Atheneum College Hageveld is een atheneum in Heemstede dat is voortgekomen uit het in 1817 gestichte kleinseminarie Hageveld.
Hageveld I Het kleinseminarie Hageveld werd opgericht op initiatief van mgr. Aloysius Ciamberlani, vicesuperior van de Hollandse Zending, en Jacobus Johannes Cramer, aartspriester van Holland en Zeeland. Zij belastten in 1816 drie jonge geestelijken met de stichting: Cornelius Richardus Antonius van Bommel, Wilhelmus Franciscus van Niel en Cornelis Ludovicus van Wykerslooth van Schalkwijk. Van Bommel werd de eerste regent.
Op 3 mei 1817 kochten zij gezamenlijk de buitenplaats Hageveld aan de Driehuizer Kerkweg in Velsen. Het seminarie ontleende zijn naam aan deze buitenplaats. In het eerste jaar werden drie leerlingen toegelaten; het eerste volledige cursusjaar begon met tien studenten. Zij kregen middelbaar onderwijs en een godsdienstige vorming ter voorbereiding op hun verdere priesteropleiding aan het grootseminarie in Warmond.
Omdat Hageveld niet door de overheid was erkend als school waar Latijn en Grieks mochten worden onderwezen, moest het seminarie in 1825 zijn deuren sluiten. Na intrekking van deze maatregel werd het in 1830 heropend. Ondanks uitbreidingen in 1836 en 1837 werd het gebouw uiteindelijk te klein. Ook de moeilijke bereikbaarheid vormde aanleiding om naar een andere vestigingsplaats uit te zien.
Hageveld II In oktober 1845 werd de buitenplaats Schoonoord in Voorhout aangekocht voor de bouw van een nieuw seminarie. De bouw begon in 1846. Het nieuwe gebouw bood plaats aan 150 studenten en werd voor het cursusjaar 1847-1848 in gebruik genomen, dat met 108 studenten begon. Op 16 november 1847 werd het seminarie ingewijd. De naam Hageveld verhuisde met de instelling mee naar Voorhout.
Na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland kwam Hageveld in 1853 onder het bestuur van de bisschop van Haarlem te staan en kreeg het de naam Bisschoppelijk Seminarie Hageveld. Door de groei van het aantal studenten werd het gebouw in 1870 en 1871 uitgebreid, waarna het plaats bood aan ongeveer 200 leerlingen. In 1895 was ook deze capaciteit overschreden en moest de hoogste klas tijdelijk in het grootseminarie van Warmond worden ondergebracht.
Vanaf 1918 werden plannen gemaakt om het seminarie opnieuw uit te breiden. Toen verbouwing te kostbaar bleek, besloten bisschop Augustinus Josephus Callier en regent Theodorus Franciscus Ebbinkhuysen elders een nieuw seminarie voor ten minste vierhonderd studenten te laten bouwen. Dit leidde tot de aankoop van landgoed ’t Groot Clooster in Heemstede en de bouw van Hageveld III.
Hageveld III thumb|Seminarie Hageveld, 1895 (kaart verstuurd in 1902) te Voorhout (1847-1923) thumb|Hageveld 1925 Inwijding kapel, borstbeeld van Aug. Jos. Callier thumb|Hageveld 1925 Inwijding kapel, gezicht in vogelvlucht op het seminarie
De bewoningsgeschiedenis van het terrein van Hageveld gaat duizenden jaren terug. Het terrein ligt op een oude strandwal die rond 4000 v.Chr. stabiliseerde en al in de late steentijd werd bewoond. Op Hageveld zijn onder meer aardewerk, vuurstenen werktuigen, een geslepen bijl en kralen gevonden van mensen van de Vlaardingencultuur, die hier waarschijnlijk tussen 3400 en 2850 v.Chr. woonden. Ook uit de bronstijd, ijzertijd, de (inheems-)Romeinse periode en de vroege middeleeuwen zijn vondsten bekend. Deze wijzen in ieder geval op herhaald gebruik van het terrein.
In de middeleeuwen lag het terrein aan de Grote Geest, die deel uitmaakte van de geestnederzetting van Heemstede. De Grote Geest strekte zich uit van Bennebroek tot het terrein van ’t Groot Clooster en bestond uit akkercomplexen met verspreide bebouwing langs wegen en paden. Mogelijk is ook de hofstede Willigenhorn uit deze oudere agrarische bewoningsstructuur voortgekomen.
Vanaf de late middeleeuwen is de geschiedenis ook uit geschreven bronnen te volgen. Willigenhorn wordt voor het eerst vermeld in 1455, toen de hofstede werd geschonken voor de stichting van het cisterciënzer mannenklooster De Hemelpoort, in het Latijn Porta Coeli. Het klooster behoorde tot de hervormingsgezinde congregatie van Sibculo, die soberheid, gemeenschappelijk bezit en afzondering nastreefde. In 1458 begon de bouw. Rond de eerste, vermoedelijk uit klooster Mariënhaven afkomstige monniken en hun prior ontstond in de daaropvolgende jaren een volwaardig kloostercomplex, met een afzonderlijke kerk die in 1465 of 1466 werd gewijd. Lekenbroeders verrichtten een belangrijk deel van het werk op het land, in de huishouding en bij de bouw.
Tijdens de Tachtigjarige Oorlog werd het klooster op 27 juni 1572 vermoedelijk door de Watergeuzen geplunderd en ontmanteld. De uitgeweken monniken keerden na het vertrek van de Spaanse troepen in 1576 niet meer terug, waarmee het kloosterleven hier definitief eindigde.
Waarschijnlijk ontwikkelde het voormalige kloosterterrein zich al tussen 1581 en 1596 onder de familie Van Loo tot buitenplaats. Vanaf de aankoop door Hans Fabri in 1613 is het gebruik als buitenverblijf met zekerheid vast te stellen. Het Clooster werd daarna geleidelijk uitgebreid. In 1753 werd de aangrenzende buitenplaats Sparenburg aangekocht en aan Het Clooster toegevoegd. In 1793 volgden de gronden van de voormalige buitenplaats Meermond. (Deze buitenplaats lag ter hoogte van het huidige terrein van voetbalvereniging HBC. Het huidige Park Meermond ligt min of meer op de locatie van de voormalige Molenwerf.) Door deze samenvoegingen ontstond een groter aaneengesloten bezit. Met de bouw van twee villa’s voor permanente bewoning in 1873 maakte de buitenplaatsfase plaats voor de landgoedfase. Het samengestelde bezit werd bekend als landgoed ’t Groot Clooster.
Omdat het seminarie in Voorhout te klein was geworden, zocht het bisdom Haarlem naar een geschikte locatie voor een nieuw kleinseminarie. Op 17 januari 1920 werd het landgoed ’t Groot Clooster in Heemstede voor 450.000 gulden aangekocht. De koop liep aanvankelijk via de Heemsteedse commissionair H.A. Schouten. Op 23 januari werd vastgelegd dat hij het landgoed namens het bisdom Haarlem, vertegenwoordigd door bisschop Augustinus Josephus Callier, had gekocht.
Voor het nieuwe Hageveld ontwierp architect Jan Stuyt een groot seminariecomplex met bijbehorende dienstwoningen en dienstgebouwen. Op 22 april 1921 werd de bouw in onderhandse aanbesteding opgedragen aan aannemer C.A.M. Jonckbloedt. Kort daarna begonnen de voorbereidingen en in de zomer kwam de bouw goed op gang. Tegelijkertijd verrezen twee door Stuyt ontworpen gebouwen die tijdens de bouw een tijdelijke functie hadden, maar al bij het ontwerp als dienstwoningen waren bestemd. Beide panden werden in 1921 voltooid. De Directiekeet diende tijdens de bouw als kantoor en tekenkamer en als woning voor de hoofdopzichter. De woning bij de ingang aan de Molenwerfslaan was aanvankelijk bestemd voor de uitvoerder. In 1923 begon de bouw van de eveneens door Stuyt ontworpen Bakkerij en Slachterij. De laatste werkzaamheden hieraan werden in 1924 voltooid.
Op 19 september 1923 betrokken 318 studenten en 21 priester-docenten het nieuwe seminarie. Het complex was toen nog niet helemaal klaar. De grote kapel met haar beeldbepalende koepel was nog in aanbouw en ook in het hoofdgebouw moesten nog werkzaamheden worden uitgevoerd. Binnen enkele weken kon het dagelijkse seminarieleven echter zijn gewone gang gaan. De bouw ging ondertussen verder. Vooral de kapel vergde nog veel werk. Op 15 juli 1925 werd het grootste deel van de werkzaamheden als voltooid beschouwd. Een dag later, op 16 juli, wijdde bisschop Callier de kapel in. Daarmee was het nieuwe Hageveld feitelijk voltooid. Enkele kleinere werkzaamheden gingen nog door. Op 31 december 1925 sloot hoofdopzichter Veltman zijn bouwdagboeken af en beschouwde hij alles als voltooid en afgeleverd.
Tijdens de Duitse bezetting kreeg Hageveld al snel met de oorlog te maken. Op 10 mei 1940 stuurde de regent de leerlingen naar huis. Diezelfde dag nam het Rode Kruis het gebouw in gebruik met het doel er een ziekenhuis van te maken. Na de Nederlandse capitulatie vertrok het Rode Kruis op 16 mei en op 20 mei gingen de lessen weer verder. In de maanden daarna waren er verschillende Duitse plannen om delen van Hageveld te vorderen, maar die gingen aanvankelijk niet door. Op 29 oktober 1940 kondigde de Wehrmacht aan Hageveld als kazerne te willen gebruiken. De studenten, docenten en het grootste deel van het personeel moesten vertrekken. Deze eerste Duitse bezetting duurde slechts enkele weken. Op 19 november kreeg de regent bericht dat de Wehrmacht Hageveld had verlaten en kon het seminarie terugkeren.
Eind mei 1942 volgde een veel ingrijpender vordering. Op 27 mei inspecteerden officieren van de Kriegsmarine het gebouw. De volgende dag vertrokken de meeste leerlingen en op 29 mei verlieten ook de laatste studenten, docenten en personeelsleden Hageveld. De leerlingen werden voor kortere of langere tijd verspreid ondergebracht in onder meer Amsterdam, Bodegraven, Haarlem, Leiden, Noordwijkerhout, Rotterdam, Venhuizen, Warmond en Westwoud. Vanuit een huis aan de Vijverlaan in Haarlem bleef de leiding van het seminarie de organisatie en het contact met leerlingen en ouders regelen. Het onderwijs ging dus door, maar verspreid over verschillende plaatsen.
Hageveld werd vervolgens gebruikt door de 2. Schnellboots-Flottille, ook bekend als Dienststelle M 16899. De snelle torpedoboten van deze eenheid opereerden vanuit de haven van IJmuiden, terwijl Hageveld als kazerne voor een deel van het marinepersoneel werd gebruikt. Het terrein kreeg daarbij een sterk militair karakter. Volgens een verslag over de oorlogsschade werden ongeveer 760 meter versperringen, 1.500 meter loopgraven, 225 eenmansgaten en drie bunkers aangelegd. Ook kwamen er schiet- en splinterbanen voor oefeningen met wapens en handgranaten. Een van de loopgraven liep bijna over de hele lengte van het sportveld. Onder de overdekte gangen aan de cour werden garages en een autowerkplaats ingericht. In 1944 werden gevels, daken en zelfs de brug van geschilderde camouflagepatronen voorzien.
Op 1 april 1945 werd Hageveld opnieuw gevorderd, ditmaal als Duits militair lazaret. Op de daken aan de voorzijde en op de cour werden grote rode kruizen in witte cirkels aangebracht. Op 9 april arriveerden eerst negen gewonde Canadese militairen. Enkele dagen later maakten zij plaats voor meer dan vijfhonderd lichtgewonde militairen in Duitse dienst. Uit persoonlijke bezittingen die later op de zolder van de jongensrefter werden teruggevonden, bleek dat zich onder hen ook meerdere vrijwilligers uit de Kaukasus bevonden.
Na de Duitse capitulatie verlieten de laatste Duitse bewoners van Hageveld, ongeveer tachtig mannen met vrouwen en kinderen, op 15 mei 1945 het terrein. Daarna begon het herstel. Op 1 september 1945 arriveerden de eerste studenten weer op Hageveld en ging het seminarie weer over tot de orde van de dag.
Na de splitsing van het bisdom Haarlem en de oprichting van het bisdom Rotterdam werd in Noordwijkerhout een nieuw kleinseminarie gebouwd. In 1961 vertrok een deel van de leerlingen en docenten van Hageveld naar het daar geopende seminarie Leeuwenhorst. Vanaf 1958 mocht de school van Hageveld door de overheid erkende gymnasiumdiploma’s uitreiken. Na 1960 nam het aantal priesterstudenten snel af en veranderde Hageveld geleidelijk van een kleinseminarie in een school met internaat.
Met ingang van het schooljaar 1965-1966 werd de school ook toegankelijk voor externe leerlingen die geen priesteropleiding volgden. Op 14 februari 1966 werd het onderwijs ondergebracht in de zelfstandige stichting Bisschoppelijk College Hageveld, die de benodigde ruimten van het seminarie huurde. Het internaat bleef onder het seminarie vallen en werd vanaf het schooljaar 1966-1967 eveneens opengesteld voor leerlingen die geen priester wilden worden.