijke constructie maar wel reeds vóór de 11e eeuw opgericht, om de draagkracht van de zuilen te versterken. De andere muur die het middenschip aan de rechterzijde versmalt is pas in latere eeuwen aangebracht, om de rechter zuilenrij van de hoger gelegen twaalfde-eeuwse basiliek te ondersteunen.

Op ditzelfde niveau zijn aan de noordzijde (de kant van het rechter zijschip) een vroegchristelijk baptisterium en sacristie ontdekt. Deze kunnen niet worden bezocht.

Kunstwerken thumb|Fresco: de overbrenging van de relikwieën van de H. Clemens naar de basiliek

Op de muren van de narthex en op de binnenmuren van de benedenkerk zijn nog talrijke middeleeuwse fresco's in Romaanse stijl bewaard. Afgebeeld zijn o.a. de volgende taferelen (voor toelichtingen: zie het kopje De legenden rond Paus Clemens I):

In een nis in het rechter zijschip: o.a. een achtste- of negende-eeuwse Madonna getooid als een Byzantijnse keizerin, en een Laatste Oordeel uit ca. 885. Uiterst rechts in de narthex (naast de trap die onder- en bovenkerk verbindt): de wonderlijke redding van het kind dat bij zijn bezoek aan het graf van Clemens op het eiland in de Zwarte Zee was verrast door het hoogtij. Het jaar nadien zou het kind veilig en wel aangetroffen zijn in het graf van Clemens. Fresco uit de 11e eeuw.