Het essentiële-informatiedocument (Eid), in het Engels key information document (KID), is in de EU een verplicht, gestandaardiseerd document voor verpakte retailbeleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (packaged retail and insurance-based investment products, priip's, ook geschreven PRIIP's of PRIIPs).https://www.afm.nl/nl-nl/consumenten/themas/advies/verplichte-info/fb. Gearchiveerd op 1 september 2022.https://www.afm.nl/nl-nl/consumenten/themas/advies/verplichte-info/eid. Gearchiveerd op 1 december 2022.Voorbeelden ("kid(s)" in de URL is de afkorting van key information document(s)): Turbo Long grondstof: https://kid.bnpparibas.com/NL0012989818-NL.pdf Turbo Long index: https://kid.bnpparibas.com/NL0014844334-NL.pdf

De genoemde turbo's mogen niet direct of indirect aangeboden of verkocht worden in de Verenigde Staten van Amerika of aan US Persons. Gearchiveerd op 29 mei 2022.

Voor beleggingsfondsen is er de essentiële beleggersinformatie (Ebi).

Het Eid en de Ebi zijn aanvullend, en geen vervanging voor het prospectus.

Op de informatie wordt toegezien door de Autoriteit Financiële Markten (AFM).

Productgroepen Euronext heeft Eids voor 26 productgroepen, met voor elke productgroep een generiek Eid, en afzonderlijke per product.https://live.euronext.com/sites/default/files/documentation/product/20200106%20-%20product%20groups%20v5.xlsx. Gearchiveerd op 12 februari 2023. De generieke zijn onder meer:

Onderdelen Het Eid bestaat uit voorgeschreven onderdelen: Algemene informatie Wat is dit voor een product? Wat zijn de risico's en wat kan ik ervoor terugkrijgen? Er staat een risico-indicator in, een getal van 1 (laagste risico) tot en met 7 (hoogste risico). Verder staat er bijvoorbeeld bij een financieel derivaat in of het bedoeld is voor wie een koersstijging van het onderliggende verwacht, of een koersdaling. Er staat dan ook vaak een grafiekje in dat de winst (positief of negatief) als functie van een toekomstige koers van het onderliggende weergeeft. Wat gebeurt er als [naam van de priip-ontwikkelaar] niet kan uitbetalen? Wat zijn de kosten? Hoe lang moet ik het houden en kan ik er eerder geld uit halen? Hoe kan ik een klacht indienen? Andere nuttige informatie

Margin Het onderdeel over risico gaat ook over de margin, bijvoorbeeld:

"Bij het verhandelen van futures bestaat de investering om een positie te openen enkel uit de initiële margin. Deze margin dient als zekerheid om te waarborgen dat de aan de future gekoppelde verplichtingen worden nagekomen. De margin, die dezelfde is voor kopers en verkopers, wordt terugbetaald wanneer de positie wordt gesloten. Winsten en verliezen worden elke dag berekend en onmiddellijk in geld verrekend op basis van de slotkoers van de desbetreffende future. De belegger moet eventuele verliezen onmiddellijk compenseren door het deponeren van extra margin, die bekend staat als variation margin."

Bij het schrijven van een optie is een soortgelijke margin vereist.

Winst of verlies Het onderdeel over risico geeft bij een optie de winst aan:

call long: (max(P-S, 0) – premie) * contractgrootte put long: (max(S-P, 0) – premie) * contractgrootte

en het tegengestelde bij het schrijven van de optie, waarbij P de waarde van het onderliggende op het moment van uitoefenen is, en S de uitoefenprijs van de optie, en de nul correspondeert met niet uitoefenen.

Voorganger: financiële bijsluiter De overheid heeft de Financiële Bijsluiter op 1 juli 2002 ingevoerd en in 2006 vernieuwd. De nieuwe was korter dan de oude, en de bedoeling was dat hij ook duidelijker was. De financiële bijsluiter was in Nederland een gestandaardiseerd document. Per 1 januari 2018 is de financiële bijsluiter vervallen.

Aanbieders van complexe financiële producten moesten de financiële bijsluiter aan hun klanten verstrekken.

Hoewel wordt getracht in dit artikel zo nauwkeurig mogelijke informatie te geven, wordt de lezer erop gewezen dat hij of zij zich persoonlijk nader dient te oriënteren alvorens tot beslissingen over te gaan.

Ondoorzichtige financiële markten Een overzichtelijke markt Traditioneel werden de financiële markten gekenmerkt door betrekkelijke eenvoud. Wie een eigen huis bezat, kreeg van de bank een hypothecaire lening waarvan looptijd en kosten redelijk bekend waren; wie geld overhield, spaarde tegen een variabele maar bekende rente en nam naar behoefte zijn geld weer op; de meer vermogenden belegden in aandelen of in beleggingsfondsen.

Bij dit alles was de risico-/rendementverhouding van centraal belang. Wie het risico meed, nam genoegen met een bescheiden maar betrekkelijk zeker rendement (meestal op een spaarrekening); wie wat meer risico aandurfde of aankon, waagde zich aan producten die kans boden op een hoger rendement (bijvoorbeeld door aandelenbeleggingen op lange of korte termijn). Het verband was relatief inzichtelijk: hoe groter het risico, des te groter ook de kans op een hoog rendement.

Groei In de negentiger jaren van de 20e eeuw namen zowel de vraag als het aanbod toe.

Mede door een lage rentestand groeide de vraag naar aandelen: daarvan werd een hoger rendement verwacht dan van een spaarrekening. Hypotheken kwamen binnen het bereik van meer aspirant-huizenkopers, nu ook hier immers de rentelasten draaglijk leken. Er ontstond voor het eerst in Nederland volkskapitalisme.

Aan de aanbodzijde hadden altijd drie soorten aanbieders geopereerd: banken, beleggingsinstellingen en verzekeraars. Tussen hen begon nu een soort branchevervaging op te treden. Banken gingen beleggingsfondsen en effectendiensten aanbieden aan een steeds breder publiek. Verzekeraars fuseerden met banken tot bank-verzekeraars en brachten niet alleen spaar- en leenproducten op de markt, maar ook verzekeringen en beleggingen.

Gecombineerde producten Vaak werden deze producten in nieuwe mengvormen op de markt gebracht. Bijvoorbeeld: De spaarhypotheek bood een combinatie van aflossen en sparen, de beleggingshypotheek koppelde aflossen aan beleggen. Er ontstonden spaarvormen die met beleggingsinstrumenten werden gecombineerd, terwijl de consument juist ook met geleend geld kon gaan beleggen. Sommige van deze producten ontleenden hun bestaansrecht goeddeels aan belastingtechnische voordelen.

Ingewikkelde producten Een aantal van de aangeboden producten maakte bovendien gebruik van instrumenten die voor de gewone consument veel geheimen hadden. Er ontstonden bijvoorbeeld "clickfondsen", die zodra zij een bepaalde winst maakten, een deel van die winst vast"clickten" voor de consument. Ze deden dat door het aandelenbezit te combineren met afgeleide producten zoals aandelenopties, die zowel riskanter als ondoorgrondelijker zijn voor veel leken. Deze afgeleide producten werden door de bank gekocht, en moesten dus betaald worden. Dit drukte het rendement.

Bovendien verschilden deze fondsen onderling doordat ze alle de winst vastzetten op verschillende niveaus: het ene fonds stelde de eerste winst veilig bij 10% koersstijging, het andere bij 15%. Het ene fonds kende een maximum van vier clicks, het andere van vijf. Het hing af van de toegepaste instrumenten.

Dit bracht een verschil in kosten met zich mee, terwijl die kosten de consument niet precies bekend waren. Hij kwam er het gevoeligst mee in aanraking indien de koersen niet stegen. Dan konden de afgeleide producten niet de verhoopte winst opleveren, maar er was wel voor betaald. Het kon gebeuren dat de belegger zijn geld slechts gedeeltelijk terug zag. Had hij zijn belegging ook nog gefinancierd met geleend geld, dan kon hij zelfs met een schuld blijven zitten.

Beleggingsstrategieën De situatie werd nog ondoorzichtiger. De vele aanbieders wilden zich van elkaar onderscheiden, onder meer door met steeds nieuwe producten op de markt te komen, in diverse categorieën.

Een aantal daarvan waren: Sectorbeleggen Een beleggingsfonds kocht niet langer alle kwaliteitsaandelen die op de markt waren, maar specialiseerde zich in bijvoorbeeld farmacie, ICT of industrie. Regiobeleggen Een fonds specialiseerde zich in Amerikaanse of juist in Nederlandse aandelen, of in die van opkomende economieën. Bottom-up-beleggen Het fonds richtte zich op kansrijke ondernemingen. Top-down-beleggen Het fonds koos kansrijke sectoren, en koos daarbinnen voor de beste ondernemingen.

De markt werd uiterst onoverzichtelijk, vooral om twee redenen: De vele gedifferentieerde producten boden verschil in opvatting, verschil in kansen, maar ook verschil in risico. De markt was veel minder gesegmenteerd dan voorheen: vele consumenten kozen uit een ongelijksoortige verscheidenheid van producten.

2002: Besluit Financiële Bijsluiter Vergelijkingsinstrument Er ontstond grote behoefte aan een instrument om complexe financiële producten met elkaar te kunnen vergelijken. Omdat het daarbij vooral ging om de werking en het risico van een product, drong zich de analogie op met geneesmiddelen: die werden al jarenlang verkocht met een "bijsluiter", waarin het effect en de mogelijke bijwerkingen van het product werden beschreven, en dat in taal die voor de leek begrijpelijk moest zijn.

Een dergelijke bijsluiter moest er ook komen voor financiële producten. Hij moest de consument een drietal mogelijkheden bieden: Beoordeling De informatie in de bijsluiter moest de aspirant-koper de mogelijkheid bieden zich een oordeel te vormen over een aantal aspecten van het product. Zo moesten de voorwaarden en de risico's helder zijn. Intrasectorale vergelijking De aspirant-koper moest de gelegenheid krijgen het product te vergelijken met andere producten in dezelfde categorie. Door de bijsluiter van een beleggingsfonds in Nederlandse aandelen naast een bijsluiter van een wereldwijd fonds te leggen, moest hij zich bijvoorbeeld een oordeel kunnen vormen over het verschil in rendement en risico tussen beide fondsen. Intersectorale vergelijking Net zo'n afweging moest de aspirant-koper kunnen maken door de bijsluiter van producten uit geheel verschillende categorieën met elkaar te vergelijken; bijvoorbeeld die van een aandelenleaseplan met die van een obligatie-beleggingsfonds.

Vanaf 1 juli 2002 waren aanbieders verplicht voor alle complexe producten een bijsluiter te verschaffen. Op de informatie daarin werd toegezien door de Autoriteit Financiële Markten (AFM), die ook een aantal standaardteksten voorschreef waaraan de instellingen zich dienden te houden. (Die namen wel de vrijheid enkele noodzakelijke taalkundige verbeteringen aan te brengen.) De AFM schreef een aantal onderwerpen voor waarover verplicht informatie moest worden gegeven. Andere onderwerpen waren facultatief.

Verplichte informatie In de bijsluiter moet ten minste informatie staan over: de bijsluiter zelf (doel ervan, verwijzing naar verdere informatie) risico's (resultaat kan tegenvallen; geleend geld is extra riskant) het product (korte beschrijving) verplichtingen van de consument (waaraan is de consument gebonden, en voor hoelang?) rendement (inzicht in kansen en kosten) "uitstappen" (kan de consument er vervroegd van af?) de consequenties bij overlijden (wat krijgen nabestaanden, en wat doet de belasting?) fiscale aspecten (welke belastingregels gelden er?) klachten, garantie en toezicht (waar kan men een klacht indienen, is er een garantieregeling; de AFM wordt vermeld als toezichthouder).

Andere informatie Afhankelijk van het product bevat de bijsluiter voorts informatie over: eventuele bedenktijd informatieverstrekking (is er bijvoorbeeld een werkgeversverklaring nodig?) toepasselijk recht (is er wellicht buitenlands recht van toepassing?) toetsing en registratie (wordt het BKR in Tiel ingeschakeld?) informatieverkrijging (is er aanvullende informatie beschikbaar?) overige informatie (valt er nog meer te vertellen?).

Tabellen De bijsluiter bevat een aantal voorbeeldtabellen, die een drietal mogelijke rendementen aangeven: het pessimistische rendement (bij tegenvallende resultaten) het doorsnee rendement (dat uitgaat van een resultaat van 4%) het historisch rendement