thumb|400px|right|De lidstaten van de Europese Unie sinds de oprichting in 1957. Dit artikel behandelt de geschiedenis van de Europese Unie vanaf haar eerste kiemen in de achttiende eeuw tot aan de huidige situatie. Dit artikel is opgedeeld in een verhalend en een chronologisch gedeelte.

Voorgeschiedenis Tot de 18e eeuw thumb|Na twee Wereldoorlogen, was er een politiek klimaat voor Europese integratie, die de vrede zou kunnen behouden (bombardementen van Hamburg in 1943) Doorheen de gehele geschiedenis van Europa zijn er momenten geweest dat een Europese macht heeft geprobeerd de controle over heel Europa te krijgen. Het Romeinse Rijk was er een van de eerste voorbeelden van.

Immanuel Kant (1724-1804) stelde in Zum ewigen Frieden (“Naar eeuwige vrede”) een federatie van vrije republieken voor als garantie voor vrede in Europa. Zijn denkbeelden inspireerden veel latere denkers.

19e eeuw Na het Congres van Wenen in 1815, volgend op de val van Napoleon streefden de Europese leiders, zo niet naar Europese integratie, dan toch naar een duurzaam machtsevenwicht in Europa.

In de negentiende eeuw kwamen er meerdere vredelievende ideeën over een verenigd Europa tot stand, waarin individuele lidstaten op gelijkwaardige basis konden samenwerken:

De Italiaanse nationalist Giuseppe Mazzini (1805-1872) pleitte voor een "Verenigde Staten van Europa", als een federatie van vrije naties.

Tijdens het Internationaal Vredescongres in Parijs (1849) stelde congresvoorzitter Victor Hugo een "Verenigde Staten van Europa" voor, om de vrede in Europa te vrijwaren. Eind 19e eeuw vonden er nog meer vredescongressen plaats, waaronder de Vredesconferenties van Den Haag in 1899 en 1907. Het ging er over internationale arbitrage, ontwapening en samenwerking, vroege tekenen van georganiseerde samenwerking.

In Midden-Europa bestond sinds 1834 de Deutscher Zollverein, een douane-unie van Duitse staten onder leiding van Pruisen. De unie was weliswaar niet pan-Europees, maar demonstreerde wel een vorm van economische samenwerking over de (toenmalige) grenzen heen.

20e eeuw (tot 1945) De jaren 1920 In de periode van wederopbouw na de Eerste Wereldoorlog, waarin Europa zich geflankeerd zag door de opkomende Verenigde Staten en Sovjet-Unie, oogstte de Oostenrijks-Hongaarse graaf Richard Coudenhove-Kalergi veel succes met zijn boek "Pan-Europa" en hij richtte in 1923 de eerste Europese Eenheidsbeweging op (onder dezelfde naam als zijn boek). Gedurende de jaren 1920 nam zijn navolging gestaag toe, uitmondend in een toespraak van de Franse minister van Buitenlandse Zaken Aristide Briand (daarvoor premier geweest) bij de Volkerenbond in 1929. In de jaren 1930 echter werd het enthousiasme van de Europese Beweging al snel terzijde geschoven door het opkomend fascisme en nationaalsocialisme.

Een heropleving volgde in 1941 met een manifest van de Italiaan Altiero Spinelli die – na een kort verblijf in de cellen van Mussolini – in Zwitserland een Europees Congres oprichtte. Hetzelfde enthousiasme maakte zich in die jaren meester van Winston Churchill, die in 1946 opriep tot een "United States of Europe" – waarmee hij echter veel minder bedoelde dan Spinelli. Deze tweedeling tussen federalisme en supranationalisme bestaat nog altijd en was er ook de aanleiding toe dat het Verenigd Koninkrijk niet tot de eerste lidstaten van de Unie behoort. In plaats daarvan richtte het Verenigd Koninkrijk eerst de Europese Vrijhandelsassociatie op.

Derde Rijk (1933-1945)

In het Derde Rijk (1933-1945) werden concrete plannen gemaakt voor Europese economische samenwerking onder Duitse hegemonie. Dit “Funkplan” omvatte een vaste en stabiele wisselkoers, en de afwikkeling van de intra-Europese handel met behulp van een clearingsysteem dat binnenlandse exporten en importen zou verrekenen tegen vaste prijzen voor de afzonderlijke goederen. Elementen uit het plan werden later door de Britse econoom John Maynard Keynes namens het Verenigd Koninkrijk voorgesteld op de Conferentie van Bretton Woods in juli 1944, maar het werd niet geaccepteerd.

Naast Funk ontwikkelden andere Nazi-economen zoals Alexander Dolezalek (1914-1999) en Werner Daitz (1884-1945) plannen voor meer Europese integratie onder Duits gezag.

20e eeuw (na 1945) Wederopbouw en eerste kiemen (1944-1957) thumb|150px|De EGKS

De echte geboorte van de huidige Europese Unie ligt echter een aantal jaren later en bij een Fransman, Jean Monnet, nog altijd bekend als de grootvader van de Europese Unie. In 1944 liet deze zich in een interview met Fortune al uit over het Duitse probleem van potentiële herbewapening dat mogelijk opgelost kon worden door de kolen- en ijzermijnen van het Ruhrgebied onder Europees gezag te brengen.Monnet would like to see Germany shocked and stripped of part of her industrial potential, with possibly the great Rhine coal and iron fields run by a European authority for the benefit of all participating nations, including eventually a demilitarized Germany. But this in turn implies a Europe far more unified than before the war. Here he would like to see not merely a “switchboard” association, but a true yielding of sovereignty by European nations to some kind of central union - a union that could cut down tariffs, create a great internal European market and prevent that race of nationalism “which is the curse of the modern world”. But where to begin? And how far to go? And could England be brought in? (1944): 'M. Jean Monnet of Cognac' in Fortune, Volume XXX, No. 30, p. 121-216 In de jaren direct na de Tweede Wereldoorlog had hij als topambtenaar bij het Franse ministerie van Binnenlandse Zaken de leiding over het Franse moderniseringsplan. Hij kwam snel tot het inzicht dat wat Frankrijk nodig had een langere periode van rust en stabiliteit was. Dit inzicht, in combinatie met het feit dat de meeste Europese oorlogen sinds de opsplitsing van het Rijk van Karel de Grote, gevoerd waren om het grensgebied tussen Frankrijk en Duitsland (Elzas-Lotharingen), spoorde hem aan tot het doen van een revolutionair voorstel: een samenwerking met Duitsland om de middelen van het grensgebied (kolen en ijzererts) te delen.

Monnet deed zijn voorstel aan de Franse premier René Pleven, die er niet op inging. De Franse minister van Buitenlandse Zaken Robert Schuman echter was wel geïnteresseerd en zo ook de Duitse bondskanselier Konrad Adenauer, zodat Monnet, Schuman en Adenauer op 9 mei 1950 in een toespraak het zogenaamde Schumanplan presenteerden.

Op 18 april 1951 werd als gevolg van de toespraak het Verdrag van Parijs getekend door België, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland en West-Duitsland. De Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal die hierbij opgericht werd kwam tot stand op 23 juli 1952.

Voortzetting van het proces (1957-1999) Op 25 maart 1957 werd het Verdrag van Rome ondertekend door dezelfde landen. Dit nieuwe verdrag richtte de Euratom en de Europese Economische Gemeenschap op, en betekende een verdere integratie op Europees niveau. De Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal bleef naast deze organisaties bestaan.

Op 1 juli 1967 werden door de inwerkingtreding van het Fusieverdrag, dat gesloten was op 8 april 1965, de drie organisaties feitelijk samengevoegd, waarna ze verder werkten onder naam Europese Gemeenschappen (EG). Officieel bleven de drie organisaties echter bestaan.

Verdere integratie kwam tot stand met de komst van de Europese akte (1986) en het Verdrag van Maastricht (1992). Bij het laatste verdrag werden de bevoegdheden van de Europese Economische Gemeenschap vergroot naar een groot aantal beleidsterreinen. Door al deze extra bevoegdheden was de bepaling "Economische" niet langer ladingdekkend en werd de naam gewijzigd in Europese Gemeenschap. De Europese Gemeenschappen (meervoud) bestond vanaf dat moment uit de Europese Gemeenschap (enkelvoud), Euratom en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. Het belangrijkste aan het Verdrag van Maastricht was echter de oprichting van de Europese Unie als overkoepelende organisatie boven de Europese Gemeenschappen, die in de EU de eerste pijler vormde, en de nieuwe pijlers Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (tweede pijler) en Justitie en Binnenlandse Zaken (derde pijler).

In 5 landen van de Europese Gemeenschappen (België, Nederland, Luxemburg, Duitsland en Frankrijk) gingen op 1 januari 1993 de Verdragen van Schengen in, wat betekende dat de controles aan de grenzen tussen deze lidstaten afgeschaft werden.

Tijdens het sluiten van het Verdrag van Amsterdam op 2 oktober 1997 (in werking sinds 1 mei 1999) werd besloten de West-Europese Unie en de Verdragen van Schengen te integreren in de Europese Unie en werden onderdelen uit de derde pijler naar de eerste pijler verhuisd. De derde pijler werd hierdoor hernoemd naar Politiële en Justitiële Samenwerking in Strafzaken. Tevens kreeg de tweede pijler met de sluiting van dit Verdrag een "hoge vertegenwoordiger" die tegelijkertijd ook secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie (een functie die gecreëerd werd om meer continuïteit te geven tussen de voorzitterschappen die halfjaarlijks wisselden tussen de lidstaten). Sinds 1999 (en tot 2009) bekleedde Javier Solana deze functie als eerste.

21e eeuw Uitbreiding Het Verdrag van Nice, gesloten op 26 februari 2001, in werking sinds 1 februari 2003, maakte de Unie gereed voor de grote uitbreiding van mei 2004. De pretenties van dit verdrag om de Unie volledig te herstructureren werden door onderlinge strijd tenietgedaan. Besloten werd een Europese Conventie in te stellen die een Europese Grondwet moest formuleren. Het voorstel van de conventie kwam in 2003 gereed, waarna in de intergouvernementele conferentie van 29 oktober 2004 een grondwettelijk verdrag tussen de lidstaten werd gesloten. Na de afwijzing van de grondwet in Nederland en Frankrijk werd het grondwettelijk verdrag verworpen.

In plaats daarvan werd op 13 december 2007 het Verdrag van Lissabon getekend. Het trad in werking op 1 december 2009. De belangrijkste wijzigingen in het Verdrag van Lissabon zijn de afschaffing van de Europese pijlerstructuur, het toegenomen belang van het stemmen via gekwalificeerde meerderheid in de Europese Raad, een grotere rol voor het Europees Parlement en de introductie van een voorzitter van de Europese Raad en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid. Ook het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie wordt rechtskrachtig.

In de loop der jaren werd de Unie gestaag uitgebreid met Denemarken, Ierland, het Verenigd Koninkrijk (tot 31 januari 2020), Griekenland, Portugal, Spanje, het grondgebied van de voormalige DDR (via de Duitse hereniging), Finland, Oostenrijk, Zweden, Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije, Tsjechië, Bulgarije, Roemenië en Kroatië.

In de toekomst staan uitbreidingen met Turkije (kandidaat-lid), Noord-Macedonië (kandidaat-lid), IJsland (kandidaat-lid), Montenegro (kandidaat-lid) en Servië (kandidaat-lid) op het programma. Albanië (lidmaatschap aangevraagd), Bosnië-Herzegovina en Kosovo worden door de EU erkend als potentiële lidstaten. Na het toetreden van Roemenië en Bulgarije tot de Europese Unie, op 1 januari 2007, reikt de Europese Unie van de Atlantische Oceaan tot de Zwarte Zee.

Europese Veiligheidsraad In september 2026 riep commissievoorzitter Von der Leyen op tot oprichten van een Europese Veiligheidsraad. De EU zou samen met landen als Canada, het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen en Oekraïne lid moeten worden van die nieuw op te richten Veiligheidsraad. Vredesactivisten stelden echter dat Europa nood heeft aan een bredere veiligheidsstrategie dan alleen defensie, met diplomatieke inspanningen voor de-escalatie, wapenbeheersing en conflictpreventie. In dat verband werd verwezen naar de Harmeldoctrine tijdens de Koude Oorlog in de tweede helft van de 20e eeuw.

Hervormingen