Friesland is historisch de aanduiding voor het kustgebied van het huidige Nederland van het Zwin tot en met de Weser in het huidige Duitsland. Vanaf ongeveer 1500 wordt Friesland in een Nederlandse context vooral de aanduiding voor de huidige provincie Friesland. Dit lemma volgt die geschiedenis.

Prehistorie Van ongeveer 400 tot 200 voor Chr. begon langzamerhand een protofriese cultuur te ontstaan die rond het begin van de jaartelling door de Romeinen Frisii werden genoemd.

Frisii en de Romeinen

Toen de Romeinen naar de Lage Landen kwamen woonden de Frisii langs de Waddenzee, met de Eems als oostelijke grens van hun gebied. De Romeinen dachten de Frisii snel te kunnen onderwerpen maar dit bleek een misrekening. De Frisii waren een Germaans volk en net als verscheidene andere Germaanse volkeren wisten ze zich fel te verdedigen tegen de Romeinen. Toch moesten de Frisii zich in het jaar 12 v.Chr. onderwerpen doordat veldheer Nero Claudius Drusus hen wist te verslaan. Vanaf dat moment moesten de Frisii belasting betalen, in de vorm van runderhuiden,, Geschiedenis van Nederland, van prehistorie tot heden (Baarn 2008) 21. en manschappen leveren voor het leger.

Tijdens de veldtochten van Germanicus in 15 en 16 bouwden de Romeinen het castellum Flevum (bij het huidige Velsen) dat onder andere een veilige doortocht over het Vlie moest garanderen.

In 28 kwamen de Frisii, geholpen door Bataven en Cananefaten, in opstand tegen de Romeinen. Volgens de Romein Tacitus begon deze opstand nadat Olennius de maat van de huiden had veranderd tot die van een wild rund (oeros). Aan deze eis konden de Frisii niet voldoen aangezien hun koeien tamelijk klein waren. Om toch aan de voorwaarden te kunnen voldoen werden kinderen van de Frisii verkocht. De Frisii en hun bondgenoten kruisigden een aantal belastinginners en brachten 1300 Romeinen om het leven. Nadat ze in 47 opnieuw waren onderworpen, namen de Frisii tussen 69 en 70 deel aan de mislukte Bataafse Opstand.

Na de Bataafse Opstand raakte Nederland verdeeld in vier zones. Het zuiden werd geromaniseerd, de Keltische taal werd verdrongen door het Latijn. Een tweede gebied was het gebied rond de rivieren. De lokale bevolking handelde met de Romeinen en leverde soldaten, voedsel, etc. voor het leger. Hier slopen Latijnse leenwoorden het Germaans binnen. Het derde gebied lag ten noorden van de rivieren en werd ontvolkt gehouden. Het vierde gebied was Nederland boven het ontvolkte gebied. Daar woonden vrije Germanen zoals Cananefaten en Friezen. Hier was de Romeinse invloed op de Germaanse taal betrekkelijk gering.

Verwarring tussen Frisii en de Friezen

Er wordt weleens gedacht dat de huidige inwoners van Friesland direct voortkomen uit de Frisii van de oudheid. De term Friezen duidt echter niet zozeer op de oude Frisii uit de Romeinse tijd maar is slechts de verzamelnaam voor Angelen, Saksen en andere Germaanse stammen die rond 400 na Christus het zeer dunbevolkte gebied ten Noorden van de Rijn bevolkten. Mogelijk vermengden deze stammen zich met een kleine groep achtergebleven Frisii. In dezelfde tijd werden door dezelfde stammen de Britse eilanden bestookt.

Lange tijd werd aangenomen dat er tussen de Romeinen en de Friezen een intensief contact zou zijn geweest, dat geleid zou hebben tot een vergaande romanisering van de vrije Germanen die ten Noorden van de Rijn leefden. De vele Romeinse munten die gevonden zijn in Friesland waren de aanleiding voor deze theorie. Recent archeologisch onderzoek, zoals de opgraving van de Tjitsma-terp in Wijnaldum in 1991, heeft deze Romaniseringsgedachte sterk ter discussie gesteld. Vrijwel alle Romeinse munten die in Friesland gevonden zijn bleken in de vroege middeleeuwen geïmporteerd te zijn. Hetzelfde gold ook voor andere Romeinse artefacten. Ook kwamen ze zelden uit het Romeinse gebied waar de Friezen handel mee gedreven zouden hebben (de Nederlandse Rijnstreek). De weinige 'echte' sporen van romanisering stammen alle uit de korte periode (de eerste vijftig jaar van onze jaartelling) dat Rome Germania wilde inlijven.

De sporen van Friese handel uit de Oudheid die wel gevonden zijn, wijzen op een Noordelijke oriëntatie.

In de vierde eeuw nam het aantal Frisii dermate dramatisch af, dat rond 400 het gebied praktisch onbewoond was. Germaanse stammen uit het Noorden, vermoedelijk Angelen, Saksen, en Juten, bevolkten het gebied en werden bekend onder de naam van hun voorgangers. Mogelijk kwam dit doordat er in het Frankische gebied een elite van Frisii geweest is die tijdens de herkolonisatie terugkeerde en een belangrijke rol vervulde bij het ontstaan van de latere Friese rijken. Bij Germaanse stammen uit die periode was het de gewoonte dat de naam van de politiek leidende laag gekoppeld was aan die van de stam.

Vanaf dat moment bestond er een duidelijk verband tussen de Angelsaksische immigratie van Brittannië (met name Koninkrijk Kent) en Friesland, zoals de gevonden gouden voorwerpen uit deze periode (Koninkrijk Sussex, Wieuwerd, Wijnaldum) aantoonden. Over deze periode bestaat slechts één bron, de Beowulf, die ondanks al haar onzekerheden en onwaarschijnlijkheden, in overeenstemming is met het archeologische bewijs.

Vroege middeleeuwen

Bij het optekenen van de Lex Frisionum rond 790 strekte Friesland zich uit van het Sincfala, gewoonlijk geïdentificeerd als het Zwin aan de kust in België, tot aan de rivier de Wezer in Duitsland. Friesland had geen hoofdstad en bestond voornamelijk uit kleine dorpen met boerderijen. Wel bekend is Dorestad, dat uit een twintigtal grote opslagboerderijen bestond met daarlangs een rivier waar veel handel werd gedreven. Het was een belangrijke doorvoerhaven in Magna Frisia, het Friese rijk. Door verzanding en plunderingen door de Vikingen verviel deze stad echter.

Over Frieslands organisatievorm is weinig met zekerheid bekend. De eerste melding van een Koning der Friezen was Finn Folcwalding uit het begin van de 6de eeuw. Hij wordt alleen genoemd in Anglo-Saksische epische gedichten (Widsith, Beowulf en het Finnburgfragment), die zo’n drie tot vier eeuwen later zijn geschreven. Uit de 7e en 8e eeuw zijn enkele 'koningen' bekend: Audulf, Aldgillis en Radbod, die vooral macht lijken te hebben gehad over de Friese legertroepen. In 719 veroverden de Franken na eerdere schermutselingen Friesland ten westen van het Vlie, West-Frisia. In 733 of 734 volgde onder leiding van Karel Martel de verovering van het gebied tussen Vlie en Lauwers. Het Friese leger onder leiding van Poppo werd toen verslagen bij de Slag aan de Boorne. Aan het eind van de 8e eeuw veroverde Karel de Grote Friesland ten oosten van de Lauwers en de naastgelegen Saksische gebieden.

Friesland had oorspronkelijk een Oudgermaanse heidense religie met Wodan/Odin, Donar/Thor en Tiwaz/Tyr als de belangrijkste goden. Bonifatius probeerde de Friezen tussen Vlie en Lauwers tot het christendom te bekeren, maar werd in 754 bij Dokkum gedood, wat mede aanleiding was tot zijn heiligverklaring. Na de definitieve veroveringen door Karel de Grote werd het christendom onder Frankische druk in heel Friesland ingevoerd.

Hoge middeleeuwen

Na de dood van Karel de Grote viel het Frankische Rijk uiteen, wat de stabiliteit niet ten goede kwam. Hier maakten de Vikingen gebruik van. Het Friese Dorestad werd vaak geplunderd en de Vikingen ontvoerden vrouwen en kinderen om ze elders als slaaf te verkopen.

De eerste aanval op de stad vond plaats in 834; de laatste in 863. De Frankische vorsten stonden machteloos tegenover deze invallen en probeerden de Vikingleiders aan zich te binden door hen grote gebieden in leen te geven.

De Noorman Rorik heeft bijvoorbeeld dertig jaar lang op het eiland Wieringen gewoond. Rorik was dusdanig belangrijk dat Karel de Kale hem in 870 in Nijmegen ontving. In 1996 is op Wieringen een zilverschat gevonden die van Rorik afkomstig zou kunnen zijn.

Rorik en andere Noordse leenmannen van de Franken konden de invallen van hun landgenoten echter niet voorkomen. In 873 lukte het de inwoners van Oostergo om Rodulf en zijn Vikingen te doden. De Vikingen kwamen in 879 terug en bezetten onder leiding van Godfried de Noorman een groot gedeelte van het huidige Nederland. Hij werd in 885 vermoord, waarbij graaf Gerulf een belangrijk aandeel had en die daarmee de Friezen bevrijdde van de Vikingen en stamvader werd van het Hollandse huis. De laatste invallen van de Noormannen vonden plaats in 1006 (Tiel) en 1007 (Utrecht).

In de 10e eeuw begon langzamerhand het Oudfries te ontstaan.

In het jaar 1006 ontstond het Graafschap Midden-Friesland onder leiding van de Brunonen. Keizer Hendrik IV droeg dit gebied in 1088 over aan de bisschop van Utrecht, tot onvrede van graaf Egbert II van Meißen, die tegen keizer Hendrik IV (zijn neef) in opstand kwam. Na Egberts dood in 1090 volgde Hendrik van Northeim hem op als graaf van Midden-Friesland, maar hij werd op 10 april 1101 vermoord door Friezen onder leiding van de bisschop van Utrecht. Hiermee begon de periode van Friese vrijheid, waarin de Friezen zichzelf min of meer zelfstandig bestuurden, ondanks aanspraken van Holland en Utrecht op het gebied, dat zij echter niet onder hun gezag konden krijgen.

Late middeleeuwen thumb| Zegel van de Upstalboom De periode 1200–1500 staat in de Friese geschiedenis vooral bekend als de periode van de Friese Vrijheid. In latere tijden zal die vrijheid iets mythisch krijgen, de vrijheid was de Friezen geschonken door Karel de Grote uit dankbaarheid voor hun inzet voor de strijd van Karel in Rome. Dit zogenaamde Karelsprivilege wordt overigens al in deze tijd genoemd in een van de oudste Friese rechtsteksten: het Hunsingoër Landrecht.

Kern van de Friese Vrijheid is het ontbreken van een landsheer. Voor hun bestuur en rechtspraak zijn de Friezen op zichzelf aangewezen. Er zijn wel 'Heren' die aanspraak maken op de Friese landen, maar geen van hen slaagt erin die aanspraken te verzilveren. Het gevolg is dat Friesland nauwelijks een centraal bestuur kent. Bestuur, en dat omvat in deze periode ook rechtspraak vindt plaats op lokaal niveau, waar de vrije boeren bij toerbeurt als redger optreden. Er is wel enig streven om gezamenlijk, met alle zeven Friese Zeelanden, tot een vorm van centraal bestuur te komen bij de Upstalboom, maar enig blijvend resultaat levert dat niet op.

Friesland blijft een landstreek waar slechts op lokaal niveau bestuurd wordt, wat aan lokale hoofdelingen de kans biedt om hun lokale macht steeds verder uit te breiden. Naast de hoofdelingen zijn het met name de kloosters die de Friese maatschappij in deze periode domineren. De Friese steden, althans de steden in het huidige Friesland, hebben niet de macht om een dominante rol te spelen. Slechts Groningen en in mindere mate Emden, spelen een rol van betekenis.

Kloosters

De overgang tussen Hoge Middeleeuwen en Late Middeleeuwen is in Friesland een periode waarin een groot aantal kloosters wordt gesticht. Zowel in het huidige Friesland als in de Ommelanden groeien kloosters als Klaarkamp en Aduard uit tot de grootste landbezitters. In Mariëngaarde en Wittewierum worden in de 13e eeuw kronieken geschreven die onze belangrijkste bronnen zijn voor de geschiedenis van deze periode.

De abten van de belangrijkste kloosters spelen niet alleen een rol in hun klooster, maar zijn ook politiek belangrijke figuren in het Friesland van de Friese vrijheid. In meerdere verdragen zijn het de abten van Klaarkamp (bij Rinsumageest), Aduard of Gerkesklooster die genoemd worden als arbiter, als schepper van het zijlvest of als partij bij een verdrag. Meerdere kloosters hebben eigen schepen waarmee handel wordt gedreven op steden als Hamburg en Brugge. Eilanden zoals Schiermonnikoog, Marken en Bosch zijn eigendom van de belangrijkste kloosters.

Kruistochten