Avimimus is een geslacht van uitgestorven theropode dinosauriërs, behorend tot de groep van de Maniraptora, dat tijdens het Laat-Krijt leefde in het gebied van het huidige Mongolië.

Het eerste fossiel van Avimimus werd in 1973 gevonden in de Gobiwoestijn. Het geslacht kreeg in 1981 zijn naam, die zoiets als 'vogelnabootser' betekent, toen in 1981 de typesoort Avimimus portentosus benoemd werd. In 2006 werden talrijke skeletten gevonden van een wat verschillend dier. Dat werd in 2017 benoemd als een tweede soort: Avimimus nemegtensis.

Avimimus was een klein tweevoetig dier van ruim een meter lengte en met een gewicht van twaalf kilogram. Het leek erg op een moderne loopvogel maar had een lange benige staart. Het had lange poten waarmee het hard kon lopen. Al in 1981 werden aan de onderarm richels ontdekt waar veren aan vastgezeten moeten hebben. Verder had het dier een korte hoge vogelachtige kop. Daarom werd eerst wel gedacht dat het een vogel was of althans direct aan de vogels verwant was. Later bleek dat veel meer dinosauriërs veren hadden. Avimimus was geen vogel maar een vroege aftakking van de Oviraptorosauria. Vermoedelijk at het planten en kleine diertjes.

Vondst en Naamgeving De typesoort Avimimus portentosus werd in 1981 benoemd en beschreven door Sergej Koerzanow. De geslachtsnaam is afgeleid van het Latijnse avis, 'vogel', en mimus, 'nabootser', een verwijzing van de gelijkenis van de soort met de vogels. De soortaanduiding betekent 'belangwekkend' in het Latijn; Koerzanow vond dat vondst van groot belang was omdat ze voor de eerste keer de aanwezigheid van veren aantoonde bij een dier dat geen vogel was.

Het holotype is PIN 3907/1, een fragmentarisch skelet in 1973 door een Sovjet-Mongoolse expeditie gevonden, vermoedelijk bij Jagaan Chovil in lagen van de Nemegtformatie die dateert uit het vroege Maastrichtien, ongeveer 69 miljoen jaar oud. Oorspronkelijk werd aangenomen dat de vondst uit de oudere Djadochtaformatie uit het Campanien zou stammen. Het omvat een gedeeltelijke schedel, de draaier, zes halswervels, negen ruggenwervels, twee sacrale ribben, een gedeeltelijk scapulocoracoïde, het opperarmbeen, de bovenkant van de ellepijp, de bovenkant van een carpometacarpus, een gedeeltelijk darmbeen, de schaambeenderen, een gedeeltelijk zitbeen, een dijbeen, een tibiotarsus, een kuitbeen, een tarsometatarsus en een voet. Een tweede exemplaar was het paratype, PIN 3906/1, dit bestond voornamelijk uit fragmenten van een bekken.

Ook in 1981 meldde Halszka Osmólska ZPAL MgD-I/85, een stuk voetwortel, dat later aan Avimimus toegewezen zou worden. left|thumb|De in 2006 ontdekte nieuwe vindplaats Tussen 1983 en 1987 wijdde Koerzanow nog eens vier publicaties aan de soort, waarin de morfologie meer gedetailleerd werd beschreven. Daarin werden ook verschillende nieuwe vondsten gemeld: PIN 3907/2, een bekken; PIN 3907/3, een gedeeltelijke schedel met nek; PIN 3907/4, een gedeelte van de voorste wervelkolom; PIN 3907/5, een bekken en PIN 3907/6, wervels inclusief een heiligbeen.

Tussen 1993 en 1997 vonden er verscheidene Japans-Mongoolse expedities plaats; in 1996 werd 960822 ShT ENK ontdekt, het meest complete bekende skelet van Avimimus, en 960822 ShT SZK, een bekken met achterpoten. Deze fossielen maakten het mogelijk de bekende gegevens aanzienlijk aan te vullen. Naast beenderen werd ook een groot aantal voetafdrukken gevonden dat aan Avimimus werd toegewezen.

In 2001 werd een verwante vorm beschreven uit de Iren Debasoe-formatie. Hiervan zijn enkele tientallen losse botten gevonden. Die werden eerst gezien als van Avimimus portentosus. Later zijn die toegewezen aan een Avimimus sp, omdat de fauna van deze formatie subtiel bleek te verschillen van de Nemegtformatie, wat wijst op een andere datering of een geografische barrière.

Nog onzekerder zijn twee vondsten uit Canada: RTMP 98.68.22 uit de Dinosaur Park Formation en RTMP 98.8.28 uit de Scollard Formation. Het betreft hier slechts teenkootjes, die vermoedelijk van verwanten van Avimimus afkomstig zijn.

In 2008 meldde Philip Currie de ontdekking in 2006 van een heel beenderbed aan avimimusbotten van een Avimimus sp. Het zou gaan om minstens een tiental exemplaren. Het beenderbed was door illegale stropers ten dele opgegraven. In 2007 en 2016 werden nog gave delen door paleontologische expedities opgegraven. Deze vondsten zijn in 2016 ten dele beschreven. Het gaat om volwassen en jongvolwassen exemplaren maar niet om jonge dieren. De nieuwe vondsten vullen de oude vooral aan in het schedelmateriaal, inclusief de onderkaken. In 2016 was het totaal aan specimina opgelopen tot honderdzestig die minstens achttien individuen vertegenwoordigen. Het zou gaan om een groep die in één keer omkwam.

In 2017 benoemde Gregory Funston een aparte soort voor Avimimus sp: Avimimus nemegtensis, met als holotype MPC-D 102/81, een gedeeltelijke schedel. De verdere specimina MPC-D 102/15 – MPC-D 102/100 werden aan de soort toegewezen. Een tweede studie eerder dat jaar beschreef in detail de schedel en onderkaken van een exemplaar van die soort, specimen MPC-D 100/125 dat nog aan Avimimus portentosus werd toegewezen.

Beschrijving thumb|Avimimus was een klein dier

Algemene bouw en grootte Avimimus is een vrij kleine oviraptorosauriër. Gregory S. Paul schatte in 2010 de lichaamslengte op 1,2 meter, het gewicht op twaalf kilo. left|thumb|Een diagram van de in 2009 bekende botten Avimimus doet zijn naam zeker eer aan: de soort maakt een zeer vogelachtige indruk. De achterpoten zijn uitzonderlijk lang, vooral in het onderbeen, dat dertig procent langer is dan het dijbeen, en de voet. Relatief is de romp zeer kort. De nek is lang en draagt een erg kleine bolle kop met een snavel. Er zijn echter twee punten waarin Avimimus toch wat minder op vogels lijkt dan oorspronkelijk gedacht werd. Vroeger werd aangenomen dat de korte kop van Avimimus tandeloos zou zijn; de Japanse vondsten hebben echter de aanwezigheid van kleine tanden in de praemaxilla aangetoond, dus helemaal voor in de bek, in de bovenkaak. De staart van het holotype was niet bewaard gebleven en Koerzanow zelf dacht dat die zelfs bij het levende dier helemaal gereduceerd was en er hoogstens een rudiment van over was. Toen al achtten de meeste onderzoekers zoiets zeer onwaarschijnlijk; ook hier boden de Japanse skeletten uitkomst door te laten zien dat een redelijk lange staart wel degelijk aanwezig was.

In een ander opzicht leek de soort juist weer wel op een vogel: hij was bevederd. Vermoedelijk bedekten contourveren bijna het hele lichaam, wat samenhing met het feit dat Avimimus waarschijnlijk warmbloedig was. Langere slagpennen vormden wellicht een waaier aan het staartuiteinde en stonden ook op de armen zodat hij een soort kleine vleugels had. Op achterkant van de ellepijp van de onderarm trof Koerzanow een lange smalle scherpe richel aan die als aanhechting voor de slagpennen diende. In 1987 vond hij daarop ook kleine bultjes, die ieder een lange veer verankerden. Tegenwoordig is bekend dat er heel veel van zulke gevederde dinosauriërs moeten zijn geweest en dat een lichaamsbedekking onder de kleine soorten eerder regel dan uitzondering was. In 1981 was het echter nog maar kort geleden dat John Ostrom en Robert Thomas Bakker midden jaren zeventig die hypothese opperden en Avimimus vormde ervoor het eerste concrete bewijs. Koerzanows claim baarde dan ook veel opzien en lang niet alle wetenschappers waren het ermee eens dat de kenmerken van de ellepijp echt op veren wezen. Later onderzoek bevestigde echter zijn stelling.

Onderscheidende kenmerken thumb|Schedel van A. nemegtensis, MPC-D 100/125, door Jaime Headden Bij de benoeming van A. nemegtensis in 2017 gaf Funton voor beide soorten onderscheidende kenmerken aan. Avimimus portentosus heeft verschillende autapomorfieën, unieke afgeleide kenmerken. De uitholling rond de fenestra antorbitalis, het grote venster in de zijwand van de snuit, dringt naar voren de praemaxilla binnen. De hersenpan is vergroeid. De ruggenwervels hebben geen pleurocoelen in de zijkanten. De polsbeenderen en middenhandsbeenderen zijn vergroeid tot een carpometacarpus. Het scheenbeen is met de bovenste enkelbeenderen vergroeid tot een tibiotarsus die ook de onderkant van het kuitbeen omvat. De vergroeiing van de onderste enkelbeenderen met de middenvoetsbeenderen tot een tarsometatarsus draagt geen eerste teen meer en het toegeknepen derde middenvoetsbeen reikt niet meer tot de enkel. Verder is er een, op zich niet uniek, verschil met A. nemegtensis: de onderkaken zijn vooraan laag en hun voorste samengroeiing heeft de vorm van een slecht ontwikkeld beenplateau.

Ook A. nemegtensis toont autapomorfieën. Het exoccipitale van het achterhoofd heeft slechts een enkele opening voor de halsslagader. Het quadratojugale is naar buiten gebogen. De onderkaken zijn vooraan vergroeid tot een goed ontwikkeld beenplateau met richels aan de binnenranden. Het stuk binnenwand van het achterblad van het darmbeen dat ontbloot wordt door de uitholling in de onderrand voor de aanhechting van de Musculus caudofemoralis brevis, een staartspier, heeft een golvende onderrand. A. nemegtensis heeft op zich weer niet unieke verschillen met Avimimus portentosus. Het achterhoofdsgat is kleiner. De pterygoïden van het verhemelte zijn breder. Darmbeen en zitbeen zijn in het bekken niet vergroeid. Het aanhangsel van het darmbeen voor het zitbeen mist een antitrochanter, overkappende richel boven het heupgewricht. Het darmbeen heeft een voorblad dat naar voren verhoogd is en naar onderen haakvormig uitsteekt. Het achterblad van het darmbeen heeft geen richels boven de verhoogde onderrand van de buitenwand die de uitholling in de onderrand voor de aanhechting van de M. caudofemoralis brevis ontbloot. De uitholling in de onderrand van het achterblad van het darmbeen voor de aanhechting van de M. caudofemoralis brevis is ondiep.

Schedel thumb|Een model van de schedel volgens de interpretatie van Koerzanow; in feite waren er aparte neusgaten