Sjeik El Rojenbiet is het eenenzestigste stripverhaal uit de reeks van Suske en Wiske. Het is geschreven door Willy Vandersteen en gepubliceerd in De Standaard en Het Nieuwsblad van 12 augustus 1963 tot en met 20 december 1963.

De eerste albumuitgave was in 1964, in de Vlaamse tweekleurenreeks met nummer 50. Het was het tevens het laatste albumnummer in deze reeks, die hierna in eerste instantie verderging als de gezamenlijke tweekleurenreeks. In 1969 verscheen Sjeik Rl Rojenbiet ook in de Vierkleurenreeks, met albumnummer 90.

In 1999 kwam het verhaal in zijn geheel oorspronkelijke vorm nog eens uit in Suske en Wiske Klassiek.

Locaties België, DN. Vassitrios (Blokzeilstraat 7 België), park met muziektent, Jordanië, Libanon, Beiroet, Baalbek (ruïne van Romeinse tempels), Syrië, Damaskus, de ruïnes van Jerash, Petra, Jeruzalem met de Damascuspoort, kerk van het Heilig Graf, de Dom der Rots, DN Vassitrios Jeruzalem, de Dode Zee en woestijn

Personages Suske, Wiske, tante Sidonia, Lambik, Jerom, Abdoel, man, Ahmed, zuster, arbeider, Griekse antiquair Vassitrios, sjeik El-Rojenbiet (tent 7, woestijn 4 – Hasjimitische Koninkrijk van de Jordaan), schipper, zeelieden, passagiers, sjeik Bub-El-Ghum en zijn woestijnrovers, geitenhoeder, Ben Kara-Khol, Arabieren

Het verhaal

Tante Sidonia rijdt per ongeluk een Arabische man aan als die plotseling de straat oversteekt. De man wordt naar het ziekenhuis gebracht. De vrienden vinden een pakje dat de man bij zich had en ze brengen dit naar het ziekenhuis. De man zegt dat ze het pakje moeten afgeven aan Ahmed bij herberg “De Rode Maan”. Als ze bij deze herberg komen, vlucht Ahmed net weg door het raam. Als de vrienden weer in het ziekenhuis komen, blijkt de aangereden Arabier hieruit ontslagen te zijn. In het pakje blijkt een gouden dolk te zitten. De vrienden zien op de verpakking ook een adres: blokzeilstraat Nr. 7 van Oriëntal Arts. Ze gaan naar de winkel van deze Griekse antiquair, die dolblij is dat zijn gouden dolk terug heeft, die diezelfde ochtend was gestolen. Tante Sidonia wil de dolk nu overkopen voor de verjaardag van Lambik, maar Vassitrios wil er veel geld voor. Na een onverwacht bedreigend telefoontje geeft hij de dolk ineens toch mee, voor veel minder geld.

Lambiks verjaardag wordt gevierd in het huis van Sidonia, maar dan neemt het feest een vreemde wending: terwijl Lambik geblinddoekt op zijn cadeau wacht, ziet hij de anderen ineens vastgebonden zitten en de woonkamer is kort en klein geslagen. Het blijkt dat ze overvallen zijn, en de dolk is gestolen. Lambik is vooral heel verdrietig omdat zijn verjaardagscadeau weg is. De vrienden vertellen aan Jerom wat er is gebeurd. Ze volgen de Arabieren naar het park. Een van hen, Abdoel, blijkt de man te zijn die ze eerder hadden aangereden. Hij kan ontkomen. De vrienden achtervolgen hierna Ahmed, die de gouden dolk bij zich heeft. Uiteindelijk kan ook hij ontkomen, maar Suske slaagt erin hem de dolk afhandig te maken. Als Lambik even later alsnog zijn verjaardagscadeau krijgt, is hij helemaal in stemming. Hij verkleedt zich als een sjeik.

De vrienden vinden een briefje in de schede van de dolk. Het blijkt een rijmende tekst te zijn die is geschreven door ene sjeik El Ro-Jenbiet, de heerser van de Hasjemieten in Jordanië, die zijn dolk terug moet hebben om aan de macht te kunnen blijven. Lambik besluit de dolk zelf naar deze man terug te brengen. In Genua gaan de vrienden aan boord van de pakketboot “Esperia” om naar het Midden-Oosten af te reizen. Suske ontdekt later dat zijn hut is doorzocht en Wiske vindt hem even later bewusteloos. Ahmed en Abdoel blijken ook aan boord te zijn, en zij nemen het bevel van het schip over. Ze verbieden de echte kapitein om aan te meren in Alexandrië, in plaats daarvan moet het schip rechtstreeks doorvaren naar Beiroet. Suske en Wiske worden door de Arabieren als gijzelaars gevangengenomen en apart aan land gebracht. Een geheimzinnige man volgt de auto waar de Arabieren en Suske in zitten, Wiske lijkt te zijn verdwenen.

Lambik, Jerom en Sidonia worden door de eigenlijke bemanning van de “Esperia” met een sloep aan wal gebracht. Ze vinden hier een briefje dat vermoedelijk is geschreven door dezelfde geheimzinnige. Er staat dat Suske en Wiske naar Baalbek zijn gebracht. Wiske heeft zich in de kofferbak verstopt en kan Suske bevrijden. Ze gaan er met de auto vandoor, maar worden dan tegengehouden. Dankzij de hulp van de geheimzinnige man kunnen ze aan de boeven ontsnappen en besluiten naar Damaskus te gaan. De kinderen worden door hun vrienden gevonden en de vrienden horen op de radio dat er een jachtvliegtuig is gestolen. Na hun aankomst in Jordanië worden de vrienden beschoten door het jachtvliegtuig. Jerom kan het vliegtuig laten neerstorten, waarna hij de gewonde Arabieren uit het brandende wrak redt. De mannen biechten nu op dat ze werken voor de slechte sjeik Bub-El-Ghum, wiens woestijnrovers de dolk van El-Rojenbiet gestolen hebben. De dolk kwam door toeval in Europa terecht, en moest daar nu worden teruggevonden en naar de ruïnes van Jerash gebracht.

De bus wordt ’s nachts overvallen door handlangers van Bub-El-Ghum. Tante Sidonia laat zich vrijwillig door hen ontvoeren, omdat ze de sjeik eigenlijk wel ziet zitten. De overvallers vragen aan de anderen waar de dolk nu is, maar die zit in Sidonia's handtas. De overvallers worden verjaagd door een zandstorm die het gevolg is van een hevige niesbui van Jerom. De anderen vervolgen op dromedarissen hun tocht door de woestijn. Tante Sidonia wordt intussen bij sjeik Bub-El-Ghum gebracht, waar ze enkel huishoudelijk werk mag doen. Ze gaat stiekem naar de ruïnes van Jerash. Daar wordt ze omsingeld door de rovers, die worden verjaagd door Jerom. Ben Kara-Khol vertelt dat hij de zoon is van sjeik El-Rojenbiet, en dat zijn vader ziek is door het verlies van de kostbare dolk. Lambik geeft daarop de dolk vol vertrouwen mee aan Ben Kara-Khol . De vrienden zoeken hierna het kamp van sjeik El-Rojenbiet zelf. Onderweg zien ze de geheimzinnige man opnieuw, en een geitenhoeder vertelt dat hij een zakje zand van de geheimzinnige heeft gekocht. Ze ontmoeten sjeik El-Rojenbiet, die enkel op rijm praat. Het blijkt dat Ben Kara-Khol inderdaad de enige zoon is van deze sjeik. Ben Kara-Khol heeft zijn vader echter verraden en spant nu samen met de concurrerende sjeik Bub-El-Ghum, omdat hij zijn vaders plaats op de troon vroegtijdig wil innemen. Wiske ziet ’s nachts spionnen van Bub-El-Ghum en ze volgt hen samen met Suske. De boeven willen zich in Petra verbergen.

De geheimzinnige man brengt de boeven op de hoogte dat ze door twee spionnen bespied worden, waarop Suske en Wiske worden gevangen. De geheimzinnige wil emmertjes verkopen en doet alles voor zijn handel. Hij gooit Suske en Wiske ’s nachts in het water, maar ze blijven drijven doordat dit de Dode Zee is; het zoutgehalte van het water is hier zo hoog dat zinken onmogelijk is. Ze verbergen zich in een grot, maar krijgen wel erge dorst. Lambik en Jerom gaan Suske en Wiske zoeken en zien de roversbende en Jerom kan de rovers verslaan en ze gaan verder op zoek naar de kinderen. Ze vinden zandtaartjes en volgen het spoor naar een kloof. Lambik valt erin en vindt enkele vazen met daarin oude documenten. Lambik denkt dat het een perkament van de Essenen is, maar het blijkt gewoon inpakpapier te zijn. Ze lezen dat Suske en Wiske verderop in een grot te vinden zijn. De kinderen worden gevonden en krijgen water. Ze gaan verder op zoek naar de dolk. De vrienden komen bij uitgehakte tempels. Jerom hoort Bub-El-Ghum tegen Ben Kara-Khol zeggen dat de bergpas vol mijnen ligt. Ben Kara-Khol vindt dit te ver gaan, waarop hij wordt neergeslagen door Bub-El-Ghum die hem de gouden dolk afpakt. Jerom redt zijn vrienden, kan de rovers verjagen en weet ook Bub-El-Ghum uit te schakelen.

De geheimzinnige man is ervandoor met de gouden dolk en rijdt richting Jeruzalem. De vrienden vinden zijn auto later terug bij de Damascuspoort. Suske en Wiske zien de man DN. Vassitrios binnengaan en herkennen hem nu als de Griek die hun de dolk verkocht. Vassitrios legt uit dat hij hier een tweede zaak heeft, en de dolk aan Ben Kara-Khol heeft verkocht. De vrienden verlaten Jeruzalem. Tante Sidonia wordt verleid door sjeik El-Rojenbiet. Ze maakt zich ook zorgen, omdat de sjeik de volgende dag de dolk aan zijn volk moet tonen. Tijdens de feesten komen de vrienden aan en ze verklaren dat ze de dolk niet hebben gevonden. Dan komt Ben Kara-Khol aan op een ezel en hij geeft zelf de dolk terug aan sjeik El-Rojenbiet; hij heeft alsnog spijt gekregen van zijn daden. Hij wil zich nu weer met zijn vader verzoenen, waarna ze voortaan samen zullen regeren. Enkele mannen van sjeik El-Rojenbiet vinden dat Ben Kara-Khol alsnog gestraft moet worden en schieten op hem, maar sjeik El-Rojenbiet werpt zich voor zijn zoon. Hij raakt niet gewond, alleen zijn baard wordt door de kogel geschampt.

De sjeik geeft de dolk als dank alsnog aan Lambik en de vrienden keren terug naar België.

Achtergronden bij het verhaal De naam El Rojenbiet is een woordspeling op rode biet, de naam Bub-El-Ghum is eveneens pseudo-Arabisch en een woordspeling op bubblegum. De naam Ben Kara-Khol is een woordspeling op karakol. Ook in De koning drinkt draait het verhaal om een vorst die gedurende bijna het hele verhaal alleen in rijmvorm praat. Baalbek bestaat echt en staat op de Werelderfgoedlijst van UNESCO. De ruïnes van Jerash komen ook voor in het verhaal De wervelende waterzak (1988), het laatste Suske en Wiske-verhaal dat geschreven is door Willy Vandersteen. In strook 4-5 wordt Sidonia verward met Brigitte Bardot. Lambik verkleedt zich in strook 29 als Ramón Novarro in de film The Sheik. In strook 59-62 droomt Sidonia ervan door een knappe sjeik geschaakt te worden, wat ook gebeurt. Dit lijkt op de plot van de Rudolph Valentino-film The Sheik. Sidonia wordt in De briesende bruid ook ontvoerd door een verleidelijke sjeik, opnieuw een verwijzing naar dezelfde film. Sjeik el-Rojenbiet heeft qua uiterlijk nogal wat weg van emir Mohammed Ben Kalisj Ezab, een bijfiguur in de Kuifje-verhalen Kuifje en het Zwarte Goud en Cokes in voorraad. Ook enkele andere dingen in Sjeik El Rojenbiet lijken geïnspireerd op Kuifje-verhalen die zijn gesitueerd in het Midden-Oosten; zo doet de koopman Vassitrios enigszins denken aan Oliveira da Figueira (zie De sigaren van de farao).

Uitgaven

Externe link Samenvatting op suskeenwiske.ophetwww.net

Categorie:Stripverhaal van Suske en Wiske Categorie:Stripverhaal uit 1964