Compsognathus is een geslacht van uitgestorven kleine vleesetende theropode dinosauriërs, behorende tot de groep van de Coelurosauria, dat tijdens het Laat-Jura, 150 miljoen jaar geleden, in het gebied van het huidige Europa leefde.
Het eerste fossiel van Compsognathus is in 1859 gevonden in Duitsland. Datzelfde jaar kreeg het geslacht zijn naam die 'sierlijke kaak' betekent toen de typesoort Compsognathus longipes benoemd werd. In 1972 werd een tweede soort benoemd: Compsognathus corallestris, na een vondst van een fossiel in Frankrijk. Later werd begrepen dat het daarbij slechts gaat om een groter exemplaar van C. longipes. Beide fossielen samen zijn alles wat ooit van Compsognathus is teruggevonden. Ze zijn echter zo compleet dat de wetenschappers toch een goed beeld kregen van de bouw van het dier. In 1859 was het Duitse fossiel zelfs het enige gevonden skelet van een dinosauriër dat bijna helemaal bewaard was gebleven.
Compsognathus was een kleine tweevoetige roofsauriër die ongeveer anderhalve meter lang kon worden en drie kilogram zwaar. Vaak wordt hij nog in de boeken vermeld als de kleinste bekende dinosauriër maar de laatste jaren zijn er dinosauriërs gevonden die een stuk kleiner waren — en ook is duidelijk geworden dat de vogels dinosauriërs zijn. Compsognathus hield zijn romp horizontaal, in evenwicht gehouden door een lange staart. Hij had lange achterpoten waarmee hij hard kon rennen. De voorpoten waren veel korter en hadden drie vingers, niet twee zoals vroeger werd gedacht. Een lange soepele nek droeg een langwerpig hoofd, uitgerust met dolkvormige tandjes. Compsognathus was warmbloedig. Misschien dat hij ook een primitief verenkleed had, net als sommige van zijn verwanten, de Compsognathidae, maar op het Franse exemplaar zijn schubben op de staart gevonden.
Het gesteente waarin de fossielen zijn opgegraven, is oorspronkelijk als sediment op een ondiepe zeebodem afgezet. Daarom wordt wel gedacht dat Compsognathus op kleine koraaleilanden leefde. Daar joeg hij dan op hagedissen en brughagedissen waarvan beide exemplaren nog de resten van in de buikholte hebben. Het kan zijn dat hij ook op grotere eilanden voorkwam en kleine plantenetende dinosauriërs als prooi had.
Compsognathus is al vroeg in verband gebracht met het probleem van de oorsprong van de vogels. Zijn skelet lijkt veel op dat van de oudste vogels en twee fossielen van de oervogel Archaeopteryx zijn ooit voor die van Compsognathus aangezien. Tegenwoordig zijn er echter veel nauwere vogelverwanten bekend.
Vondst en naamgeving thumb|260px|Een afgietsel van het holotype
In Beieren bevindt zich een fossielhoudende aardlaag, de Solnhofener kalksteen, die beroemd is om de perfecte conservering van de erin bewaard gebleven resten van organismen. De laag geldt daarom als een zogenaamde Konservat-Lagerstätte. Het kalkgesteente wordt al sinds de Romeinse tijd opgedolven in steengroeven; deze exploitatie werd intensiever sinds het einde van de achttiende eeuw omdat de splijtbare steenplaten zich uitstekend leenden voor de toen ontwikkelde steendruk of lithografie. In 1859 of wellicht iets eerder ontdekte men in een kleine groeve bij Jachenhausen in het Altmühltal ten noorden van Riedenburg, die in 1855 het zogenaamde Haarlemmer exemplaar van de oervogel Archaeopteryx had opgeleverd, bij het splijten van een kalkplaat het skelet van een klein reptiel. Er had zich in het gebied toen al een uitgebreide handel in fossielen ontwikkeld en de vondst werd datzelfde jaar nog verworven door de arts en fossielenverzamelaar Karl Oberndorfer. Deze onderhield nauwe banden met de belangrijkste Duitse paleontologen en hij stelde de plaat meteen ter beschikking van de conservator van de Bayerische Staatssammlung für Paläontologie und Geologie: Johann Andreas Wagner. thumb|left|350px|Lithografie van het holotype in Wagners beschrijving van 1861 met een correctie van de positie van de staart Wagner beschreef het fossiel in 1859 kort en benoemde het als de typesoort Compsognathus longipes. De geslachtsnaam is afgeleid van het Oudgriekse κομψός, kompsos, 'bevallig' of 'sierlijk', en γνάθος, gnathos, 'kaak', een verwijzing naar de lichte bouw van de onderkaken. De soortaanduiding is afgeleid van het Latijnse longus, 'lang', en pes, 'voet'. Wagner zag het dier als een hagedis, zij het dan als een van 'de eigenaardigste vormen onder de hagedissen'. In 1861 publiceerde Wagner een uitgebreidere beschrijving. Hierbij viel hem op hoezeer het skelet op dat van een vogel geleek. Wagner, zelf geen evolutionist, meende echter dat men hieruit geen conclusies mocht trekken over een mogelijk evolutionair verband. Sommige literatuur gaat ervan uit dat de publicatie uit 1859 slechts een onvoldoende beschreven nomen nudum had opgeleverd en geeft dan 1861 als het jaartal van de naam. In 1864 wees anatoom Carl Gegenbaur erop dat in de bouw van de enkel Compsognathus een tussenvorm leek tussen reptielen en vogels. In 1865 werd Oberndorfers fossielenverzameling voor zevenduizend Zuidduitse zilverguldens aangekocht door conservator Albert Oppel. De hoge som werd mede beïnvloed door de aanwezigheid van het Unikat, unieke exemplaar, van Compsognathus dat sindsdien deel uitmaakt van de verzameling van de BSP. Pas na de aankoop kreeg het fossiel een label met de juiste vindplaats Jachenhausen; Oberndorfer had de plaat ook al gelabeld maar met de veel vagere aanduiding 'Kelheim'. Pas in 1983 kon de oorspronkelijke groeve, vijfhonderd meter ten noorden van Jachenhausen, met enige zekerheid door Matthias Mäuser geïdentificeerd worden. Die zekerheid is echter niet absoluut: sommige onderzoekers zien groeven bij Kapfelberg en Goldberg als mogelijke alternatieven. In 1882 voltooide Georg Baur een verdere preparatie van het specimen waarbij hij verschillende enkelbotten van de plaat wegnam, welke daarna kwijt zouden raken.
Het holotype, BSP AS I 536, is volgens de traditionele interpretatie gevonden in een laag van de bovenste Solnhofener Plattenkalk die dateert uit het vroege Tithonien, ongeveer 150 miljoen jaar oud. Het is echter ook geopperd dat het fossiel gevonden is in de Paintenformatie waarvan de lagen bij Jachenhausen en Goldberg ook uit het vroege Tithonien stammen maar die van Kapfelberg uit het late Kimmeridgien, met een ouderdom van ongeveer 151 tot 152 miljoen jaar. Het holotype bestaat uit een vrij volledig in verband liggend skelet met schedel, samengedrukt op een enkele steenplaat, dat slechts de staartpunt mist. De tegenplaat ontbreekt en verschillende botten zijn slechts als afdruk aanwezig. De conservering van sommige elementen is daarbij niet zo goed en enkele beenderen ontbreken. Het is geschat dat 74% van het totaal aan oorspronkelijke skeletelementen nog aanwezig is, waarvan 76% in verband ligt. Het betreft een onvolgroeid individu. Dat de tegenplaat ontbreekt, wordt meestal verklaard doordat deze bij het splijten in stukken brak en door de steenwerkers werd weggegooid. Peter Griffiths heeft echter gesteld dat de plaat weleens de onderkant zou kunnen zijn geweest van een hardere kalklaag boven een zachtere mergellaag die geen tegenplaat kon opleveren en het specimen dus van onderen bezien wordt. Volgens Mäuser blijkt echter uit de gelaagdheid van de plaat dat het vlak dat het fossiel toont een bovenkant vormt. In 2012 stelde Achim Reisdorf op grond van de relatieve verschuivingen van de skeletelementen dat het toch de onderkant betrof. thumb|260px|Zo stelde Huxley zich de houding van Compsognathus voor De eerste die begreep dat het bij deze toch erg kleine soort om een dinosauriër ging, was de Amerikaanse paleontoloog Edward Drinker Cope die hem in 1866 bij een nieuwe dinosauriërgroep, de Symphypoda, onderbracht wegens de vergroeiing van de enkelbeenderen. Omdat hij die ook bij loopvogels waarnam, dacht Cope dat Compsognathus daar wellicht de voorouder van was. Deze gedachte werd een veel grotere bekendheid gegeven door Thomas Henry Huxley die het dier in 1868 beschreef als een nauw aan de dinosauriërs verwante vorm, een mogelijke tussenvorm tussen de dinosauriërs en de vogels. Compsognathus liep of hopte volgens hem op twee poten, had een opgerichte lichaamshouding, was warmbloedig en mogelijk zelfs bevederd. Hoewel de meeste onderzoekers het verband met vogels betwijfelden, begon men Compsognathus wel algemeen als een dinosauriër te zien nadat ook Othniel Charles Marsh hem in 1881 als zodanig ingedeeld had; de beroemde Amerikaanse paleontoloog had dat jaar het specimen persoonlijk in Beieren onderzocht en liet er een lithografie van maken. Compsognathus was in feite in 1859 de uit het meest complete skelet bekende dinosauriër geweest.
Compsognathus werd in 1901 bestudeerd door Friedrich von Huene die ten onrechte dacht dat het dier bepantserd was geweest en in 1903 door baron Franz Nopcsa die als eerste opmerkte dat de laatste maaltijd van het dier, een hagedis, nog aanwezig was. In 1884 had Wilhelm Barnim Dames een Solnhofener kalkplaat beschreven, deel van de collectie van Heinrich Fischer die in 1876 door het Berlijner Humboldtmuseum aangekocht was, met daarop vermoedelijk drie middenvoetsbeenderen met daaraan nog verbonden een eerste teenkootje van de tweede teen. Fischer zelf had het specimen met Compsognathus longipes gelabeld. Dames meende echter dat het misschien wel een dier betrof dat erg op Compsognathus zou kunnen lijken maar dat het daar met zekerheid niet identiek aan was. In 1925 wees Von Huene de botten toch formeel, zij het onder voorbehoud, aan Compsognathus toe. In 1978 echter concludeerde John Ostrom dat het tweede middenvoetsbeen met vierenvijftig millimeter te kort was ten opzichte van het achtenzestig millimeter lange derde middenvoetsbeen om tot Compsognathus te kunnen behoren, het teenkootje was weer relatief te lang; het was de vraag of de resten aan een theropode behoorden of zelfs of ze van een voet waren in plaats van een hand.
left|thumb|260px|De steengroeve van Comboutaire: de exacte vindplaats van het tweede specimen In 1972 werd in Frankrijk door Alain Bidar, Louis Biday en Gérard Thomel een tweede soort van Compsognathus benoemd: Compsognathus corallestris. De soortaanduiding verwijst naar zijn voorkomen op koraaleilanden. De soort is gebaseerd op specimen MNHN CNJ 79 dat door Louis Ghirardi gevonden was in zijn steengroeve bij Comboutaire, bij het gehucht Bessons in het Camp de Canjuers in Var. Het echtpaar Ghirardi had het fossiel jarenlang in hun bezit voordat ze de vondst meldden. Het kalkplateau van Canjuers bestaat uit lagen Portlandsteen die net als de Duitse lagen uit het vroege Tithonien stammen. Het specimen bestaat uit een bijna volledig en in verband liggend skelet met schedel, platgedrukt op twee blokken, waaraan weer het puntje van de staart ontbreekt. Het dier bevindt zich in precies dezelfde houding als het Duitse exemplaar met de nek naar achteren gekromd en een breuk in de staart: de grote gelijkenis is vaak als 'griezelig' omschreven maar werd in 2012 door Riesdorf verklaard als het normale effect van het vergaan van de spieren waardoor de pezen de wervelkolom krom trekken terwijl de staartpunt in het sediment blijft hangen. In 1978 publiceerde Ostrom een volledige osteologie van Compsognathus waarbij voor het eerst de lithografie die Marsh had laten vervaardigen gepubliceerd werd. Hierin concludeerde Ostrom dat C. corallestris een jonger synoniem was van C. longipes en slechts een volwassen individu van die laatste soort vertegenwoordigde. Een studie van Karin Peyer uit 2006 bevestigde dit. In 1983 werd het fossiel, in bruikleen bij het Muséum d'Histoire Naturelle de Nice, samen met de hele fossielenverzameling van het echtpaar Ghirardi gekocht door het Muséum national d'histoire naturelle te Parijs. Het specimen werd daarop diepgaand onderzocht door Jean-Guy Michard, die er in 1991 zijn dissertatie aan wijdde; ook hij zag het als identiek aan Compsognathus longipes.