Carnotaurus is een geslacht van grote uitgestorven vleesetende theropode dinosauriërs, behorend tot de Neoceratosauria, dat tijdens het Laat-Krijt, zo'n zeventig miljoen jaar geleden, leefde in het gebied van het huidige Argentinië.
Het fossiel van Carnotaurus werd in 1984 gevonden in Patagonië. Het geslacht kreeg in 1985 zijn naam die zoiets als 'vleesetende stier' betekent, toen de typesoort Carnotaurus sastrei benoemd werd. Verder zijn geen botten meer opgegraven van deze soort. Het enige bekende skelet is echter uitzonderlijk volledig. Daarbij hebben grote delen van het lichaam huidafdrukken achtergelaten in het gesteente, meer dan van enige andere grote theropode bekend zijn. Daardoor kregen de wetenschappers toch een goed beeld van de bouw van het dier. Bij het skelet ontbraken wel de uiteinden van de staart en de onderbenen. Dat maakte het onduidelijk hoe lang en stevig gebouwd het dier precies was.
Eerst dachten de geleerden dat Carnotaurus ruim acht meter lang was maar toch lichtgebouwd, één tot anderhalve ton zwaar. Hij zou erg lange achterpoten gehad hebben. Later werden er meer nauwe verwanten van Carnotaurus gevonden. Die hadden een meer gedrongen staart en vrij korte stevige achterpoten. Daarom denken sommige onderzoekers dat Carnotaurus niet langer was dan zevenenhalve meter maar wel ruim twee ton zwaar. De voorpoten waren heel kort met stijve ellebogen en stompjes als vingers. Het dier liep dus op zijn achterpoten. De schedel was kort en hoog. Boven de ogen staken twee grote hoorns recht naar bezijden uit. Hiernaar is het dier vernoemd. Zulke hoorns zijn verder uit het dierenrijk niet bekend. De onderkaken waren juist erg laag. De tanden waren recht en kort. De nek was zeer stevig gebouwd met krachtige spieren. Hetzelfde gold voor de basis van de staart. Speciale sikkelvormige uitsteeksels aan de zijkanten van de wervels maakten van de voorste staart een stijf geheel. De afdrukken laten zien dat het dier bedekt was met een patroon van grote platte ronde schubben. Die werden weer omgeven door veel kleinere bolle ronde schubjes. Er is geen spoor van veren zoals de fossielen van andere theropoden soms wel bewaard hebben.
In 1985 werd Carnotaurus gezien als een van de vreemdste dinosauriërs die ooit ontdekt waren. Het was de geleerden een raadsel waar al die eigenaardige en soms tegenstrijdige kenmerken voor dienden. De hoorns zouden pronkorganen kunnen zijn geweest om indruk te maken op soortgenoten maar daar waren ze eigenlijk te zwaar voor gebouwd. Onderzoek wees uit dat ze dodelijke klappen konden uitdelen dus waren ze ook niet geschikt voor een ritueel gevecht tussen mannetjes. Misschien konden er prooien mee worden gedood. Dat moet mede de taak geweest zijn van de kop maar over de jachtwijze bestaat geen overeenstemming. Eerst meende men dat Carnotaurus een lichtvoetige achtervolger van kleine dieren was. De onderkaak zou zo laag geweest zijn om hem snel dicht te kunnen slaan om deze te grijpen. Later opperde men dat Carnotaurus juist enorme Sauropoda aanviel. Voortgedreven door de sterke staart zou het dier met hoge snelheid zijn opengesperde muil in de flanken van de langnekkige planteneters gedreven hebben om er met een rukkende beweging van zijn gespierde nek er een homp vlees uit te scheuren.
Carnotaurus behoort tot de Abelisauridae en is nauw verwant aan Aucasaurus. Hij is een van de meest in bouw afwijkende leden van die groep en heeft een belangrijke rol gespeeld in het onderkennen dat de abelisauriden een sterk gespecialiseerde tak binnen de Theropoda vormen.
Vondst en naamgeving thumb|upright=0.5|Bonaparte In 1984 vond José Fernando Bonaparte op de Estancia Pocho Sastre nabij Bajada Moreno in de provincie Chubut, tijdens de 8th Paleontological Expedition of the Jurassic and Cretaceous Terrestrial Vertebrates of South America Project gefinancierd door de National Geographic Society, in een enorme concretie ofwel knol van hematiet het skelet van een grote theropode. Het fossiel werd in twee hoofdsessies geborgen. De connectie met de Verenigde Staten van Amerika leidde ertoe dat paleoartist Stephen Czerkas bij de tweede opgraving aanwezig was omdat men al begrepen had dat het fossiel uitzonderlijk gaaf bewaard was gebleven als een soort 'dinosauriërmummie' en unieke informatie zou verschaffen over het uiterlijk van het levende dier, dat de kunstenaar dan weer kon vastleggen.
Al in 1985 werd de vondst door Bonaparte benoemd en beschreven als de typesoort Carnotaurus sastrei. De geslachtsnaam is een combinatie van het Latijn caro of carnis, 'vlees' en taurus, 'stier', en verwijst zowel naar de levenswijze als carnivoor als naar het bezit van twee hoorns boven de ogen, als bij een stier. De soortaanduiding eert Angel Sastre, op wiens rancho het fossiel gevonden werd. De vindplaats werd aangeduid als de Estancia Pocho Sastre maar 'Pocho Sastre' was Angels zoon Anselmo Sastre.
Het holotype MACN-CH 894 is gevonden in een laag van de onderste La Colonia-formatie die naar huidige inzichten dateert uit het Campanien-Maastrichtien, rond de zeventig miljoen jaar geleden. In 1985 echter meende men dat de rots stamde uit de Gorro Frigio-formatie daterend uit het Albien-Cenomanien, een dertig miljoen jaar ouder, iets wat een geheel andere interpretatie gaf aan de evolutionaire positie van de soort. Het holotype bestaat uit een vrijwel volledig in verband liggend skelet met schedel en onderkaken. De wervelkolom houdt echter op bij de vijfde en zesde staartwervel waarvan alleen de wervelbogen bewaard zijn; van de naar schatting twaalfde staartwervel is nog het wervellichaam over. Daarbij ontbreken de onderkant van de onderbenen en de voeten. Deze skeletdelen zijn verloren gegaan door erosie. De schedel is wat vervormd door zijdelingse samendrukking. Het skelet lag op de rechterzijde met de kop naar achteren getrokken in een typische death pose. Rond het skelet zijn aan de rechterzijde uitgebreide huidafdrukken aanwezig, de meest complete die van een geschubde theropode bekend zijn. Pas in een proces van jaren konden die blootgelegd en geprepareerd worden vanwege het keiharde hematiet, een ijzererts. In 1985 was Carnotaurus pas de tweede abelisauride die ontdekt werd en de meest volledig bekende basale theropode uit het Zuidelijk Halfrond. Het specimen vertegenwoordigt een volwassen individu en maakt deel uit van de collectie van het Museo Argentino de Ciencias Naturales "Bernardino Rivadavia".
De eerste beschrijving uit 1985 was minimaal en betrof in wezen alleen schedel en onderkaken, de delen die het eerst vrijgelegd werden. Wegens het grote belang van de vondst zijn er daarna verschillende aanvullende studies aan gewijd. In 1990 werd het skelet in detail beschreven waarbij informatie verwerkt werd uit een dissertatie van Fernando Emilio Novas uit 1989. Verdere publicaties zijn gewijd aan de nek, de voorpoot in het algemeen, de structuur van de hand in het bijzonder, de hersenpan en de musculatuur van de staart. In 2020 werd de schedel opnieuw beschreven. In 2021 werden de huidafdrukken beschreven.
Beschrijving: een vreemde theropode Grootte, algemene bouw en onderscheidende kenmerken thumb|Een vergelijking in grootte met een mens De lichaamslengte van Carnotaurus is in 1998 door Gerardo Mazzetta geschat op 811 centimeter, het gewicht op anderhalve ton. Het volume was berekend door het skelet in te passen in eenvoudige geometrische vormen en men ging uit van een soortelijk gewicht van één. In 2010 schatte Gregory S. Paul de lengte wat lager in op zevenenhalve meter, rekening houdend met de kortere abelisauride staart waarop het skelet van Aucasaurus wijst, maar het gewicht hoger, op twee ton. Naar deze twee gewichtsschattingen wordt het meest verwezen.
Gepubliceerde schattingen van het gewicht variëren van 1000 tot 2102 kilogram. Paul schatte in 1988 het gewicht voorlopig op één ton vanuit de indruk die zijn vriend Czerkas over de omvang van het dier gekregen had. In de beschrijving van 1990 kwam een gewicht van 1350 kilogram voor. Het bleek gesuggereerd te zijn door de Canadese paleontoloog Dale Alan Russell die een methode ontwikkeld had om op basis van de omtrek van het dijbeen de massa van dinosauriërs te bepalen. Het hoge gewicht van 2102 kilogram werd in 2004 geschat door Mazzetta. Het was een gemiddelde gebaseerd op een aantal regressievergelijkingen. De bekende maten van de botten werden geplot op grafieken die het gewicht van vele theropoden afzetten tegen de dimensies van hun beenderen. Daar kwamen heel verschillende resultaten uit. De lengte van het dijbeen wees op een gewicht van 2626 kilogram. Nam men de diameter overdwars van hetzelfde dijbeen dan was de uitkomst 1488 kilogram. Het middelen van acht van zulke vergelijkingen leverde de 2102 kilogram op, in publicaties vaak afgerond tot 2,1 ton. In 2019 kwam men tot een schatting van 1419 kilogram uitgaande van de minimumomtrek van het dijbeen, 325 millimeter. Tegelijkertijd paste men de methode van Nicolás Campione toe, waarbij de omtrek geplot wordt op een grafiek van vele diergroepen en daarna gecorrigeerd voor het feit dat Carnotaurus een tweevoeter was, wat een gewicht van 1743 kilogram opleverde.
Carnotaurus was een ongebruikelijke theropode. Zijn schedel was erg hoog en kort, en boven de oogkassen zaten bulten waar toen het dier leefde hoorns moeten hebben gezeten. De functie hiervan is onbekend; mogelijk gebruikten mannetjes ze in onderlinge gevechten of werden ze gebruikt om vrouwelijke partners aan te trekken. Er is ook gespeculeerd dat ze gebruikt werden om prooien te rammen en zo te verwonden. Verder had hij bijzonder korte voorpoten met vier vingers die deden denken aan die van Tyrannosaurus en diens verwanten, hoewel de reductie hier nog extremer is. Deze degeneratie tot een rudimentair orgaan suggereert dat de armen iedere functie hadden verloren.
In 1990 was het eenvoudig vele onderscheidende kenmerken aan te geven. Dat kwam doordat er niet veel verwanten van Carnotaurus bekend waren, alleen Abelisaurus waarvan slechts een fragmentarische schedel opgegraven was. Sindsdien zijn er echter verschillende abelisauride soorten beschreven. De eigenschappen die in 1990 nog uniek leken, bleken alle gedeeld te worden met andere soorten. Vrijwel zeker zou een modernere beschrijving alsnog in staat zijn autapomorfieën aan te geven, maar zulk een formele descriptie ontbreekt voorlopig. Fernando Emilio Novas deed in 2009 een poging in een boek over Zuid-Amerikaanse dinosauriërs. Afwijkend vond hij de grote hoorns, de geringe hoogte/lengte-verhouding van de schedel, een opperarmbeen en onderarmbeenderen die robuuster zijn, de halfronde in plaats van ovale kop van het opperarmbeen in bovenaanzicht en de platte onderkant van het opperarmbeen dat afgeronde gewrichtsknobbels mist. De studie van de hand uit 2011 suggereerde aanvullende autapomorfieën. Bij de tweede en derde vinger is het eerste kootje langer dan het overeenkomende middenhandsbeen. De derde vinger heeft slechts twee kootjes.
Skelet thumb|upright=1.7|Een diagram van het bewaarde skelet door Jaime Headden
Schedel De schedel heeft een lengte van 596 millimeter. De kop is sterk verkort. Dit resulteert in een hoge structuur met een grootste hoogte van 425 millimeter. De voorste schedelopeningen zijn nog eens extra hoog in de zijwand geplaatst: onder het neusgat, de fenestra antorbitalis en de oogkas bevindt zich zo een brede beenband. Een uitzondering is het onderste slaapvenster dat wel hoog is maar ook ver naar onderen doorloopt. In bovenaanzicht is de kop echter vooraan niet bijzonder breed maar loopt spits toe van een bredere achterkant uit. left|thumb|Een afgietsel van hoge kwaliteit van de schedel