Bourtange (Gronings: Boertange, verouderd De Betang) is een vestingdorp met aangrenzende moderne kom in de Nederlandse provincie Groningen, dat tussen 1580 en 1593 tijdens de Nederlandse Opstand is aangelegd.
Bourtange ligt in de gemeente Westerwolde, in de gelijknamige streek. Het dorp is een beschermd dorpsgezicht. Ten noordwesten van de vesting ligt de rest van de kom van het dorp.
Tussen 1811 en 1821 was Bourtange een zelfstandige gemeente, waartoe in het beginjaar ook Ter Apel, Onstwedde, Sellingen, Vlagtwedde en Wedde behoorden. De eerste maire was Paulus Eckringa. In 1811 werden Vlagtwedde en Onstwedde afgesplitst. In 1821 ging Bourtange op in de gemeente Vlagtwedde, die in 2018 opging in de nieuwe gemeente Westerwolde.
Geschiedenis
Naam Bourtange was oorspronkelijk een strategisch gelegen dekzandrug of tange die Westerwolde verbond met het Duitse achterland.
De naam de Burtange (1530), op die Bertaing (1573), up Buertange (1584), op d'Boirtange (1593) of Bourtange (1612), soms verbasterd tot Bretaigne, verwijst naar de dekzandrug en is verwant met het woord tonge in landtong. Het Middelnederduitse woord (hus)tangen verwijst bovendien naar twee rijen funderingspalen, waartussen het fundament van een woning wordt opgericht. Het zou daarom gaan om een smalle landtong die was ingeklemd tussen de moerassen.Wobbe de Vries, Groninger plaatsnamen, Groningen 1946, p. 226-227. Het voorvoegsel boer- zou kunnen betekenen dat er een bo(er), dat is een huis of schuur op de landtong was gebouwd. In Westerwolde duidt het woord boer echter vooral op het gemeenschappelijk bezit van de inwoners. Het woord boertange daarom te vergelijken met woorden als boermande, boermarke en boerveen.G. van Berkel & K. Samplonius, Nederlandse plaatsnamen verklaard, 2018, trefwoord Bourtange. Gearchiveerd op 16 februari 2022. Deze boeren hadden tot taak om de route die over de tange van Duitsland naar Groningen liep te onderhouden.
Ontstaan Op Gerard Mercators kaart De Frisia occidentalis uit 1598 staat het hele gebied aangegeven als Op die Bertaing, een groote heyde.Erwin Karel, 'Op die Bertaing: de rijksgrens in Drenthe', in: Dez., Grenzen in Drenthe, Assen 2000, p. 3-29. Gearchiveerd op 7 juni 2023.
Het smalle karrenspoor over de landtong liep door het Bourtangermoeras en was alleen in het zomerseizoen en bij vorst toegankelijk. Het pad moest geregeld worden versterkt met takkenbossen, heideplaggen en ander materiaal. Deze route (de Westerwoldinger weghe genoemd) maakte deel uit van de in 1457 ontworpen handelsroute tussen Groningen en Westfalen.Wiebe Jannes Formsma, ‘De schouw van de Hoofdmannenkamer over de heerwegen’, in: dez., Geschiedenis tussen Eems en Lauwers, Assen 1988, p. 23-35.Hansisches Urkundenbuch, dl. 8 (1899), nr. 636. Gearchiveerd op 20 maart 2022. De route stond in verbinding met de Friese straatweg op de hoge, westelijke Eemsoever, die vanuit Emden via Rheine naar het zuiden liep. Het onderhoud van het karrenspoor was een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de inwoners, die daarvoor geregeld moesten komen opdraven. Parallel aan deze route werd na 1483 een kanaal tussen de Westerwoldse Aa en de Eems gegraven (de Oude Gracht), dat echter vanwege geldgebrek en technische problemen niet voltooid werd.
Om de route te beveiligen en invallen vanuit het Duitse achterland tegen te gaan, besloot de Groningse stadhouder Karel van Egmond in 1530 hier een blokhuis (een klein fort) te bouwen. Of dit plan daadwerkelijk gerealiseerd werd, is onbekend. In de beginjaren van de Nederlandse Opstand, namelijk in 1570, werden er opnieuw militairen gelegerd.Hans-Joachim Behr, 'Handlungen um Westerwolde und Bellingwolde', in: Westfalen 68 (1990), p. 204-212, hier 206.
Vesting In 1580 werd bij de doorgang in korte tijd een compleet fort gebouwd. De stad Groningen was toen onder leiding van stadhouder Rennenberg overgelopen naar het kamp van de Spaanse koning. Om de bevoorrading vanuit het Duitse achterland te blokkeren gaf Willem van Oranje daarom opdracht aan de overste Diederik Sonoy op de Bourtange een schans aan te leggen.De Kruijf, Atlas, p. 112-116. De bouwer van vesting Bourtange in 1580 was de Alkmaarse burgemeester en Staatse vestingbouwer Adriaen Anthonisz. De zogenoemde Snoeyschans was een versterking met vijf bolwerken, die echter wegens geld- en materiaalgebrek niet tijdig voltooid kon worden.Heijligenberg en Overdiep, 'Geschiedenis van de vesting Bourtange', p. 29. Op 17 juni 1580 werden de Staatse troepen onder leiding van graaf Filips van Hohenlohe in de Slag op de Hardenbergerheide verslagen waardoor het Staatse beleg van stad Groningen opgeheven moest worden.
De passage over de Bourtange bleef in de daaropvolgende jaren verschoond van het meeste oorlogsgeweld. In juli 1581 verhinderden bewapende inwoners uit Bellingwolde en het Oldambt dat plunderende Spaanse ruiters via Bourtange naar de Ommelanden zouden trekken; het jaar daarop trokken plunderende troepen wel over de Burtange. De Groningers maakten vanaf 1584 een nieuw plan voor een vaarverbinding via Bourtange naar Heede, de Nije Schipvaart of Spanjaardsdiep, die opnieuw onvoltooid bleef. De resten daarvan waren nog in de 19e eeuw zichtbaar. Op een kaart van Cornelius Adgerus uit 1587 staat de voerwech oder wagenpadt over den Buretanggen nae Reede voor het eerst getekend.Cornelius Adgerus, Charte description (...) aengaende des Diepte oder Schypvaert von Reede nae Bellingwolde (...), 1587. Niedersächsisches Landesarchiv Osnabrück, K 53 Nr. 1 H. Gearchiveerd op 9 februari 2022.
In april 1593 bezetten Staatse troepen de passage door het moeras. De eerder begonnen schans werd nu voltooid in opdracht van stadhouder Willem Lodewijk van Nassau. De belangrijkste vestingbouwmeester die bij het project in 1593 betrokken was, was dit keer de Friese ingenieur Pauwel Symonsz uit Bolsward. In de vesting Bourtange werden 700 Staatse troepen, vijf vendels, gelegerd met voldoende voorraden voor een maand. In de zomer van hetzelfde jaar kwam de Spaanse stadhouder van Groningen, Francisco Verdugo, die vreesde voor een aanval op de stad, naar Bourtange met een tercio van 3.000 ervaren Spaanse soldaten. Doel was de Staatsen te verjagen en Bourtange in te nemen om een aanval op Groningen te voorkomen. Vanwege het vele water rond de schans van Bourtange konden de Spanjaarden moeilijk manoeuvreren en leden ze grote verliezen bij de tevergeefse poging de Staatse vesting in te nemen. Ze probeerden belegloopgraven in de richting van de schans te graven. Die liepen echter meteen vol met opborrelend grondwater. Gebrek aan schuilgelegenheid maakte de Spanjaarden tot een gemakkelijk doelwit voor Staatse beschietingen. Na een laatste mislukte aanval gaven de Spanjaarden in september het beleg op. De Staatsen veroverden vervolgens de Aduarderschans. Deze successen in de 'schansenoorlog' rond Groningen leidden in 1594 tot de Spaanse capitulatie van Groningen. Bourtange werd daarna een onderdeel van de grensverdediging van Groningen, Friesland en Drenthe. De sterkte is nooit door een aanvallende macht veroverd, niet door Spanjaarden in de 16e en 17e eeuw, niet door Münsterse troepen onder Bommen Berend in de 17e eeuw en niet door Fransen in de 17e en 18e eeuw.
De vesting viel onder het gezag van de Staten van Friesland, die ook de predikant, de schoolmeester en andere beambten benoemde. De stad Groningen, die het gezag over Westerwolde uitoefende, had alleen iets over het buitengebied van de vesting te zeggen. Al snel na de bouw vestigden zich ook burgers binnen de vesting. Ten minste in 1597 had de vesting een eigen veldpredikant. Na de bouw van een garnizoenskerk in 1607 ontstond er een kerkelijke gemeente, die onder het gezag van de classis Oldambt viel.O.D.J. Roemeling, Patroonheiligen, priesters en predikanten in Groningen en Drenthe tot omstreeks 1640 (zeer voorlopige versie), Leeuwarden 2019, p. 122-125. Gearchiveerd op 14 november 2022.
Versterkingen In 1607 werd de vesting aan oostzijde uitgebreid met het kroonwerk Schuitendiep en aan noord- en westzijde met een tweetal ravelijnen. Ergens voor 1626 verrees aan noordzijde een stenen redoute (vanaf 1702 Bakoven genoemd) om de pas naar Rhede af te snijden. In 1638 werd deze pas helemaal onbruikbaar gemaakt.
In 1628 werd het Ooster Hoornwerk aangelegd en ergens later in de 17e eeuw het Zuider Hoornwerk.
Rond 1631 werd voor de watervoorziening naar de vesting en het nat houden van het Bourtangermoor de Nieuwe Ruiten Aa gegraven vanaf de Ruiten Aa bij Sellingen. Daarlangs werden 2 leidijken aangelegd om het water te leiden en in geval van oorlog het omringende gebied snel onder water te kunnen zetten.
De vesting werd onder andere in 1665 tijdens de Eerste Münsterse Oorlog verbeterd. In 1668 werden de beide hoornwerken weer verwijderd.
De vesting werd opnieuw verbeterd tijdens de Tweede Münsterse Oorlog in 1672, toen Bernhard von Galen de stad Groningen belegerde. Om de watertoevoer naar de vesting te garanderen werd aanvankelijk de Sellingersloot – later Moddermansdiep genoemd – gegraven. Omstreeks 1672 werd tevens in de Ruiten Aa een dam van rijshout - de Rijsdam - aangelegd, die ervoor moest zorgen dat de omgeving van de vesting onder water bleef staan.
In 1684 brandde de redoute Bakoven aan noordzijde af. De ruïnes waren in 1739 nog aanwezig.
Tussen 1738 en 1742 werd de inmiddels vervallen vesting in opdracht van de Staten-Generaal uitgebreid tot haar grootste omvang naar de inzichten van Menno van Coehoorn en een ontwerp van Peter de la Rive. Aan de oostzijde kwamen in 1739 tussen de half bastions van het kroonwerk ter plaatse van de vroegere hoornwerken twee ravelijnen en het glacis werd afgegraven. Opvallend aan de vesting is de vijfhoekige vorm. De veertien lindebomen op het marktplein markeren de zijden van het middelste pentagon.Jan Abrahamse en Paul Paris, 'Vesting Bourtange, een reconstructie'; in: Noorderbreedte (1996), afl. 1, p. 24-25.
In 1704 werd een nieuw kruitmagazijn gebouwd met een bijzondere constructie. Het dak ligt los op de muren, zodat bij een explosie het gehele gebouw niet uit elkaar zou spatten. Enkel het dak zou weggeblazen worden. Voorheen bestond een kruitmagazijn uit meters dikke muren en dito dak.
Ergens voor 1788 werd ter plaatse van de vroegere redoute een nieuw schansje aangelegd.
Nog in 1796 werd ten oosten van de lijn Bourtange-Abeltjeshuis langs de grens als extra verdedigingslinie een nieuw 600 meter lang retranchement met bastion en twee redans aangelegd.
Leven in de vesting Door de vestiging van burgers in het verdedigingswerk Bourtange groeide de defensieve militaire stelling uit tot een dorp met een eigen en bijzondere militair-burgerlijke samenlevingsvorm. Dergelijke samenlevingsvormen bleven tot in de 19de eeuw algemeen gangbaar in vestingen.
Binnen de vesting of "fortresse" zoals het verdedigingswerk door de oprichters en nog altijd in 1742 genoemd werd, waren tal van gebouwen neergezet ten behoeve van de militairen en de burgers. De commandant van de vesting had zijn eigen woning. De aparte officierslogementen stonden aan het Marktplein, het centrum van de vesting. De onderofficieren hadden een apart verblijf met eigen aanrecht en toiletten. De manschappen logeerden in kazernes, stenen gebouwen. Zij moesten gebruik maken van openbare toiletten, de secreten. De “convooymeester” had, net zoals de commandant van de vesting, een eigen woning. Hij was de man naast de bevelvoerende commandant. Hij was verantwoordelijk voor alle ondersteunende functies: de voorraden, de brouwerij, de beplantingen, het onderhoud. De provoost was de man die belast was met de handhaving van orde en tucht en verantwoordelijk voor het gevang. Ook hij had zijn eigen woning. Op het marktplein stond het gebouw voor de hoofdwacht met het “landshorlogie”. Op de wallen stonden houten schuilplaatsen voor de schildwachten. Die wachthuisjes werden sentinel genoemd.