Pieter Joseph (Piet) Kuhn (Amsterdam, 22 mei 1910 – aldaar, 20 januari 1966) was een Nederlandse striptekenaar, vooral bekend om zijn reeks De avonturen van Kapitein Rob. Het Strip Documentatie Centrum Nederland (SDCN) verbonden aan de UBA ( Universiteitsbibliotheek Amsterdam) bezit een kopie van de verwijderde website van Cor Mulder met zeer veel extra informatie over Pieter Kuhn en Kapitein Rob.
Met Marten Toonder (Tom Poes, Kappie, Panda, Koning Hollewijn) en Hans G. Kresse (Eric de Noorman, Matho Tonga, Wetamo, Mangas Coloradas, Indianenreeks) wordt Kuhn door veel stripliefhebbers gerekend tot de belangrijkste drie Nederlandse striptekenaars van na de Tweede Wereldoorlog. Zijn tekenstijl wordt over het algemeen als technisch knap omschreven, hoewel hij niet bekendstaat als begenadigd kunstenaar. Het bedenken van plots wordt vaak gezien als zijn sterkste punt, terwijl de precieze teksten bij het verhaal een zwakte waren. Hij werd bij de strip Kapitein Rob uit het dagblad Het Parool dan ook bijgestaan door andere tekstschrijvers, onder anderen door zijn Parool-collega Evert Werkman. Kuhn maakte ook de strip De geniale constructie (1965). Hij verzorgde verder boekillustraties en tekende voor filmaffiches, bladmuziek, reclamewerk, boekenleggers, een kwartetspel en prentbriefkaarten.
Beginperiode Kuhn volgde in de jaren 20 van de 20e eeuw lessen op de Kunstnijverheidsschool Quellinus in Amsterdam. In de periode 1930-1932 volgde hij een avondcursus op de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten. Hij werkte toen reeds bij drukkerij Senefelder, waar hij een opleiding tot lithograaf volgde en in 1929 zijn diploma behaalde. Hij trad in 1932 in dienst bij drukkerij Van Dooren in Vlaardingen als reclametekenaar. Hij ontwierp in die tijd daarnaast onder andere filmaffiches met Marlene Dietrich, Maurice Chevalier en Mae West, waarbij hij kleine afbeeldingen met een vergrotingsprojector op de muur projecteerde, illustreerde boeken en werkte als boekbandontwerper. Nadat zijn pogingen om zich te vestigen als zelfstandig ontwerper en illustrator schipbreuk hadden geleden, verhuisde hij in 1939 naar Hilversum, waar hij ging werken bij reclamebureau Kastelein. Hij verzorgde daar reclamewerk en werkte onder anderen samen met Alex Jagtenberg en Cornelius van Velsen. Werk van hem kan men vinden in het blad De Basis dat uitgegeven was door het reclamebureau zelf. Hierin staat in feite zijn eerste stripillustratie (Loeb).
Tweede Wereldoorlog Tijdens de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) speelde hij een (volgens hemzelf) bescheiden rol in het Verzet met het vervalsen van persoonsbewijzen (bijvoorbeeld voor de joodse uitgever Hein Kohn), het illustreren van illegale boeken (onder andere De Steppenwolf van Hermann Hesse, uitgegeven door Richard Bing te Hilversum en niet zoals vermeld, door de Payottenpers te Dendermonde; was dekmantel) en het helpen van onderduikers in zijn huis te Hilversum en op zijn schip te Loosdrecht (zie bij "Sprookjesboeken"). Ook had hij een functie bij de keurstoottroepen van de Nederlandsche Binnenlandsche Strijdkrachten (NBS). Bij een razzia in zijn straat (Van Beuningenstraat 23) moest Kuhn met onderduikers onder de vloer verdwijnen. Gelukkig werd zijn huis overgeslagen. Een inval van gewapende Duitsers noodzaakte hem in Haarlem onder te duiken.
De wens voor zichzelf te beginnen had hem echter niet losgelaten en hij nam in 1942 ontslag bij het reclamebureau, waar hij de functie van chef-tekenaar had. Alex Jagtenberg volgde hem hierbij. Hij illustreerde in die tijd boeken, waaronder de sprookjes van Grimm, voor diverse uitgevers, zoals Holle & Co., A. Rutgers, G.W. Breughel en A.G. Schoonderbeek. Volgens Pieter Kuhn zelf was zijn werk voor de Duitsgezinde Volksche Uitgeverij Westland (in 1942, maar vooral 1943 en 1944), die in feite volledig in handen van de bezetter was, een dekmantel voor zijn reeds genoemde ondergrondse activiteiten. Hij illustreerde voor deze Amsterdamse uitgeverij het binnenwerk van de boeken Goudhals en Goden- en heldensagen, maar ook de boekomslagen van sterk propagandistische werken, zoals Stuka's vallen aan!, Doodgravers van het Britsche Imperium en De nieuwe grondslag van ons denken. Paul Arnoldussen van het dagblad Het Parool leverde hier in 1999 kritiek op. Dit is, gezien de uitvoering van de illustraties, zeer begrijpelijk. Inmiddels zijn 55 door Kuhn geïllustreerde boeken bekend. Dit betreft banden, stofomslagen en omslagen en tweemaal het binnenwerk. De tekeningen hebben kwaliteit, maar kunnen qua uitvoering zeker niet altijd gewaardeerd worden of erger dan dat. Naast Westland illustreerde Kuhn ook voor enkele andere collaborerende uitgeverijen, zoals A. Rutgers en Holle & Co. Hierin staan echter geen bedenkelijke tekeningen. Bij Westland zelf zijn het er enkele. Met name bij Doodgravers van het Britsche Imperium, Duivels met dubbele tongen ( ?), Stuka's vallen aan! , De tsaar, de toovenaar en de joden en Weerzien met Sovjet-Rusland. Ook voor niet-gepubliceerd werk had hij getekend.
Volgens Cornelius van Velsen, een ex-collega van Pieter Kuhn bij het reclamebureau Kastelein [J.P. (Jaap) Kastelein)], tekende Kuhn vooral voor Westland om een dekmantel te hebben voor zijn ondergrondse werkzaamheden, maar ook om niet naar Duitsland gestuurd te worden. Bovendien had hij een gezin te onderhouden. Uit correspondentie met Westland bleek dat brieven niet voorzien waren van 'Kameraad' en 'Hou Zee!', maar 'Geachte Heer' en 'Hoogachtend'. Hij hoorde er dus absoluut niet bij. Een interessant detail is dat het boek Verloren Paradijs, dat in de oorlog door Westland wel was aangekondigd, maar evenals enkele andere vrijwel zeker niet verscheen, kort na de oorlog toch opdook. Kuhn had de originele tekening bewaard. Het kwam uit bij zijn vriend Geert Breughel (G.W. Breughel). De auteur Bengt Berg was een Zweed en het was een neutraal boek. Dit laatste in tegenstelling met de andere vrijwel zeker niet verschenen titels Gudrun-sage (afgebeeld in een Westland-catalogus, maar onvindbaar), Kunst en Ras, De Noordsche Ziel en Vijand in zicht. Het leverde voor Verloren Paradijs een fraai stofomslag op. Dora Holdenrieth verscheen, ondanks tegengestelde berichten, toch op een duistere wijze, maar dan zonder de Westland-bandillustratie van Kuhn. Het is uit brieven bekend dat Kuhn een exemplaar ontvangen had en aan de bandtekening van plat en rug moest werken. In een notitieboekje van Corrie Meilink, verbonden aan Westland, stonden (nog Duitse) titels vermeld van boeken die Kuhn moest gaan illustreren.
Kapitein Rob Omdat er tegen het einde van de oorlog steeds minder opdrachten binnenkwamen, ontwikkelde Kuhn ideeën voor een krantenstrip, die hij kort na de bevrijding aanbood aan de voormalige verzetskrant Het Parool. Het stripverhaal gaat over de avonturen van een zeezeiler, voor wie dan nog een aansprekende naam moet worden bedacht. Toen dit stripverhaal door de krant werd geaccepteerd, stortte hij zich vol overgave op deze nieuwe uitdaging.
Op 11 december 1945 verscheen de eerste aflevering van de strip, die spoedig (vanaf verhaal 7) De avonturen van Kapitein Rob is gaan heten. De strip verhaalt de ongelooflijke belevenissen van kapitein Rob van Stoerem met zijn zeilschip 'De Vrijheid' en zijn hond Skip. Omdat hij minder bedreven was in het schrijven van de bijpassende teksten, werd Kuhn daarin bijgestaan door Parool-journalist Evert Werkman (alleen bij het eerste verhaal was de tekst van Nanny Aberson). De afbeeldingen die hij signeerde met de letters QN, getuigen van een scherp oog voor details van schepen of historische gebouwen. Hij probeerde volledig in overeenstemming met de werkelijkheid te tekenen. Alleen als dat lukte, gaf hij de tekening vrij voor publicatie. Zelf noemde Kuhn deze tekeningen altijd bescheiden 'plaatjes'.
Het sterk nastreven van de werkelijkheid gold zelfs voor levende wezens; Marga en Willy uit de strip zijn gebaseerd op een model (met donker haar) dat voor Pieter Kuhn heeft geposeerd. De namen zijn aan Kuhns dochters ontleend, die destijds nog zeer jeugdig waren. Kapitein Rob is in feite Kuhn zelf, want hij tekende zichzelf voor de spiegel. Professor Lupardi, een van de hoofdpersonen uit Kuhns strip, is gebaseerd op Kuhns vriend Detmer Detmers, wiens twee Samojeden model stonden voor Robs hond Skip, terwijl Yoto, de assistent van Lupardi, op ene oom Job is gebaseerd. Hitler, Göring en Goebbels verschijnen in verhaal 6 (Het geheim van de Bosplaat) als schadelijke bacteriën. In verhaal 10 (Mysterie van het Zevengesternte) staat zelfs de staf van Het Parool afgebeeld.
De grote belangstelling die Pieter Kuhn voor geschiedenis en techniek had, verwerkte hij in zijn beeldverhalen. Hij plaatste een avontuur van Kapitein Rob even gemakkelijk in de Gouden Eeuw (waartoe hij Rob terug in de tijd laat reizen of voor diens voorvader door laat gaan) als in het tijdperk van de ruimtevaart. En daar waar de techniek nog niet aan toe was, schoot hem zijn ongebreidelde fantasie te hulp. Vooral door het laatste werd hij nog weleens vergeleken met Jules Verne. Maar de dramatiek, die het werk van Verne kenmerkt, ontbreekt echter geheel in de verhalen van Kapitein Rob. Het zijn spannende avonturen zonder achterliggende boodschap. In het maritieme tijdschrift De Blauwe Wimpel verschenen in de jaren veertig en vijftig van de twintigste eeuw veel illustraties van Kuhn, waarvan een deel duidelijk verwant is aan zijn tekeningen in "Kapitein Rob".
Om inspiratie op te doen maakte Kuhn verscheidene bootreizen. Het Middellandse Zeegebied stond hierbij centraal. In 1947, 1948, 1952 en 1955 voer hij met respectievelijk de Dundee, Iris, Julia Mary en Bonaventura. Maar desalniettemin was na tien jaar Kapitein Rob de pijp leeg bij Kuhn. Hij besloot in april 1955 tot een sabbatical year, maar nam al gauw zijn oude stiel van reclametekenaar weer op.
Op aandrang van velen en ook om financiële redenen besloot hij anderhalf jaar later weer door te gaan met de strip. In september 1956 verscheen het verhaal De Stranding van de Atlantide, waarin Kapitein Rob wederom figureert, weer op zijn vertrouwde plek in Het Parool, die tijdens zijn afwezigheid was ingenomen door Frank de Vliegende Hollander, een stripverhaal van tekenaar Piet Wijn over een piloot, dat echter nooit de allure van Kapitein Rob kreeg. Kapitein Rob zelf haalde overigens, zo lijkt het wel, zijn oude niveau ook niet meer.
Van november 1958 tot juni 1959 was er opnieuw een onderbreking: Kuhn was getroffen door een hartinfarct en moest rust nemen. Na te zijn hersteld zette hij zijn werk aan Kapitein Rob voort. Maar op 20 januari 1966 trof hem een tweede infarct. Dit werd hem fataal en na 73 verhalen was het einde van Kapitein Rob bezegeld. Pieter Kuhn is slechts 55 jaar oud geworden.
De Avonturen van Kapitein Rob zijn daarna driemaal opnieuw volledig uitgegeven, inclusief de nog niet uitgewerkte schetsen van het laatste verhaal. In de Koninklijke Bibliotheek (Den Haag) bevindt zich inmiddels een Kuhn-archief (zie: Lex Ritman).
Filmaffiches Kuhn projecteerde kleine afbeeldingen met een vergrotingsprojector op de muur volgens een mededeling van zijn weduwe in 1977 aan Lex Ritman. Met name Marlene Dietrich had volgens haar zijn belangstelling. Het werken aan filmaffiches deed hij in hun verlovingstijd. De Nederlandse affichejaren worden vermeld. De affiches zijn ongesigneerd. Er zijn geen Dietrich-films naast de vermelde in de verlovingsperiode en Paramount liet in Nederland één ontwerp per film maken. Kuhn kan dus geen andere Dietrich-affiches gemaakt hebben. Bekend zijn:
Marlene Dietrich Blonde Venus (1932) [Dolly Rudeman en Frans Mettes zijn uitgesloten vanwege stijl en signatuur van hen] [de buitenlandse affiches van Blonde Venus zijn sterk verwant aan het Nederlandse] Song of Songs (1934) Tsarina v. Rusland (The Scarlet Empress) (1934) De Duivel is een Vrouw (The Devil is a Woman) (1935)
Maurice Chevalier Een Uurtje met Jou (One Hour with You) (1933) A Bedtime Story (1933) The Way to Love (1933)