Petrus Adrianus "Piet" Kerstens (Ginneken, 23 augustus 1896 – 's-Gravenhage, 8 oktober 1958) was een Nederlands katholiek politicus, journalist en onderwijzer. Hij werd geboren in een Brabants ambachtsgezin, werkte als onderwijzer in Nederland en Nederlands-Indië, en ontwikkelde zich in Indië tot journalist en politicus. Van 1935 tot 1942 was hij lid van de Volksraad van Nederlands-Indië alsmede Lid van het College van Gedelegeerden, en van 1933 tot 1941 voorzitter van de Indische Katholieke Partij (IKP). Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij van 1942 tot 1944 minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart en van Landbouw en Visserij in het Londense oorlogskabinet-Gerbrandy. Na de oorlog was hij hoofdredacteur van het dagblad De Tijd (1946–1947) en lid van de Eerste Kamer voor de Katholieke Volkspartij (KVP) (1946–1952). Hij gold als een overtuigd voorstander van Europese samenwerking en was voorzitter van het Nederlands organisatiecomité van het Congres van Europa (1948) en medeoprichter van de Nederlandse afdeling van de Europese Liga voor Economische Samenwerking.

Jeugd, opleiding en vroege loopbaan Kerstens werd op 23 augustus 1896 geboren in Ginneken (destijds gemeente Ginneken en Bavel, thans deel van Breda). Zijn vader, Johannes Kerstens (geboren te Rijsbergen, 16 november 1865), was metselaar en stukadoor; zijn moeder was Pietronella van Rijckevorsel (geboren te Ginneken en Bavel, 16 mei 1870). Hij groeide op in een groot rooms-katholiek gezin met zeven zussen en twee broers (naast een jong gestorven broertje).

Na de Rijkskweekschool voor onderwijzers te Nijmegen begon Kerstens zijn loopbaan als onderwijzer in de omgeving van Eindhoven (Stratum). Van 1919 tot 1926 was hij onderwijzer aan de R.K. Handelsschool te Amsterdam. Op 20 oktober 1921 trouwde hij te Amsterdam met Sybilla van Straaten; het echtpaar kreeg vijf dochters en drie zoons.

In deze periode was Kerstens ook actief als schrijver, vertaler en publicist in katholieke kringen. Hij leverde bijdragen aan literaire en culturele tijdschriften; zo verscheen zijn naam in het katholieke tijdschrift Roeping in de jaargang 1924–1925. Hij was daarnaast betrokken bij het tijdschrift Opgang en Het Schild. In 1925 verscheen van zijn hand: De Katholieke Literatuur sinds de Hervorming, Auteurs uit Heden Verleden, en vertalingen G.K. Chesterton's Het Bijgeloof der Echtscheiding en Orthodoxie.

Nederlands-Indië

Onderwijs en journalistiek In 1926 vertrok Kerstens naar Nederlands-Indië, waar hij eerst korte tijd (circa drie maanden) onderwijzer was aan een mulo-school te Semarang. Vervolgens werd hij directeur van de R.K. mulo-school (de Strada-school) te Batavia, een functie die hij van 1926 tot 1934 vervulde. In Batavia was hij ook voorzitter van het kathedrale kerkkoor.

Naast het onderwijs ontplooide Kerstens zich als journalist en redacteur van katholieke bladen. Vanaf 1928 was hij hoofdredacteur van het weekblad Sociaal Leven en Streven, het orgaan van de Centrale Raad der Nederlandsch-Indische Katholieke Sociale Bonden. Hij was daarnaast verbonden aan het katholieke dagblad De Maasbode als correspondent in Nederlands-Indië. In 1933 richtte hij De Nieuwe Tijd op, het veertiendaagse orgaan van de Indische Katholieke Partij, waarvan hij hoofdredacteur werd.

In 1933 werd Kerstens' benoeming tot inspecteur voor het mulo in Nederlands-Indië ingetrokken naar aanleiding van een artikel in De Maasbode waarin hij kritiek uitte op het Indische Gouvernement. Deze episode markeerde zijn overgang van het onderwijs naar een politieke en publicistische loopbaan.

Indische Katholieke Partij en Volksraad Van augustus 1933 tot 1941 was Kerstens voorzitter van de Indische Katholieke Partij (IKP), een op 7 november 1918 opgerichte katholieke partij met haar machtsbasis op Java, en met name in Batavia. Onder zijn leiding groeide de partij verder uit: in 1938 telde de IKP 34 afdelingen, met buiten Java afdelingen in Makassar, Medan, Palembang, Bukittinggi en Sawahlunto.

Kerstens was lid van de Volksraad van Nederlands-Indië van 25 oktober 1935 tot 8 maart 1942; tegelijkertijd was hij lid van het College van Gedelegeerden en van de Volksraad. In de Volksraad vertegenwoordigde hij de belangen van de (katholieke) Europese en Indo-Europese gemeenschap. In deze periode schreef hij het boekje De Economische Groep in Schaapsvacht.

Tweede Wereldoorlog: minister in Londen Na de Duitse bezetting van Nederland en later de Japanse aanval op Nederlands-Indië kwam Kerstens in Londen terecht, waar de Nederlandse regering in ballingschap zetelde. Op 8 januari 1942 werd hij namens de Rooms-Katholieke Staatspartij (RKSP) minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart én minister van Landbouw en Visserij in het tweede kabinet-Gerbrandy. Hij volgde in beide functies Jan van den Tempel op, die de portefeuilles ad interim had beheerd na het aftreden van Max Steenberghe.

Scheepvaartbeleid: vaarplicht en vordering van de vloot Als minister verantwoordelijk voor de scheepvaart nam Kerstens ingrijpende maatregelen ten aanzien van de Nederlandse koopvaardij, die voor de geallieerde oorlogvoering van groot belang was. Kort na zijn aantreden kwam hij tot de conclusie dat een betere regeling van de vaarplicht nodig was. Het resultaat was het Vaarplichtbesluit 1942 (Staatsblad C 19), waardoor de zeeman in beginsel verplicht was tot zijn zestigste jaar te blijven varen (artikel 3, eerste lid), tenzij ontheffing werd verleend; overtreding was strafbaar met gevangenisstraf van maximaal vier jaren of een geldboete van ten hoogste 8.000 gulden (artikel 26, eerste lid). (Over de exacte datum van afkondiging lopen de bronnen uiteen: parlement.com verwijst naar een Koninklijk Besluit van 5 maart 1942, terwijl inventarissen van het Nationaal Archief het Vaarplichtbesluit C 19 dateren op 11 respectievelijk 19 maart 1942.)

Daarnaast voerde Kerstens het Zeeschepenbesluit in, dat hem de bevoegdheid verleende tot vordering van zeeschepen. In juni 1942 was hij de eerstverantwoordelijke voor het besluit om de Nederlandse koopvaardijvloot te vorderen (bezitsvordering): de exploitatie van de schepen vond voortaan plaats voor rekening van de staat, die daarmee zowel de lasten (zoals bewapening) droeg als de eventuele baten zou ontvangen.

Conflict met de reders en verlies van vertrouwen Kerstens nam in 1942 diverse eenzijdige maatregelen om de positie van de Nederlandse zeelieden te verbeteren, waaronder verhoging van de lonen en van de zogenoemde shore-bonus. Toen hij vervolgens medezeggenschap voor de schepelingen wilde instellen, kwam hij in 1943 in ernstig conflict met de Nederlandse reders. Nadat het bestuur van de koopvaardij ("Shipping") met aftreden dreigde, moest hij die laatste maatregel terugdraaien. Hij kreeg bovendien conflicten met zijn ambtsgenoten, onder wie de minister van Financiën, over het verliesgevende beheer van de gevorderde vloot.

Ontslag Kerstens trad op 31 mei 1944 af. Aanleiding was het voornemen van minister-president Gerbrandy om een afzonderlijk ministerie van Scheepvaart in te stellen, waarvan J.M. de Booy de leiding zou krijgen. Tijdens zijn ministerschap had hij enkele malen in de Verenigde Staten verbleven voor overleg in het kader van de UNRRA (United Nations Relief and Rehabilitation Administration).

Australië en Camp Columbia: Indisch regeringscommissaris Na zijn aftreden als minister werd Kerstens ingezet bij de opbouw van het Nederlands-Indische bestuur in ballingschap. Hij werd Indisch regeringscommissaris bij het Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen en directeur van Onderwijs en Eredienst voor Nederlands-Indië. Deze functie vervulde hij van 1944 tot 1946. In oktober 1944 werd hij uitgezonden om als tijdelijk commissaris voor Indische aangelegenheden overleg te voeren met het bestuur van Nederlands-Indië.

De Nederlands-Indische regering in ballingschap, onder leiding van luitenant-gouverneur-generaal Huib van Mook, vestigde zich in Camp Columbia bij Brisbane in Australië. Dit was het enige geval waarin een buitenlandse regering op Australische bodem functioneerde. De hoofden van de verschillende departementen vormden er samen met Van Mook een wetgevende raad. Kerstens was binnen deze bestuursstructuur directeur van het departement van Onderwijs en Eredienst.

Naoorlogse journalistiek: hoofdredacteur van De Tijd Van mei 1946 tot 1 november 1947 was Kerstens hoofdredacteur van het katholieke dagblad De Tijd. In deze functie nam hij een opvallend vooruitstrevend standpunt in over de Indonesische kwestie: hij behoorde tot de weinige prominente katholieken die de noodzaak van een akkoord met de Indonesische Republiek beargumenteerd inzagen, hoewel hij tegelijk hechtte aan handhaving van de rijkseenheid. In hoofdredactionele commentaren (onder meer op 19 november 1946) uitte hij zorgen over de uitwerking van het akkoord van Linggadjati, onder meer over het onderwijs, de positie van het Nederlands als voertaal en de rechten van missie en zending.

Zijn progressieve koers bracht hem in conflict met de Raad van Commissarissen van De Tijd, wat in 1947 leidde tot zijn vertrek als hoofdredacteur. Nadien bleef hij publicistisch actief; vanaf augustus 1948 was hij lid van de redactie van het R.K.-weekblad De Linie.

Eerste Kamer Op 23 juli 1946 werd Kerstens lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal voor de Katholieke Volkspartij (KVP); hij bleef dat tot 15 juli 1952. Hij werd op de kandidatenlijst geplaatst in plaats van Ch.J.I.M. Welter, die als te conservatief werd beschouwd. Van juli 1946 tot het einde van zijn lidmaatschap was hij vicefractievoorzitter van de KVP in de Eerste Kamer. Hij werd in 1946 en 1948 gekozen door Groep I (Noord-Brabant, Zeeland, Utrecht en Limburg).

In de senaat trad Kerstens vooral op als woordvoerder inzake Indische en Indonesische aangelegenheden; daarnaast hield hij zich bezig met buitenlandse zaken en defensie. In januari 1947 voerde hij namens zijn fractie het woord bij de algemene beschouwingen, omdat fractievoorzitter Kropman afwezig was wegens deelname aan een parlementaire missie naar de West. In 1949 voerde hij het woord bij het debat over de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië. Van februari 1948 tot november 1949 was hij lid van de commissie van voorbereiding voor de grondwetsherziening inzake Nederlands-Indië en het ontwerp-Unieverdrag (de zogenoemde Commissie van Negen).

Europese integratie Kerstens gold als een overtuigd voorstander van Europese samenwerking en was in Nederland een van de pioniers van de Europese eenwording. Hij was betrokken bij verschillende Europese bewegingen, waaronder de Onafhankelijke Liga voor Europese Samenwerking en de Union Européenne des Fédéralistes.

Bij het Congres van Europa, dat van 7 tot 11 mei 1948 in Den Haag werd gehouden onder het erevoorzitterschap van Winston Churchill, was Kerstens voorzitter van het Nederlands organisatiecomité. Aan het congres namen naar schatting circa 750 afgevaardigden deel. In oktober 1948 werd hij lid van een studiecomité over Europese samenwerking onder leiding van Édouard Herriot.

Van 1 augustus 1949 tot 1 februari 1951 was Kerstens lid van de Raadgevende Vergadering van de Raad van Europa te Straatsburg, als deel van de Nederlandse parlementaire delegatie. Hij was voorts medeoprichter van de Nederlandse afdeling van de Europese Liga voor Economische Samenwerking (ELES/ELEC). De koepel-Liga was in oktober 1946 te Brussel opgericht; de Nederlandse afdeling kwam in januari 1949 formeel tot stand, met Kerstens als eerste voorzitter en P.R. Bentz van den Berg (directielid van de Koninklijke Nederlandsche Hoogovens en Staalfabrieken) als vicevoorzitter, die in 1950 de eigenlijke voorzitter werd.

Nevenfuncties en bestuurslidmaatschappen Naast zijn politieke en journalistieke functies vervulde Kerstens diverse bestuurs- en toezichtsfuncties:

Commissaris van de sigaren- en sigarettenfabriek Negresco N.V. (voorafgaand en na zijn ministerschap) Commissaris bij de Verenigde Aannemingsbedrijven, N.V.