thumb|right|350px|Snaefell Mountain Course

De Senior TT (Senior Tourist Trophy) is een wegrace die wordt georganiseerd tijdens de Isle of Man TT op het eiland Man. Ze vormt het koningsnummer van het TT festival dat een week duurt. Ze wordt op vrijdag gereden op de 60 km lange Snaefell Mountain Course. De winnaar krijgt de "Marquis de Mouzilly St. Mars trophy".

Van 1949 tot 1976 maakte de Senior TT als 500 cc klasse deel uit van het Wereldkampioenschap wegrace van de Fédération Internationale de Motocyclisme.

Voorgeschiedenis Het idee voor de "Tourist Trophy" van Man ontstond in een gesprek in de trein van Oostenrijk naar huis na de Trophée International van 1906, waar net als in de eerdere jaren flink gesjoemeld was met de regels. De broers Harry en Charlie Collier, de secretaris van de Auto-Cycle Union Freddie Straight en de markies de Mouzilly St. Mars zonnen op een manier om in eigen huis een eerlijke race te organiseren. Alleen op het Eiland Man bood het parlement, de Tynwald, de mogelijkheid om openbare wegen af te sluiten en af te wijken van de maximumsnelheid. Om toestemming te vergemakkelijken kreeg de wedstrijd de naam Tourist Trophy om het toeristische karakter te benadrukken. De motorfietsen moesten ook geschikt zijn voor gebruik op de weg, met normale zadels, spatborden, uitlaten enz. In 1907 werd de eerste Isle of Man TT verreden. De klasse-indeling was een groot probleem. De technische ontwikkelingen gingen zo snel, dat de Fédération Internationale des Clubs Motocyclistes ze niet kon bijhouden waardoor alle organisatoren hun eigen regels moesten vaststellen. In 1907 werd besloten tot twee klassen in de TT: één- en tweecilinders. Het brandstofverbruik was beperkt, waardoor de Fransen met hun snelle, speciale racemotoren buitenspel stonden. De eencilinders waren sneller en betrouwbaarder dan de tweecilinders en daarom mochten de tweecilinders in de latere jaren een grotere cilinderinhoud hebben.

Senior TT Jaren tien In 1911 kwam er een klasse-indeling naar cilinderinhoud. De Junior TT voor 350cc motoren en de Senior TT voor 500 cc eencilinders en 585cc tweecilinders. De coureurs vertrokken een voor een. De eerste Senior TT werd gewonnen door Oliver Godfrey met een Indian met een gemiddelde snelheid van 76,65 km/h. Indian zette in die tijd Britse rijders in op Man, want het 60 km lange circuit was enorm moeilijk om te leren en "buitenlanders" waren daardoor vrijwel kansloos. Toch reed ook de Canadees Jake DeRosier voor Indian. Het was de eerste keer dat de Snaefell Mountain Course gebruikt werd voor motorraces. In 1905 hadden de motorrijders er al getraind en gekwalificeerd voor de Trophée International, maar toen was gebleken dat ze de steile hellingen niet konden nemen, vooral de 7 km lange klim van Ramsey naar Bungalow. Daarom was tot en met 1910 de veel kortere St John's Short Course gebruikt, maar omdat de Britten als eerste het nut van koppelingen en versnellingsbakken hadden ingezien, was de "Mountain Course" voor hen nu een groot voordeel. Toch moesten een aantal merken snel een oplossing zoeken. Triumph gebruikte een drieversnellingsnaaf van Sturmey-Archer, Matchless gebruikte een in zes standen verstelbare riemaandrijving, AJS een drieversnellingsbak en Indian een tweeversnellingsbak. DeRosier, die al zes keer gevallen was tijdens de trainingen, leidde in de eerste ronde, maar hij viel weer bij nadering van Ramsey. Daardoor kon Oliver Godfrey het gevecht aangaan met Charlie Collier, maar die moest stoppen om te tanken. Er waren brandstofdepots bij Braddan en Ramsey, maar Collier werd gediskwalificeerd omdat hij ergens anders getankt had. Daardoor waren de eerste drie plaatsen toch voor Indian, maar Frank Phillipp reed met zijn Scott tweetakt de eerste ronde van meer dan 50 mijl per uur. De Senior TT eiste ook haar eerste slachtoffer en zelfs het eerste slachtoffer met een gemotoriseerd voertuig op het eiland Man toen Victor Surridge met zijn Rudge in de training crashte bij Glen Helen. In 1912 werd geen onderscheid meer gemaakt tussen het aantal cilinders en tot 1983 werd de cilinderinhoud vastgesteld op 500cc. Na de dood van Surridge besloten veel motorfietsmerken tot een boycot van de TT. Toen bekend werd dat Indian niet meer zou deelnemen, draaide men echter bij. De race in 1912 leek op een dubbel voor Scott uit te draaien. Frank A. Applebee ging aan de leiding en Frank Phillipp was tweede tot hij in de laatste ronde een klapband kreeg bij Ballaugh. In 1913 werden zowel de Junior als de Senior TT opgesplitst in twee races. De Junior legde in de eerste race twee van haar zes ronden af, de Senior drie van haar zeven ronden. Daardoor konden ze twee dagen later samengevoegd worden om elk nog vier ronden tegelijk te rijden. Zo startten 44 Junior rijders en 97 Senior rijders in dezelfde race. In de Senior waren liefst 32 merken vertegenwoordigd, waarbij nu ook BSA, Brough, Ariel en Rover waren aangelokt door de reclame-effecten van de TT. Frank Bateman had de leiding genomen met zijn Rudge, maar hij crashte door een lekke band bij Creg-ny-Baa. Hij overleed aan zijn verwondingen. Tim Wood (Scott) won de race, maar het team van Rover kreeg de teamprijs, hoewel de beste Rover (Doug Brown) slechts vijftiende werd. Na twee dodelijke ongevallen werden in 1914 helmen verplicht. De startlijn werd verplaatst van Quarterbridge Road naar de top van Bray Hill. In de Senior TT ging Tim Wood aan de leiding tot zijn ontstekingsmagneet kapot ging. Harry Collier nam het over tot hij crashte en Charlie Collier moest langzamer rijden door problemen met zijn versnellingsnaaf. Cyril Pullin won daardoor de wedstrijd. Een heftige strijd om de tweede plaats werd gewonnen door Oliver Godfrey (Indian), maar dankzij de derde plaats van Howard Davies kreeg Sunbeam de teamprijs. Hierna moesten de meeste merken overschakelen op oorlogsproductie vanwege het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Het duurde tot 1920 alvorens er weer geracet werd op Man. Jaren twintig thumb|right|250px|AJS 500cc racer uit 1927 thumb|right|250px|500cc Rudge Whitworth van Graham Walker uit 1928 Vóór er in 1920 geracet kon worden eiste de ACU dat het aantal deelnemers teruggebracht zou worden naar maximaal dertig per klasse. Bovendien werd de Snaefell Mountain Course iets verlengd doordat de rijders bij Cronk-ny-Mona linksaf sloegen langs Signpost, Bedstead en Governor's Bridge en langs een nieuwe start/finish. In de Senior startten slechts vier fabrieksteams: Sunbeam, AJS, Indian en Norton. Lokale rijder Doug Brown (Norton) ging korte tijd aan de leiding maar werd ingehaald door de latere winnaar Tommy de la Hay (Sunbeam). Brown en de la Hay waren de eersten die een gemiddelde van meer dan 50 mph (80 km/h) haalden. In 1921 schreven er alweer 12 fabrieksteams in voor de Senior TT, en Howard Davies schreef geschiedenis door als eerste (en tot dusver enige) deze wedstrijd te winnen met een Junior TT machine, een 350cc AJS. Het was ook een historische race, in elke ronde reed iemand anders aan de leiding: Freddie Dixon (Indian), Alec Bennett (Sunbeam) en Freddy Edmond (Triumph). In de laatste ronde ging het tussen Bennett en Davies, maar Bennett viel terug en Davies had aan het einde 2 minuten en 15 seconden voorsprong op Dixon. Edmond reed een nieuwe snelste ronde met 56,4 mph. Na enig gerommel tussen de ACU en de regering van Man over de kosten van de organisatie, ging de TT van 1922 toch gewoon door. De Senior TT was op zich een saaie race; voor het eerst reed iemand van start tot finish aan de leiding. Dat was Alec Bennett met zijn Sunbeam. Maar er startte ook een veelbelovende jongeling: Jimmie Simpson die met zijn tweetakt Scott uitviel. In 1923 werd de Senior TT onder zeer slechte weersomstandigheden verreden. Waarschijnlijk hielp dat lokale man Tom Sheard aan zijn tweede overwinning. Hij had in 1922 de Junior TT gewonnen en kende de weg ook als het zicht slecht was. De Senior TT van 1924 werd tegelijk met de 250cc Lightweight TT gereden. De Lightweight startte slechts vijf minuten vóór de Senior en dat gaf nogal wat problemen voor de veel snellere 500cc rijders, die soms op hun beurt moesten wachten om de langzamere deelnemers te kunnen inhalen. Freddie Dixon ging vier ronden lang aan de leiding en had zelfs 2 minuten voorsprong toen zijn Indian inhield en Alec Bennett (Norton) voorbij ging. Samen met Harry Langman (Scott) en Dixon reed hij voor het eerst meer dan 60 mph gemiddeld over de race. Voor de organisatie was dit al in voorgaande jaren een punt van zorg geweest. Men vreesde dat het doorbreken van het racegemiddelde van 60 mijl per uur voor grote gevaren zou gaan zorgen. 1925 Was een succesvol jaar voor Howard R. Davies. Hij startte in zowel de Junior als de Senior TT met zelfgebouwde machines, die HRD heetten en door JAP motoren werden aangedreven. In de Junior werd hij tweede, maar hij won de Senior TT in een nieuwe recordtijd van 3 uur 25 minuten 25,8 seconden vóór de fabrieksmachines van Frank Longman (AJS) en Alec Bennett (Norton). In 1926 was het circuit aanmerkelijk verbeterd en zelfs de "Mountain Section" was geasfalteerd. Een aantal Italiaanse merken verscheen voor het eerst aan de start, maar Stanley Woods, die debuteerde voor Norton, won de race. Jimmy Simpson reed met een AJS de eerste ronde boven de 70 mph. In 1927 zorgde het dodelijke ongeval van Archie Birkin voor een aanpassing van de reglementen: nadat hij moest uitwijken voor een viskar en tegen een muur reed, werd besloten het openbare verkeer ook tijdens de trainingsdagen stil te leggen. In dat jaar kwam Norton met de OHC modellen die nog jaren zouden domineren en uiteindelijk zouden leiden tot de beroemde "Norton Manx". Ook de coureurs waren niet de minsten: Stanley Woods, Alec Bennett en Joe Craig. Woods was favoriet en hij leidde de eerste vier ronden, maar hij viel terug met een slippende koppeling, waardoor Bennett kon winnen vóór Jimmy Guthrie (New Hudson) en Tom Simister (Triumph). In 1928 werd de bocht bij Rhencullen waar Archie Birkin verongelukt was omgedoopt tot "Birkin's Bend" als herinnering aan Archie. De Senior TT werd onder zeer slechte omstandigheden gereden. Na een lange periode van droogte reed men door hevige regen en dichte mist. Terwijl een aantal concurrenten langs de weg stopten, reed Charlie Dodson door en hij werd de verrassende winnaar met zijn Sunbeam. In 1929 bewees Dodson dat hij ook met goed weer kon winnen. De race werd aanvankelijk aangevoerd door Henry Tyrell-Smith, maar hij viel bij Glen Helen. Hij werd toch de held van de dag, want hij werd opgelapt in het Glen Helen Hotel, zette de achtervolging in en werd toch nog derde. Hij bleek een beenwond en drie gebroken ribben te hebben.

Jaren dertig