Georg Wilhelm de Gennin (Russisch: Георг Вильгельм де Геннин; Georg Vilgelm de Gennin) of Villim Ivanovitsj de Gennin (Russisch: Виллим Иванович де Геннин) (hertogdom Nassau, 10 oktober 1665 of 11 oktober 1676 - Rusland, 12 april 1750) was een Nederlandse militair, architect en mijnbouwingenieur van Duitse afkomst, in dienst van de Russische tsaar Peter de Grote. Hij stichtte samen met mijnbouwingenieur en historicus Vasili Tatisjtsjev de steden Jekaterinenburg en Perm. Hij wordt vaak verward met een andere Gennin die geboren werd in Antwerpen. right|200px|De Gennin

Geboorte en vertrek naar Rusland Hij werd als Georg Wilhelm de Henning op 11 oktober 1676 in Neu-Hanau Nassau-Siegen als telg uit een Nederlands geslacht uit lutheraanse ouders. Het geslacht de Henning is waarschijnlijk oorspronkelijk afkomstig uit het Graafschap Henegouwen. Vele Nederlandse en Waalse Lutheranen trokken via Frankfort naar het vanaf 1597 speciaal voor geloofsvluchtelingen gestichte Neu-Hanau. (De aldaar heersende vorst was gehuwd met een Nederlandse).

Tijdens Peter de Grotes Grote Ambassade in Nederland in 1697 ontmoette deze hem toen hij op zoek was naar geschikte Europese vakmensen die zijn land kennis konden bijbrengen op allerlei vakgebieden. Peter nam hem aan op 10 mei 1697 en hij trad daarop toe als fejerverker (artilleriebatterij-commandeur) tot de Russische artillerie. Hij veranderde daar zijn voornaam in Georg en zijn achternaam in Gennin omdat dit handiger was voor het dagelijks taalgebruik, daar de Russen de 'h' niet kunnen uitspreken. Hij was een van meer dan 900 Nederlanders die naar Rusland vertrokken om in dienst te treden van de tsaar.

Legercarrière in de Grote Noordse Oorlog In 1700 werd hij benoemd tot luitenant en begon deel te nemen aan de Grote Noordse Oorlog, waaraan hij deelnam tot 1710. In 1701 legde hij versterkingen aan bij Novgorod, hij hielp mee bij de verovering van Vyborg, Keksholm en Hanko op het koninkrijk Zweden. Hij steeg snel in rang: In 1706 werd hij benoemd tot kapitein, in 1708 tot majoor, in 1710 tot luitenant-kolonel en in 1716 tot kolonel. Hij kwam hierbij in aanraking met een aantal naaste medewerkers van Peter de Grote, generaal-admiraal Fedor Apraksin en James Daniel Bruce (Jakov Vilimovitsj Brjoes).

Mijnbouwingenieur in Karelië In 1712 begon zijn carrière als ingenieur. Eerst liet hij een metaalgieterij en poederfabrieken bouwen in Sint-Petersburg. Daarna werd hij van 1713 tot 1722 aangesteld over de ijzergieterijen van Olonets (Karelië) en als manager van fabrieken in onder andere Petrovski (nu Petrozavodsk) en Povenets. Hij was manager van onder andere de grote metallurgische fabriek in Petrovski, fabrieken voor de productie van wapens en scheepsankers, de grote haven van Povenets en een kopersmelterij. Hij herstructureerde een aantal oude fabrieken en verhoogde de productie. Hierbij kwam hij erachter dat de bevolking niet echt gemotiveerd was om in de fabrieken te gaan werken. De oudgelovigen die in dat gebied woonden, bleken het meest gemotiveerd en geschikt en de Gennin stelde ze daarop aan als managers over verschillende fabrieken. De oudgelovigen, toen sterk gemarginaliseerd door toedoen van de Russisch-orthodoxe Kerk, waardeerden zijn hulp en hij verkreeg hierdoor bij zijn latere werk in de Oeral hun steun. In die tijd waren de wapenfabrieken onder de Gennin de grootste van Rusland.

In 1719 had Peter de Grote de Berg-amt (staatsmijnbouwraad) opgericht. De Gennin werd hierop in 1719-1720 voor een studietoer naar Frankrijk, Engeland, Nederland, Pruisen en Saksen gestuurd om kennis op te doen over en geschikte mensen te werven voor de mijnbouw in Rusland. In 1716 had hij ook al eens zo'n toer ondernomen. Bij terugkomst introduceerde hij de eerste machineproductie in Rusland. Hij opende ook de eerste mijnbouwschool in Rusland in Olonets en in 1717 meldde hij Peter dat er een mineraalwaterbron op 54 kilometer van Petrovski was aangetroffen. Peter liet het onderzoeken en ging er zelf ook 4 keer heen. Hij liet er door de Gennin een kuuroord bouwen en omdat de resultaten van het water voor hemzelf ook gunstig bleken, gaf hij de Gennin een tsaristisch portret omringd met diamanten. Dit kuuroord was daarmee het oudste van Rusland en werd Marswateren (Martsialnye Vody) genoemd naar de god van oorlog en ijzer Mars. De Gennin werd steeds populairder bij Peter en kreeg bijvoorbeeld op zijn bruiloft van Peter een gift van 1800 Roebel. Ter vergelijking: Tatisjtsjev, die toen manager was van alle staatsfabrieken en mijnen in de Oeral, kreeg toen slechts een jaarlijkse toelage van 200 Roebel. In 1722 coördineerde hij een plan voor een waterverbinding tussen de Wolga en Moskou.

Mijnbouwingenieur in de Oeral Perikelen rond Tatisjtsjev en Demidov In hetzelfde jaar gaf Peter hem de titel majoor-generaal en stuurde hem naar het Oeralgebied om daar beschuldigingen aan het adres van de manager van de staatsmijnen en fabrieken Tatisjtsjev te onderzoeken over omkoping. Deze beschuldigingen waren geuit door de private mijnbouwondernemers Nikita en zijn zoon Akinfi Demidov, die hun machtsbasis hadden in Nevjansk (en Toela). thumb|Nikita Demidov Het bleek echter dat deze het hadden gemunt op de inmengingen van Tatisjtsjev in hun activiteiten. Tatisjtsjev had namelijk mijnbouwwetgeving ingevoerd in de Oeral en daar waren de Demidovs niet blij mee. Zij wilden liever geen staatsbemoeienis en hadden eerder al tweemaal de gouverneur van Verchotoerje (toen nog de belangrijkste plaats in de Oeral) laten wegsturen om uiteindelijk zelf gouverneur te worden. Daarop zorgden ze ervoor dat concurrenten in de Oeral het moeilijk kregen, geen vergunning kregen voor nieuwe vestigingen en toen ze ook nog het recht kregen om een eigen leger te hebben, om zichzelf te verdedigen, waren ze helemaal heer en meester in de Oeral. Ze konden zover komen doordat ze goedkoop kanonnen produceerden en doordat Peter vond dat vrije succesvolle ondernemers ook zo min mogelijk moesten worden gehinderd door de staat. Bij de Berg-amt was weinig bekend over de activiteiten van de Demidovs. Pogingen om daar informatie over te krijgen liepen op niets uit door tegenwerking van de Demidovs. Ze stuurden daarop Tatisjtsjev dan ook mede om daarover informatie in te winnen.

Tatisjtsjev werd hier echter behoorlijk tegengewerkt door de Demidovs die hun imperium al zagen verdwijnen. Nikita Demidov trok in 1722 naar Sint-Petersburg met zijn meest invloedrijke medestanders en beloofde voor het eerst in 20 jaar de vereiste belasting te betalen aan de tsaar. Tegelijkertijd beschuldigde hij Tatisjtsjev valselijk van omkoping om hem weg te krijgen uit de Oeral. Tatisjtsjev werd daarop door Peter, die ook niet tevreden was met de voortgang van het werk van Tatisjtsjev, teruggehaald. De Gennin stuurde Peter na onderzoek daarom ook het bericht dat Tatisjtsjev zijn werk goed had gedaan en wist hem weer in ere te herstellen. De Demidovs kregen een enorme boete opgelegd van 30.000 Roebel, die echter nooit werd betaald. De Gennin schreef ook aan Peter dat hij de Demidovs niet meer moest vertrouwen en ook de Berg-amt niet. Daarop ging hij verder met het werk van Tatisjtsjev (die door Peter naar Zweden was gestuurd om daar kennis op te doen over de mijnbouw voor Rusland).

Regeringsperiode in Jekaterinenburg In 1723 stichtte hij de stad Jekaterinenburg op de plek die Tatisjtsjev daarvoor had uitgekozen: aan de rivier de Iset, bij de door Tatisjtsjev verplaatste Uktus-kopersmelterij. Hij beschouwde het zelf als de enige juiste plek voor de 'hoofdstad van de Oeral'. Hij liet er meteen ook een aantal publieke gebouwen bouwen om deze status te versterken. Hij liet banken, overheidsgebouwen, scholen en een kerk bouwen en het eerste ziekenhuis (aanvankelijk een medische post) achter het uitgestrekte gebergte in Rusland, de Oeral. Duidelijk was dat hij Jekaterinenburg wilde neerzetten als staatshoofdstad van de Oeral tegenover Nevjansk, de hoofdstad van de 'bergstaat' van de Demidovs. Hij wist goede betrekkingen aan te knopen met hen, door zijn diplomatieke instelling. Belangrijker was echter dat de Demidovs in begonnen te zien dat hun 'rijk' voorbij was en ze werden ingesloten in het steeds verder oostwaarts oprukkende Russische Rijk, dat sterk in kracht was toegenomen sinds de militaire overwinningen van de Grote Noordse Oorlog en wat velen tot het inzicht had gebracht dat een sterke staat nodig was. De Demidovs moesten nu net als ieder ander bedrijf gaan concurreren om succes te hebben bij de centrale overheid. De Gennin liep echter ook tegen een ander probleem aan: Een gebrek aan geschikte werkkrachten voor de mijnen en fabrieken.

De meest gekwalificeerden werkten allemaal in de mijnen van de Demidovs en hij was dus genoodzaakt ze uit andere gebieden te halen. Hij wist echter Akinfi Demidov zover te krijgen om hem een specialist te lenen genaamd Leonti Zlobin. Deze zette een mijnbouwschool op in Jekaterinenburg, waaraan medewerkers uit de mijnen van Demidov lesgaven aan nieuwe werkers. De Gennin kwam ook meerdere oud-bekenden van de oudgelovigen tegen uit het gebied rond Olonets, die in groten getale in de Oeral waren neergestreken en daar nederzettingen hadden gesticht. Dit schisma was officieel verboden in Rusland en de Gennin moest ze eigenlijk uitleveren aan de staat. Hij verborg ze echter en liet ze werken in zijn fabrieken. Dit deed hij ook voor de Demidovs. Hij kreeg in de Oeral echter in toenemende mate te maken met de noodzaak van het oprichten van staatsorganen, die diverse overheidstaken moesten gaan uitvoeren. De Gennin wilde zich echter liever bezighouden met mijnbouw dan met staatszaken.

Tijdens zijn 'regering over de Oeral' werd hij geconfronteerd met vele misstanden door overheidsfunctionarissen en greep waar mogelijk hard in. De onderdrukking en afpersing van andere overwonnen volken in de Oeral, zoals Basjkieren, de zogenoemde "Kirgies-Kazachen" en Wolga-Tataren leverde in die tijd vaak gewapende opstanden op, wat Tatisjtsjev tegenging door ze te beschermen tegen de overheidsfunctionarissen die zich hieraan schuldig maakten. Hij stuurde ook een brief naar Peter, waarin hij waarschuwde dat 'een smeulend kooltje na verloop van tijd toch een groot vuur kan worden', daarmee doelend op het grootschalige voorkomen van overheidscorruptie. Hij had echter als grootste bezorgdheid het voortbestaan van de mijnen. Hij bestrafte wangedrag en opstandjes door werknemers zwaar en stelde functionarissen aan om er voor te zorgen dat er onder geen beding een vertraging optrad in de betaling van de lonen om continuïteit van de mijnen te garanderen.

Zijn beleid gedurende zijn 'regering' over de Oeral duurde van 1722 tot 1734 en was een periode van enorme industriële groei. Overal werden nieuwe fabrieken en mijnen gesticht, waarvan sommige uitgroeiden tot steden. Voorbeelden zijn Perm, Polevskoj en het eerder genoemde Jekaterinenburg. In 1725 stierf Peter de Grote en meteen stortten zijn opgebouwde hervormingen weer in. Aan het hof was voortdurend een strijd om de macht, waaraan overigens ook Tatisjtsjev deelnam, bij de machtswisseling in 1730. De Gennin merkte de gevolgen doordat zijn geld niet meer op tijd werd uitbetaald en aan het slechter functioneren van de mijnen. Hij zag in dat het beter zou zijn als de mijnen en fabrieken in handen van ondernemers zouden komen, in plaats van de staat. Ondernemers zouden namelijk een winstoogmerk hebben, waardoor de mijnen en fabrieken beter zouden kunnen draaien als wanneer de overheid zelf alles moest beheren. Zijn verzoeken hierover werden echter niet gehonoreerd door de regering in Sint-Petersburg tot 1739. In 1733 kreeg hij de Alexander Nevski onderscheiding voor zijn werk van tsarina Anna Ivanovna. Hij kreeg echter steeds minder zin in zijn werk en werd ook geconfronteerd met toenemende bureaucratie, doordat er steeds vaker rapporten over het functioneren van de mijnen moesten worden opgesteld en verstuurd.

Het schrijven van zijn grootste werk