Rallycross, in Nederland ook wel rallyracing genoemd, is een autosport thumb|Rallycross op het Duivelsbergcircuit in Maasmechelen thumb|De supernationals Cup tijdens het EK 2006 op het Duivelsbergcircuit in Maasmechelen

Circuits Rallycross wordt op permanente circuits van circa 1 kilometer lang gereden (minimum 950, maximum 1400 meter). Die circuits zijn deels verhard, deels onverhard. In principe geldt dat minstens 35% verhard moet zijn en minstens 40% onverhard, maar bij uitzondering worden ook autocrosscircuits gebruikt (volledig onverhard), op voorwaarde dat de startgrid wel van asfalt of beton is (bijvoorbeeld de baan "Am Matschenberg" die af en toe gebruikt wordt voor het Duits kampioenschap, en het Circuit André Toton dat enkele keren op de Franse rallycrosskalender stond).

Kenmerkend voor veel circuits is ook de aparte startstrook, dat wil zeggen dat de startplaats in het verlengde ligt van een rechte lijn of grote bocht, zodat de volgende starters zich al kunnen opstellen terwijl de vorige nog aan het racen zijn. Meestal bevindt de finish zich ook op die rechte lijn of in de bocht, net voor de piloten er terug op komen. Vanaf de finish mogen de piloten niet rechtdoor terug het rennerskwartier in kunnen rijden (zodat ze dat zeker niet met volle snelheid doen). De eerste 30 meter vanaf de start moeten zeker verhard zijn en tot de eerste bocht moet de afstand minstens 100 meter bedragen. Het circuit moet overal 10 tot 25 meter breed zijn en van de start (minimumbreedte 13,5 m: 2,5 m per starter + minstens een halve meter aan elke kant tot de baanrand) tot de eerste bocht mag er zeker geen versmalling zijn.

De voor internationale wedstrijden erkende circuits bezitten een zogenaamde Joker Lap-sectie (lap = ronde), een iets tragere variant (bijvoorbeeld een stuk onverhard buitenom een geheel of deels verharde bocht) die de piloten in elke reeks en finale één keer moeten nemen, maar ze mogen zelf kiezen in welke ronde. Deze ronde wordt dan hun Joker Lap genoemd. Tijdens de vrije training mag de Joker Lap gereden worden, tijdens de tijdtraining wordt aan de Joker Lap-sectie voorbijgereden. Een Joker Lap moet minstens twee seconden langer duren dan een normale ronde. Om de veiligheid te garanderen moet de snelheid van de piloten die het 'normale' circuit voor hun Joker Lap verlaten ongeveer even hoog kunnen zijn als die van de piloten die zich op die plek op het 'normale' circuit bevinden. De breedte is maximaal 14 m. Veel circuits bezitten ook een chicane, een iets smallere en soms vrij scherpe bocht. Vaak kan deze – zeker als ze op de eerste rechte lijn ligt (zie boven: minimumafstand en -breedte tot eerste bocht) – in de eerste ronde gewoon rechtdoor voorbijgereden worden (bijvoorbeeld op het Eurocircuit in Valkenswaard).

De hier vermelde cijfers komen uit de reglementen van de FIA, de Fédération Internationale de l'Automobile, en zijn dus niet per definitie op alle circuits van toepassing waar niet door de FIA georganiseerde kampioenschappen plaatsvinden. Zo bedroeg de minimumbreedte volgens de AFOR-reglementen (Frankrijk) tot voor enkele jaren slechts 6 meter (nu: breedte 12-17 m) en is het minimum onverhard volgens de KNAF-reglementen (Nederland) 35% en de minimumafstand tot de eerste onverharde strook 50 m.

Verloop van een wedstrijd Eerst krijgen de piloten de kans om enkele rondjes te rijden om met het circuit en zijn toestand vertrouwd te raken (meestal 2x 3 rondjes; bij wedstrijden over twee dagen, bijvoorbeeld voor het EK, begint de tweede dag ook met een "warm up" van 1x 3 rondjes vrije training). Na deze vrije training is er de tijdtraining: de piloten rijden individueel 3 rondjes. Van de tweede en de derde wordt de tijd gemeten en aan de hand van het beste resultaat wordt de startvolgorde voor de eerste reeks bepaald.

Daarbij starten de wagens per 3, 4 of 5 (van onderaan geteld per 5 tot er 10 of minder overblijven, dan die per 3, 4 of 5 de even bij elkaar en de oneven bij elkaar) tegelijk en naast elkaar, met als "pole" de positie aan de binnenkant van de eerste bocht. Naargelang het kampioenschap en het circuit worden er 3, 4 of 5 rondjes afgelegd. De tijd hiervan geldt voor de startvolgorde voor de tweede reeks, die op dezelfde manier verloopt. Dan volgt er nog een derde reeks. Voor de startvolgorde daarvan gelden de tijden uit de eerste en tweede reeks samen.

Na de reeksen volgen de finales. De twee beste resultaten van de reeksen worden gebruikt om de startvolgorde te bepalen; twee keer de finish bereiken tijdens de reeksen is dus nodig om een finale te mogen rijden. Er zijn 4 finales: D, C, B en A. Een D-Finale wordt enkel georganiseerd indien er minstens 30 piloten gekwalificeerd zijn voor de Finales. De 6 met de hoogste scores gaan naar de D-Finale. De eerste en tweede gaan samen met de volgende 4 gekwalificeerde piloten, naar de C-Finale. De winnaar daarvan krijgt de laatste startplaats bij de vijf volgende in de B, analoog voor de A. De piloten starten niet meer naast elkaar maar verspringend: de eerste start op de pole, de tweede op positie 3, de derde achter positie 2, de vierde achter positie 4, de vijfde twee plaatsen achter de tweede en de laatste twee plaatsen achter positie 5 van de reeksen (het kan ook gebeuren dat de startrij van de reeksen als laatste startrij van de finales dienstdoet en dat plaatsen 1 tot en met 4 van de finales zich dus verder naar voor bevinden). Bij wijze van uitzondering wordt er voor nationale kampioenschappen (onder andere in Nederland en Ierland) ook per acht gestart in de finales, met 3 piloten naast elkaar op de eerste en de derde rij. De afstand tussen de startstrepen van de verschillende rijen bedraagt 6 meter. Naargelang het kampioenschap en het circuit rijden de piloten dan 4, 5, 6 of zelfs 7 ronden. De tijd speelt geen rol meer; het is de plaats die telt.

Voor de startvolgorde worden niet de tijden bij elkaar opgeteld, maar wel de daarmee verbonden plaatsen in de bewuste reeks. Wie in een reeks de snelste tijd neerzet, krijgt voor die reeks één punt, de tweede twee, en zo voort. Wie in de twee eerste reeksen de snelste tijd neerzet heeft dus sowieso de pole in de A-finale, want niemand kan nog beter doen dan twee punten, en hoeft dus in principe de derde reeks niet meer te rijden. Wie uitvalt krijgt 80 punten, wie niet start 90 en wie gediskwalificeerd wordt 95. Deze punten kunnen niet in rekening gebracht worden voor de startvolgorde van de finales (vandaar dat twee tijden noodzakelijk zijn). Voor de uitslag van de wedstrijd telt enkel de volgorde waarin men de finishlijn overschrijdt; de resultaten van de reeksen spelen geen rol meer.

Soms (onder andere in Duitsland en Groot-Brittannië) wordt er na de eigenlijke finales nog een zogenaamde superfinale gereden. Deze race verloopt zoals een gewone finale, maar de starters kunnen uit de verschillende divisies komen. Degenen die aan de start mogen komen zijn immers de acht of zelfs tien (start in vier rijen: 3-2-3-2) piloten die tijdens de reeksen de snelste rondetijden hebben gedraaid.

Vlaggen Tijdens een rallycrosswedstrijd worden signalen gegeven door middel van vlaggen. De afstand tussen twee vlaggenposten is in principe maximaal 200 meter (maximaal, want de posten moeten zo liggen dat de officials van één post die van de vorige en die van de volgende kunnen zien).

De startprocedure wordt in principe in gang gezet met de rood-wit geblokte (bij uitzondering de nationale of een groene vlag). Afvlaggen gebeurt met de zwart-wit geblokte, eventueel in combinatie met rood of gezwaaid geel waar de piloten het circuit verlaten en terug de paddock induiken. De start wordt gegeven door middel van startlichten. Als deze om een of andere reden niet gebruikt kunnen worden, wordt de start ook met een vlag gegeven, dit gebeurt dan met de nationale vlag van het land waar het circuit gelegen is. Deze vlag kan ook gebruikt worden om de individuele rijders te laten starten bij de vrije training en de tijdtraining, maar in dat geval kan ook gewoon de groene vlag gebruikt worden.

Voor de start moet het circuit vrijgegeven worden. Dat gebeurt door aan elke vlaggenpost groen te vlaggen en eventueel aan de eerste eerst rood en dan rood-wit te zwaaien.

De gele vlag betekent dat er een voertuig of voertuigonderdeel zich in de gevarenzone bevindt. Enkel en stil betekent voertuig in zandbak, enkel gezwaaid betekent onderdeel op baan, dubbel gezwaaid betekent voertuig op de baan. Deze vlag wordt gegeven aan de laatste post voor het obstakel bij de eerste passage. Bij de tweede steeds enkel en stilgehouden, daarna gaat de vlag weg, tenzij de situatie intussen veranderd is. Indien een voertuig zich tussen de finish en de eerste vlaggenpost bevindt, mag er tijdens de laatste ronde niet voor gevlagd worden, omdat het zich dan buiten wedstrijd bevindt. Onder gele vlag moeten de piloten hun snelheid matigen en zich klaarhouden om eventueel uit te wijken. Inhalen is dan ook verboden.

Met de rode vlag legt men de wedstrijd stil, bijvoorbeeld omdat een gecrasht voertuig te gevaarlijk staat of omdat een valse start werd waargenomen.

De zwarte vlag met nummerbord betekent dat de piloot met het getoonde startnummer voor die reeks gediskwalificeerd wordt. De diagonaal verdeelde zwart-witte vlag is een waarschuwing voor onsportief gedrag en wordt ook getoond aan wie een valse start maakt. Tweemaal deze vlag in dezelfde reeks betekent zwart. Zwart met een oranje bol wordt getoond aan piloten wiens voertuig, bijvoorbeeld na een aanrijding, een zwaar defect vertoont dat voor de piloot of voor anderen een gevaar betekent of zou kunnen betekenen. Deze piloot moet dan zo snel mogelijk de paddock inrijden.

De blauwe vlag wordt getoond aan een piloot als hem een snellere wagen volgt. Stilgehouden betekent dit gewoon voorbij laten, gezwaaid: voorbij laten of u wordt gestraft. De witte vlag wordt getoond aan de snellere piloot die achter deze tragere wagen rijdt.

Tot slot is er nog de geel-rood verticaal gestreepte vlag. Deze wordt door de starter getoond voor de wagens vertrekken en betekent dat er olie op de baan ligt. De starter wijst ook aan waar op de baan dit het geval is. Ook als delen van de baan tussen twee reeksen met water besproeid zijn (bijvoorbeeld de onverharde delen om minder stof te hebben), wordt deze vlag bij de start getoond aan de eersten die na het besproeien starten. Soms wordt ze ook getoond aan de laatste post voor de bewuste plek, en zeker als de olie er pas tijdens de race terecht is gekomen (bijvoorbeeld van een gecrasht voertuig dat nog op eigen kracht naar een veiligere stopplaats/de paddock is gereden).

Er zijn ook nog enkele niet-officiële vlaggen. Dit zijn dan vlaggen die in andere autosportdisciplines wel gebruikt worden en bij uitzondering ook bij rallycross te zien zijn. Een voorbeeld is de gele vlag met een zwart kruis, die gebruikt wordt om het ingaan van de laatste ronde aan te geven (heel zelden wordt hiervoor ook de witte vlag gebruikt). Op de meeste circuits wordt echter aan de finish het aantal nog te rijden ronden aangegeven (verplicht voor FIA-wedstrijden), waardoor deze vlag eigenlijk overbodig is, en zelfs waar er geen teller staat wordt deze vlag nog niet erg frequent gebruikt.

Indien een piloot een vlag negeert, beslist de wedstrijdleiding over zijn straf. Dit kan een geldboete zijn, maar meestal resulteert het negeren van een andere vlag dan de zwarte in een zwarte vlag en het negeren van de zwarte vlag in een uitsluiting van de race.

Punten