Hapert () (Brabants: Haopert) is een dorp dat deel uitmaakt van de gemeente Bladel, in de Nederlandse provincie Noord-Brabant.ANWB Topografische Atlas Noord-Brabant (2005) - kaart 130 145-376 . Geraadpleegd op 17 augustus 2024 Het plaatsje is gelegen in de regio Kempen en maakt onderdeel uit van de streek Acht Zaligheden.De Acht Zaligheden, oude kern van de Kempen - De naam Acht Zaligheden - Hein Mandos (1971) (p. 371-380) Het dorp telt inwoners () inclusief de buurtschap Dalem.
Etymologie De grondbetekenis van de naam Hapert (Heopurdum) is lastig te definiëren. Het voorvoegsel Hap- of Heop- zou afgeleid kunnen zijn van esp of espenboom, wat ook wel bekend staat als een ratelpopulier. Het tussenvoegsel -erd- of -urd- wordt in verband gebracht met aarde, bodem en grond, en met de uitgang -um waar heim of heem mee bedoeld wordt, moet gedacht worden aan een bodem waar voorheen deze boom veelvuldig voorkwam.
Het dorp duikt voor het eerst op in een oorkonde, afkomstig uit het jaar 710, onder de naam Heopurdum (lees Hapridum, Echternachse verhoogduitsing voor Haprithum). Volgens een deskundige zou deze naamverklaring gebaseerd kunnen zijn op het woord hengist, dat in het Nederlands hengst betekent. In de naam Hapert heeft men deze oude plaatsnaam willen herkennen. Daarvoor werd de plaatsnaam onder andere geschreven als Hap(p)aert of Hap(p)ard, maar vanaf de 12e eeuw heet de plaatst echter al Hapert. Sommige deskundige zijn van mening dat er een verband is te vinden met de naam Heopurdum en het oude Hesperdum.
Op de naam van het dorp is ook een woordspeling ontstaan. In Hapert hapert het altijd kan men weleens te horen krijgen. Deze woordspeling is gebaseerd op een legende geschreven door Jacob van Oudenhoven over de drie kerkdorpen van de voormalige gemeente Hoogeloon, Hapert en Casteren, waaruit blijkt dat de legioenen van Julius Caesar, tijdens hun tocht door de Kempen, aan het muiten sloegen in Heopurdum, waardoor de Romeinse opmars dus haperde.
Geschiedenis
Het oorspronkelijke middeleeuwse kerkdorp Hapert is ontstaan op de smalle dekzandrug tussen de beekdalen van de Groote Beerze en het Wagenbroeks Loopje. Het dorp bestond uit de zes gehuchten, Kerkeneind, Lemel, De Straat, De Pan, Ganzestart en Dalem. De Oude Provincialeweg, Castersedijk en de Ganzestraat zijn de wegen waarlangs lintbebouwing is ontstaan en vormen de basis van de kern.
Prehistorie De geschiedenis van Hapert gaat terug tot aan de bronstijd (ca. 3000 tot 800 v.Chr.), zo is aan de hand van archeologische opgravingen vastgesteld. Zo zijn er sporen van prehistorische bewoning teruggevonden in het meest zuidelijke gebied van Hapert nabij de grens met de gemeente Bergeijk ter hoogte van de buurtschap Witrijt. Op deze locatie zijn ook vuursteen artefacten en urnenvelden teruggevonden die dateren uit de late bronstijd, ook wel bekend als de urnenveldencultuur. Ook werden er urnenvelden teruggevonden die dateren uit de ijzertijd. Deze opgravingen vonden plaats op de Hapertse Heide en het bosgebied van buurtschap De Pan. Naast deze urnen werden er ook vondsten gedaan die erop wijzen dat er een nederzetting was. In deze periode werd Toxandrië, wat de Romeinse benaming was voor de Kempen, bewoond door de Eburonen. Deze stam verdween na de komst van de Romeinse dictator Julius Caesar, die de gehele stam van de kaart veegde. Na de uitroeiing van de Eburonen vestigden de Toxandriërs zich in de streek, die hun naam gaven aan het gebied. In het jaar 358 vestigden de Salische Franken zich als Laeti in het gebied, nadat ze door de Saksen in Romeins gebied werden gedreven. De Romeinen hebben dus zo hun sporen achter gelaten in het gebied van Hapert. Zo zijn er sporen van Romeinse bewoning gevonden en is er een Romeinse muntschat ontdekt met 2598 munten uit de 3e, 4e en 5e eeuw. Er zaten munten tussen van onder andere Tetricus I, Julianus, Valentinianus I, Honorius en Arcadius. Deze zijn gevonden aan de Castersedijk ter hoogte van de Groote Beerze.
Rechten en abdijbezit
thumb|De heilige Willibrord verwierf vanaf het jaar 710 verscheidene goederen in Heopurdum.
De oudst bekende geschreven vermelding van Hapert vinden we in het Liber aureus van de Abdij van Echternach. Hierin is een oorkonde uit 710 opgetekend waarin de geestelijke dochter Bertilindis haar gehele moederlijke erfdeel, waaronder goederen te Heopurdum, aan aartsbisschop Willibrord heeft geschonken. De heilige verwierf vanaf datzelfde jaar verscheidene goederen in het dorp.
Vanaf 1186 behoorde Hapert bestuurskundig gezien, samen met Hoogeloon en later ook Casteren, tot een vrije heerlijkheid, waarin later een schepenbank heeft bestaan. In 1235 verkreeg de Abdij van Tongerlo door schenking en aankoop zo goed als volledig alle rechten en goederen in handen van het dorp. Dit kwam mede tot stand door de edelman Arnold van Ranst en zijn vrouw Jutta van Zwijndrecht , die hun allodium verkochten aan de abdij, bestaande uit onder andere vele goederen en een vrije warande. Een jaar later volgde ook vele geschenken van Daniël van Wanghe, die getrouwd was met Beatrix van Ranst. Het gevolg hiervan was dat er in Hapert een dochterkerk van Hoogeloon werd gebouwd. Daarna volgde er nog vele aankopen en schenkingen in Hapert en Hoogeloon aan deze abdij. Waarschijnlijk werd dit gestimuleerd door de Hertog van Brabant die in die tijd de lokale heren zoveel mogelijk inperkt. Ook werd tussen 1350 en 1400 de Meierij ingedeeld in vier kwartieren, vanaf dat moment valt Hapert en zijn grondgebied onder het kwartier van Kempenland.
De norbertijnenabdij bezat tot 1590 de heerlijkheid Hoogeloon, Hapert en Casteren. De heerlijkheid ging in 1590 over op het bisdom 's-Hertogenbosch, maar na het Beleg van 's-Hertogenbosch in 1629, werden de rechten en de bezittingen van het bisdom door de Staten verbeurd verklaard. Vanaf toen werden alle goederen en rechten beheerd door de rentmeester der bisschoppelijke goederen, deze verkocht nog in 1740 een heide aan de inwoners van Hapert. Zo had de abdij, die tussen 1186 en 1795 rechten bezat in de heerlijkheid, een grote invloed op het dorp. Vanaf 1810 ging Hapert tot de gemeente Hoogeloon c.a. behoren, die bij de gemeentelijke herindeling van 1997 opging in de huidige gemeente Bladel.
Kerkelijke historie
thumb|Sloop van de kerktoren aan het huidige kerkhof in 1956
Hapert en Hoogeloon vormden aanvankelijk één parochie met twee kerken. De patronaatsrechten waren in handen van de abt van Tongerlo. De kerk van Hapert is gewijd aan Sint-Severinus.
Middeleeuwse kerk De middeleeuwse kerk was een kleine eenbeukige kerk van twee traveeën met trompen toren van drie geledingen en is gebouwd in een laatmiddeleeuwse gotische stijl. De kerk en toren van Hapert zou gebouwd zijn rond 1350 en werd al in 1310 genoemd. Het religieuze gebouw stond op het Kerkeneind op de plaats waar nu het pand Oude Provincialeweg 69 staat. Tot voor kort heette dat pand 'den oude Toren'. Dit pand is vernoemd naar de toren van de kerk die eenzaam is blijven staan na de sloop van de kerk in 1857. Uiteindelijk is de middeleeuwse kolos ook gesloopt in 1902 met als gevolg dat in 1916 het kerkbestuur de grond, waarop de oude kerk stond, verkocht en werd er uiteindelijk het huidige pand gebouwd.
Achter het pand Oude Provincialeweg 69 loopt een restant van het Kerkepad, een straat die nog altijd dezelfde naam draagt. Het Kerkepad was een verbinding van de middeleeuwse kerk (Kerkeneind) naar de pastorie (De Straat), die toentertijd al op dezelfde locatie stond als het huidige Belhuis. Ook het huidige Pastoriepad, wat onderdeel was van het oude tracé, zou hier zijn naam aan te danken hebben.
In 1648 na de Vrede van Münster werd de provincie onder de naam Staats-Brabant een generaliteitsland dat toebehoorde tot de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Met als gevolg dat het Protestantse geloof de enige toegestane godsdienst werd. Zo werd de Hapertse kerk aan de rooms-katholieke eredienst onttrokken en aan de protestanten toegewezen. Tevens werd bevolen de kerk voor de katholieken gesloten te houden en er alle beelden en andere paapse ornamenten uit te verwijderen. Tijdens deze periode, werd het Kerkepad veelal gebruikt als verbinding tussen het Kerkeneind en de Hapertse schuurkerk.
Gevolg van de Vrede van Münster
Nadat de protestanten de toegewijde kerk in handen kregen, werd het lezen van de mis door de katholieken in het geheim voortgezet. Sommige van hen reisden over de huidige Belgische grens om daar een mis bij te wonen in een zogenaamde grenskerk, met als reden dat de Staten-Generaal geen zeggenschap had over de Zuidelijke Nederlanden.
Na het rampjaar 1672 werden schuurkerken toegestaan in de Republiek. Uiteindelijk kreeg de katholieke bevolking in Hapert toestemming om in 1737 een schuurkerk te bouwen en deze bleef in gebruik tot 1821. Deze kerk zou volgens tekenaar Hendrik Verhees gelegen zijn aan de buurtschap De Straat, nabij het Pleintje. De schuurkerk mocht van buitenaf niet het uiterlijk hebben van een gewone kerk en moest aan bepaalde soberheidseisen voldoen. Zo mochten de daken niet met pannen bedekt worden maar moest men stro gebruiken. Voor elke kleine verandering aan de kerk moest men toestemming vragen aan de Staten-Generaal. Van binnen was de armoede goed terug te zien. De kerk had geen beschikking over een altaar, spreekstoel of communicatiebank. De schuurkerk was zelfs zo armoedig dat er geen enkel heiligenbeeld in stond, wat zeer zelden voorkwam bij religieuze gebouwen die verbonden waren aan het katholieke geloof.
Dit heeft geleid tot een uitdrukking die tot op heden nog steeds terug te horen is bij kaartspelers uit de Kempen. Een kaartspeler maakt gebruik van de uitdrukking zodra hij of zij geen enkele afbeelding (Boer, Vrouw, Heer of Aas) tussen zijn kaarten heeft zitten. De speler maakt dit duidelijk door te roepen: Ik ben in de Hapertse kerk. De uitdrukking herinnert aan de sobere aankleding van de Hapertse schuurkerk.
Teruggave van de kerk Nadat het land in Franse handen viel besloot Lodewijk Napoleon de kerken terug te geven aan de katholieken. Uiteindelijk werd in 1809 de oude parochiekerk weer aan de katholieken toegewezen, maar omdat er in Hapert, evenals in Hoogeloon, moeilijkheden ontstonden omtrent de financiële vergoeding, die aan de protestanten voor het kerkgebouw moest worden betaald, werd de parochie pas in 1819 door bemiddeling van koning Willem I in het bezit van de kerk gesteld.
Compensatieregeling na de Franse tijd
thumb|300px|De voorzijde van het protestantse kerkje in 1916.
Zelfstandige parochie De parochie Hapert werd in 1819 van Hoogeloon afgescheiden, daarvoor werden de parochies altijd gediend door één pastoor. Van vroeger uit had de abdij van Tongerlo het recht hier de pastoors te benoemen en dat werd voor het laatst gedaan in 1810. Deze scheiding kwam mede tot stand nadat er in Hapert en Hoogeloon een kwaadaardige en aanstekelijke koorts opdook. Hierbij overleden vele inwoners. Een van hen was Dionysius de Canter, de kapelaan van beide dorpen. De kapelaan Lambertus de Jongh van Goirle werd als assistent naar Hoogeloon overgeplaatst. In datzelfde jaar mocht hij zich nog de eerste pastoor van Hapert noemen tot zijn dood in 1858. De parochie H. Severinus bleef bestaan tot 1 januari van het jaar 2014, nadat het, met de parochies van de overige kerkdorpen binnen de gemeente Bladel, fuseerde tot de R.K. Parochie Heilige Apostelen Petrus en Paulus.
Verering van de heilige Donatus