Het koninkrijk Pruisen (Duits: Königreich Preußen, Nederlands ook wel Pruissen) was een absolutistische monarchie van 1701 tot 1918. Vanaf het ontstaan van het Duitse keizerrijk ('Duitse eenwording') in 1871 tot aan de Eerste Wereldoorlog besloegen de grondgebieden die onder Pruisische heerschappij vielen, ongeveer twee derde deel van de grondgebieden die onder het Duitse Keizerrijk waren samengebracht. De naam Pruisen komt van het Baltische volk der Pruisen die in de vroege middeleeuwen aan de Bocht van Gdańsk woonden, maar de machtsbasis van het eeuwen later opgerichte koninkrijk, lag in Brandenburg met als hoofdstad Berlijn. Het koninkrijk werd tijdens de Novemberrevolutie van 1918 opgeheven en vervangen door de vrijstaat Pruisen.

Geschiedenis Ontstaan

Sinds 1618 werden het markgraafschap Brandenburg en het hertogdom Pruisen in een personele unie geregeerd door het huis Hohenzollern onder de naam Brandenburg-Pruisen. De Tweede Noordse Oorlog werd beëindigd met het Verdrag van Oliva in 1660, hierdoor kregen de Hohenzollerns de soevereine macht over het hertogdom Pruisen. Als gevolg van de Pruisische steun tegen Frankrijk in de Spaanse Successieoorlog kon keurvorst Frederik III zichzelf dan ook in 1701 als Frederik I tot koning in Pruisen kronen.

Technisch gezien konden er behalve het koninkrijk Bohemen geen koninkrijken bestaan in het Heilige Roomse Rijk. Frederik redeneerde dat Pruisen nooit onderdeel had uitgemaakt van het Heilige Roomse Rijk en dat de Hohenzollerns er de volledige soevereiniteit over hadden. Pruisen kon daarom tot koninkrijk worden opgewaardeerd. De titel "koning in (niet van) Pruisen" werd aangenomen. De invloed van de keizer op de verschillende gebieden in het keizerrijk was toen echter al zo gering dat de verschillende heersers zich al min of meer als soeverein gedroegen. Al snel werden dan ook de Brandenburgse gebieden die formeel tot het keizerrijk hoorden de facto als onderdeel van het koninkrijk gezien. Het duurde tot 1772 voor de titel gewijzigd werd naar "koning van Pruisen".Königreich Preußen, Deutsche-schutzgebiete, ingezien op 17 november 2014

Frederik Willem I (1713-1740) Begin 1700 was het nieuwe koninkrijk Pruisen erg arm en nog niet helemaal hersteld van de Dertigjarige Oorlog. Het bestond uit meerdere gebieden verdeeld over 1200 km van het hertogdom Pruisen ten zuidwesten van de Oostzee tot aan Brandenburg naar de exclaves Kleef, Mark en Ravensberg in het Rijnland. In 1708 werd een derde van de bevolking getroffen door de builenpest. De plaag kwam in augustus 1710 tot Prenzlau maar ging niet verder naar de hoofdstad Berlijn 80 km verderop.

De nederlaag van Zweden in de Grote Noordse Oorlog tegen Rusland, Saksen, Denemarken-Noorwegen, Polen-Litouwen, Hannover en Pruisen betekende een einde van de Zweedse macht over de zuidelijke kust van de Oostzee. Na het Beleg van Stralsund (1711–1715) en de Stockholmse verdragen van januari 1720 verkreeg Pruisen het zuidelijke gedeelte van Zweeds-Pommeren met Stettin. Al in 1493 verkregen de Hohenzollerns met de Vrede van Pyritz, de successierechten op het hertogdom Pommeren. Zweden claimde dezelfde rechten met het Verdrag van Stettin (1630). Met het Verdrag van Stettin (1653) werd het hertogdom Pommeren in twee verdeeld: Voor-Pommeren werd Zweeds-Pommeren en Achter-Pommeren werd een Pruisische provincie.

In deze periode vormde keurvorst Frederik Willem I de junkers, de leden van de landadel, om tot een militaire klasse. Ook voerde hij in 1717 de leerplicht in.

Frederik II (1740-1786) Silezische oorlogen

In 1740 kwam Frederik II, ook bekend als Frederik de Grote, op de troon. Hij haalde een verdrag van 1537 uit de kast, dat toentertijd door keizer Ferdinand I werd verworpen, als voorwendsel om Silezië binnen te vallen, het begin van de Oostenrijkse Successieoorlog. Volgens dat verdrag zouden delen van Silezië aan het markgraafschap Brandenburg toekomen, na het uitsterven van de Silezische Piasten.

Na de bezetting van Silezië bood Frederik aan om aartshertogin Maria Theresia bescherming te bieden indien zij haar rechten op het gebied aan hem over zou dragen maar zij weigerde dat. Oostenrijk had echter nog meer tegenstanders waardoor Frederik uiteindelijk bij het Verdrag van Berlijn in 1742 in staat was om het gebied formeel in bezit te nemen.

Tot veler verrassing wist Oostenrijk de oorlog succesvol voort te zetten. In 1744 viel Frederik opnieuw binnen en eiste hij het koninkrijk Bohemen op. Het plan mislukte, maar de Franse druk op de Oostenrijkse bondgenoot koninkrijk Groot-Brittannië leidde tot een reeks van verdragen met als sluitstuk de Vrede van Aken in 1748. Hierdoor kwam Pruisen in bezit van het grootste deel van Silezië.

Vernederd door de overdracht van Silezië, zocht Oostenrijk diplomatieke toenadering tot Frankrijk en Rusland. Pruisen werd ondertussen in het Britse kamp gedreven. De bondgenootschappen werden zo binnen enkele jaren omgekeerd, de zogenaamde Renversement des alliances. De Zevenjarige Oorlog begon toen Frederik in 1756 Saksen binnenviel en enkele maanden later Bohemen. Omdat deze oorlog op drie continenten werd uitgevochten kan hij beschouwd worden als een eerste "wereld"oorlog.

Deze oorlog was een moeilijke strijd voor het Pruisische leger. Het feit dat het erin slaagde om in heel Europa tegelijkertijd slag te leveren en het meeste gebied te behouden, is dan ook te danken aan de militaire kwaliteiten van Frederik de Grote. Pruisen moest tegelijkertijd het hoofd bieden aan Oostenrijk, Frankrijk, Rusland en Zweden, met enkel Hannover en Groot-Brittannië als bondgenoten. Frederik wist een invasie in zijn landen te voorkomen tot in oktober 1760 Rusland kortstondig Berlijn en Koningsbergen bezette. De situatie was nijpend toen door de dood van keizerin Elisabeth van Rusland eind 1761 de kansen keerden (het "Mirakel van Brandenburg"). De nieuwe, Pruisischgezinde keizer Peter III nam de druk op het oostfront weg. Zweden staakte de strijd rond dezelfde tijd.

De Pruisische overwinning op Oostenrijk in de Slag bij Burkersdorf en de Britse successen tegen de Fransen in de koloniën maakten het voor Pruisen mogelijk om een Status quo ante bellum in Europa te bewerkstelligen. Dit resultaat bevestigde de leidende rol van Pruisen in de Duitse staten en de erkenning als grote mogendheid. Frederik deed het na het bijna-verlies van Pruisen rustig aan, en leefde tot zijn dood als vreedzaam heerser.

Eerste Poolse Deling thumb|De groei van Brandenburg-Pruisen 1600–1795.

Aan de oost- en zuidkant van Pruisen was het Pools-Litouwse Gemenebest in de achttiende eeuw geleidelijk zwakker geworden. Gealarmeerd door de groeiende Russische invloed in Poolse aangelegenheden probeerde Frederik in 1772 bij de eerste van de Poolse Delingen het machtsevenwicht tussen Rusland, Oostenrijk en Pruisen te herstellen. Het koninkrijk Pruisen annexeerde het grootste deel van het Poolse koninklijk Pruisen, inclusief Ermland. Het geannexeerde gebied werd het volgende jaar ingedeeld in de provincie West-Pruisen. Het nieuwe gebied verbond de provincie Oost-Pruisen (het voormalige hertogdom Pruisen) met de provincie Pommeren.

Vorstenbond Om de expansiedrang van de Habsburgse monarchie tegen te gaan, richtte Frederik in 1785 de Vorstenbond op.

Frederik Willem II (1786-1797) Na de dood van Frederik in 1786, volgde zijn neef Frederik Willem II hem op. Na de aanhouding van Lodewijk XVI ondertekende Frederik Willem II samen met Oostenrijk de Verklaring van Pillnitz. Dit werd door de Fransen als een oorlogsverklaring aangezien. Nadat Pruisen en Oostenrijk in 1791 de gevluchte Franse royalisten in het Rijnland en in de Oostenrijkse Nederlanden opvingen en bewapenden om de Franse Revolutie ongedaan te maken begon de Eerste Coalitieoorlog.

De tweede opdeling van Polen in 1793 gooide roet in de samenwerking tussen Pruisen en Oostenrijk. Met de Vrede van Bazel stapte Pruisen uit de Eerste Coalitieoorlog tegen de Franse Republiek. In dit verdrag kwamen Frankrijk en Pruisen overeen dat Pruisen de neutraliteit van de landen van het Heilige Roomse Rijk ten noorden van de Main zou garanderen inclusief de Britse continentale gebieden: Hannover, Bremen-Verden en het hertogdom Saksen-Lauenburg. Hannover moest ook troepen leveren voor een demarcatieleger om een gewapende vrede te verzekeren. Pruisen verloor alle gebieden ten westen van de Rijn aan Frankrijk, wat later leidde tot de oprichting van de Cisrheniaanse Republiek. In 1795 hield het koninkrijk Polen op te bestaan en een groot gebied inclusief Warschau, ten zuiden van Oost-Pruisen, werd onderdeel van Pruisen. Deze nieuwe gebieden werden onderverdeeld in de provincies Nieuw-Oost-Pruisen, Nieuw-Silezië en Zuid-Pruisen.

Frederik Willem III (1797-1840) Napoleontische oorlogen

In de loop van de Tweede Coalitieoorlog (1799–1802) tegen Frankrijk, spoorde Napoleon Bonaparte Pruisen aan om de continentale Britse gebieden te bezetten. In 1801 vielen 24.000 Pruisische soldaten het verraste Hannover binnen dat zich zonder strijd overgaf. In april 1801 arriveerden de Pruisische troepen in Stade, de hoofdstad van Bremen-Verden, en bleven daar tot oktober van hetzelfde jaar. Het Verenigd Koninkrijk negeerde eerst de Pruisische vijandelijkheden maar toen het zich bij de pro-Franse coalitie van onder andere Denemarken-Noorwegen en Rusland voegde begon het Pruisische zeeschepen in beslag te nemen. Na de Zeeslag bij Kopenhagen, viel de coalitie uit elkaar en trok Pruisen zijn troepen terug.

In 1803 werd Hannover bezet door Franse troepen. In het Verdrag van Schönbrunn van 1805 wist Frankrijk het bezit van het keurvorstendom aan Pruisen op te dringen. Frankrijk wilde hiermee vijandschap tussen Engeland en Pruisen veroorzaken. Pruisen nam Hannover in 1806 in bezit, maar met de oprichting van de Rijnbond (1806) bleek dit een lege doos. Op 6 augustus van dat jaar werd het Heilige Roomse Rijk opgeheven. De titel van keurvorst had hierdoor geen waarde meer en verviel. Voordien hadden de Hohenzollern vele titels en kronen, van Hoogste Bestuurder van de Protestante Kerk (summus episcopus) tot koning en groothertog van verschillende gebieden in het rijk. Na 1806 was Frederik Willem III enkel nog koning van Pruisen en summus episcopus.

Pruisen nam deel aan de Vierde Coalitieoorlog tegen het Franse Keizerrijk, maar werd in de Slag bij Jena en Auerstedt (14 oktober 1806) verslagen. Koning Frederik Willem III werd gedwongen zich tijdelijk in Memel terug te trekken. Franse troepen trokken Berlijn binnen. Door de Vrede van Tilsit die in 1807 een einde maakte aan de Vierde Coalitieoorlog, verloor Pruisen de helft van zijn gebied waaronder al het gebied ten westen van de Elbe. Het gebied dat het tijdens de Tweede en Derde Poolse Delingen verkregen had, ging naar het nieuw opgerichte hertogdom Warschau. Frankrijk heroverde het Pruisische deel van Hannover, inclusief Bremen-Verden. Het restant van het koninkrijk werd bezet door de Fransen. De koning werd verplicht om een bondgenootschap met Frankrijk te sluiten en onderdeel worden van het Franse Continentaal stelsel. De Pruisische vernedering deed een nationaal Duits bewustzijn ontstaan dat werd aangewakkerd door de filosoof Johann Gottlieb Fichte met zijn Reden an die deutsche Nation.

Na de mislukte Veldtocht van Napoleon naar Rusland zegde Pruisen het bondgenootschap op en nam het deel aan de Zesde Coalitieoorlog wat voor Duitsland b⁹evrijdingsoorlogen (Befreiungskriege) tegen de Franse bezetting waren. De dienstplicht werd ingevoerd zodat de militaire inspanning niet langer een aangelegenheid was van een bevoorrechte klasse (de junkers), maar van het hele volk. De Pruisische troepen namen onder maarschalk Gebhard Leberecht von Blücher deel aan de Slag bij Waterloo waarbij Napoleon in 1815 definitief verslagen werd.

Na de Slag bij Waterloo thumb|Uitbreiding van Pruisen 1807–1871.