Deinocheirus is een geslacht van uitgestorven theropode dinosauriërs, behorend tot de groep van de Tetanurae, dat tijdens het Laat-Krijt, zo'n zeventig miljoen jaar geleden, leefde in het gebied van het huidige Mongolië.

Het eerste fossiel van Deinocheirus werd gevonden in 1965. In 1970 kreeg het geslacht zijn naam die zoiets als 'gruwelijke hand' betekent, toen de typesoort Deinocheirus mirificus benoemd werd. Van het dier was lange tijd niet veel meer dan de armen en schoudergordel bekend. Deze zijn van een reusachtige omvang met een gecombineerde lengte van bijna vier meter zodat Deinocheirus een van de grootste theropoden geweest moet zijn. De wetenschappers zijn het er niet over eens hoe groot Deinocheirus precies was, wie zijn nauwste verwanten waren en wat zijn levenswijze was. Het dier was in ieder geval een hoog op de achterpoten staande tweevoeter met een lichaamslengte die niet lager gelegen zal hebben dan negen meter. De handen eindigden in enorme gekromde klauwen waarvan het doel onzeker is. Vaak wordt aangenomen dat Deinocheirus een lid of een nauwe verwant was van de Ornithomimosauria; in dat geval gaat het vermoedelijk om een planteneter.

De ware aard van Deinocheirus was een van de beroemdste mysteries binnen de paleontologie. Van 2013 af werden geleidelijk aanvullende details van de bouw van het dier bekend, gebaseerd op de vondst van nieuwe skeletten. Hieruit blijkt dat de kop langwerpig en tandeloos was. De snuit droeg een verbrede snavel, vermoedelijk om planten af te bijten. Deinocheirus stapte voort op stevige achterpoten waarbij de romp wat omhoog gericht was. De buik was breed om het voedsel te verteren, dat vermalen werd door maagstenen. Op de rug stond een hoge hoekige kam. De staart was kort en had wellicht aan het uiteinde een waaier van veren.

Ontdekking en naamgeving thumb|300px|Het originele gecompleteerde afgietsel geplaatst in een houding van pronatie die in feite onmogelijk is Op 9 juli 1965 werd tijdens een Pools-Mongoolse expeditie in de Gobiwoestijn van Ömnögovĭ door een team van professor Zofia Kielan-Jaworowska op een heuveltje in de Altan Oela III-vindplaats een fossiel gevonden van een grote theropode. De beenderen werden opgegraven op 9, 10 en 11 juli. De vondst werd in 1966 door haar gemeld. In 1970 werd op basis van het fossiel de typesoort Deinocheirus mirificus benoemd en beschreven door Halszka Osmólska en Ewa Roniewicz. De geslachtsnaam had de bedoelde betekenis van 'gruwelijke hand', een afleiding van het Klassiek Griekse δεινός, deinos, 'verschrikkelijk', en χείρ, cheir, 'hand'. De soortaanduiding mirificus betekent in het Latijn 'wonderlijk' maar was door de beschrijvers bedoeld als 'ongebruikelijk', 'vreemd', als verwijzing naar de uitzonderlijke bouw van het dier.

Het holotype heeft het inventarisnummer ZPal MgD-I/6. Het is gevonden in een zandsteenlaag van de Nemegtformatie die dateert uit het vroege Maastrichtien. Het bestaat uit een gedeeltelijk skelet zonder schedel. Het grootste deel van de beenderen, aan het oppervlak van de woestijn gelegen, was op het moment van de vondst vrij recentelijk weggeërodeerd. Wat overbleef, vertegenwoordigde de onderkant van de voorste romp inclusief beide armen behalve de klauwen van de rechterhand, de complete schoudergordel, vier of vijf rechterribben, één of twee linkerribben, talrijke stukken buikrib, stukken van drie ruggenwervels, twee ceratobranchialia en verder nog wat niet te identificeren botfragmenten. Het geheel lag, zij het niet meer in verband, dicht opeen op een stuk grond van vijf meter in het vierkant. Van de botten zijn mallen gemaakt; de afgietsels daarvan zijn vervolledigd door beschadigde stukken aan te vullen en daarvan zijn weer nieuwe afgietsels gemaakt die in verschillende instituten tentoongesteld zijn waaronder het American Museum of Natural History, het British Museum of Natural History, het Dinosaur Museum in Utah en het Naturhistorisk museum te Oslo.

In 2008 werd de oorspronkelijke vindplaats door Philip Currie en Michael Ryan gelokaliseerd en het lukte hun in het kader van het Korea-Mongolia International Dinosaur Project wat nieuwe botten te ontdekken. In 2012 werden die ten dele beschreven. Het bleek te gaan om honderden kleine fragmenten, grotendeels van de buikribben. Bijtsporen van Tarbosaurus toonden aan dat het skelet vermoedelijk kort na de dood van het dier verspreid was geraakt door roofdieren en aaseters.

In 2013 werd de vondst gemeld door een Koreaans-Mongools team van twee nieuwe skeletten, in 2006 en 2009. Deze zouden tot voor kort vrijwel gaaf geweest zijn maar werden, vermoedelijk ergens tussen 2002 en 2006, door illegale opgravers van veel elementen beroofd. Desalniettemin vullen ze het eerstgevonden skelet op vele punten aan. Het eerste nieuwe skelet, specimen MPC-D 100/128, werd gevonden op de Altan Oela IV-vindplaats, niet ver van het holotype. Het bestaat uit een reeks ruggenwervels en sacrale wervels, de darmbeenderen, de zitbeenderen en de achterpoten. Het betreft een onvolwassen dier met een lengte van ongeveer tweeënzeventig procent van het holotype. Het tweede nieuwe skelet werd op 16 augustus 2009 aangetroffen bij Boegin Tsav. Het gaat om een exemplaar, specimen MPC-D 100/127, dat nog iets groter is dan het holotype, met een opperarmlengte die zes procent hoger ligt. Het bestaat uit een reeks voorste ruggenwervels, een tweede reeks wervels van de achterkant van de rug af tot en met de voorste staart, een linkervoorpoot minus de hand, het bekken en de achterpoten minus de voeten. Alleen aan de voorpoot werd herkend dat het om Deinocheirus ging en kon zo ook MPC-D 100/128 geïdentificeerd worden. Het tweede exemplaar werd door de fossielenrovers van onder andere zijn hoofd en voeten ontdaan. Deze werden verkocht aan een onbekende heler in Japan. Die verkocht ze weer aan een anonieme verzamelaar in Duitsland. De Franse fossielenhandelaar François Escuillé verwierf het geroofde hoofd, de linkerhand en voeten in 2011 en doneerde deze aan het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen. Dit droeg ze op 1 mei 2014 over aan Mongoolse paleontologen; de Mongoolse staat is de rechtmatige eigenaar. Hetzelfde jaar werd op basis van de nieuwe vondsten een sterk uitgebreide beschrijving gepubliceerd.

Beschrijving Algemene bouw en grootte thumb|Deinocheirus als een reusachtige ornithomimosauriër met een standaardbouw in grootte vergeleken met een mens thumb|Een vergelijking gebaseerd op de gegevens van 2014 Bij Deinocheirus heeft vooral steeds de gigantische omvang de aandacht getrokken. De schoudergordel en de voorpoten zijn de grootste die van enige theropode, inclusief de vogels, bekend zijn, met uitzondering van de voorpoten van Therizinosaurus die het echter alleen winnen door de enorme lengte van hun klauwen. Een optelling van de elementen van de arm: 938 millimeter voor het opperarmbeen, 688 millimeter voor de ellepijp en 770 millimeter voor de hand gemeten over de langste tweede vinger, levert een totale lengte van 2396 millimeter op.

De reusachtige afmetingen riepen de vraag op hoe groot het dier als geheel dan wel niet geweest is. Dat kon alleen vastgesteld worden door de vondst te vergelijken met de botten van andere theropoden waarvan het hele skelet bekend is. Die verschillen onderling weer in belangrijke mate in hun proporties en reeds de beschrijvers worstelden met het probleem welke groep het beste als vergelijkingsmodel gebruikt kon worden. Veel theropoden hebben sterk gereduceerde voorste ledematen maar die konden evident niet goed ter vergelijking dienen want de voorpoten van Deinocheirus waren niet bepaald verkort. Bruikbare overeenkomsten zag men vooral in de groep van de Ornithomimosauria — waarbinnen de grootste bekende soort de zes meter lange en drie meter hoge Gallimimus is — waarvan de armen niet alleen lang waren maar ook in andere opzichten gelijkend. Aan de andere kant waren er toch ook weer verschillen. Zo had Deinocheirus een relatief langer schouderblad. Daarom stelde men Allosaurus, toen nog Antrodemus genoemd, voor als alternatief. Hoewel Allosaurus vrij forse armen bezat, zou een extrapolatie vanuit diens proporties voor Deinocheirus al een monsterlijke grootte opleveren: een theropode van twintig meter lengte en een rughoogte van zes meter. Hoewel sommige populair-wetenschappelijke boeken inderdaad dergelijke afmetingen aan Deinocheirus toeschreven, zouden de paleontologen kiezen voor het ornithomimosauriërmodel. Dat resulteerde nog steeds in een aanzienlijke absolute omvang: de beschrijvers meenden dat die gelijk was aan de grootste exemplaren van Tyrannosaurus, dus met een lengte van zo'n twaalf meter; Gregory S. Paul schatte in 1988 het gewicht op zes à twaalf ton uitgaande van een zware bouw voor ornithomimosauriërs, in 2010 vanuit een eleganter model de lichaamslengte op tien meter, het gewicht op twee ton; Michael Mortimer gaf tegelijkertijd schattingen van tien à dertien meter lengte en een gewicht van 2,4 tot 4,3 ton.

Datzelfde jaar publiceerden Philip Senter en James Robins een studie naar Deinocheirus — en de andere mysterieuze dinosauriër met lange klauwen: Therizinosaurus — waarin een geheel nieuwe benaderingswijze werd gekozen: niet de armlengte werd met de lichaamslengte vergeleken maar de lengte van het schouderblad met de heuphoogte. Deze verhouding bleek binnen de theropoden veel minder te variëren en leverde voor Deinocheirus een lengte van de achterpoot op die ergens tussen de 3323,14 en 3646,5 millimeter moest vallen. Daarmee zou Deinocheirus hoger zijn dan enig bekend volledig skelet van een andere theropode of tweevoetige dinosauriër überhaupt: de recordhouder Sue heeft 3224 millimeter lange benen. Sommige fragmentarische vondsten, zoals de grootste elementen die van Tyrannosaurus en Spinosaurus bekend zijn, duiden op een heuphoogte van drieënhalve meter zodat Deinocheirus dit zou evenaren of wellicht overtreffen. Daarbij komt nog dat bij deze methode geen rekening werd gehouden met de specifieke bouw van de ornithomimosauriërs die een lage voorste borstkas hebben en een kort schouderblad. Zou men aannemen dat Deinocheirus dezelfde proporties van de romp bezat zodat de voor een ornithomimosauriër ten opzichte van de schoudergordel relatief korte armen ook kort waren ten opzichte van de torso als geheel dan stijgt de heuphoogte naar vierenhalve meter. Opmerkelijk is dat de beschrijvers het voor zeker hielden dat de armen bij een horizontale romphouding de grond konden raken maar dat dit alleen bij de laagste schatting van Senter & Robins net mogelijk zou zijn.

Het in 2013 gemelde specimen MPC-D 100/127 heeft een linkeropperarmbeen dat 998 millimeter lang is. Dit individu is dus een vijf procent langer dan het holotype. Het werd geschat op een lengte van elf meter en een gewicht van 6358 kilogram, welke schatting door het nu voorhanden zijn van een groot deel van de wervelkolom een stuk beter gefundeerd is. De heuphoogte werd geschat op vier meter.

De nieuwe vondsten tonen een dier dat nog bizarder was dan werd aangenomen: het heeft een hoog hoekig zeil op de rug en zwaar gespierde achterpoten die beter ingericht zijn een groot gewicht te dragen dan om hard te rennen. De romp werd enigszins geheven gehouden. De rughoogte inclusief zeil is geschat op vijf meter. De middenvoetsbeenderen zijn niet arctometatarsaal. De staart is relatief kort met vergroeide achterste staartwervels die wijzen op een staartwaaier. Het mogelijk dat ook de armen veren droegen. De schedel is een kleine meter lang. Hij heeft een iets naar beneden gebogen bovenprofiel en is erg smal. Naar voren loopt de kop echter uit in een sterk verbrede, bijna recht afgesneden, tandeloze snuitpunt. De fenestra antorbitalis is plat en langwerpig. De onderkaken zijn zeer hoog

Onderscheidende kenmerken thumb|Een reconstructie gebaseerd op de nieuwe vondsten