De Voorlopige Regering (Russisch: Временное правительство России, Vremennoje pravitelstvo Rossii) was vanaf 15 maart 1917 (2 maart volgens de juliaanse kalender) de officiële regering van Rusland. De tsaar Nicolaas II trad op 15 maart af wegens de Februarirevolutie. De Februarirevolutie was het begin van de Russische Revolutie van 1917. De macht ging over naar de Doema en deze stelde een voorlopige regering in.
In eerste instantie was prins Lvov de premier, maar later nam de socialist Kerenski de leiding over. De sovjet van arbeiders en soldaten in de toenmalige Russische hoofdstad Petrograd besloot deze regering te steunen, maar koos later, omdat Kerenski de oorlog tegen Duitsland wilde voortzetten, de bolsjewieken te steunen, die op 7 november de macht overnamen (Oktoberrevolutie).
Achtergrond De Voorlopige Regering werd door het Voorlopig Comité van de Staatsdoema in Petrograd opgericht en de raad werd geleid door Georgi Lvov en Aleksandr Kerenski. In hetzelfde jaar abdiceerde tsaar Nicolaas II om plaats te maken voor groothertog Michael, maar Michael weigerde de troon over te nemen. De Voorlopige Regering werd gesteund door de raad van afgevaardigden van arbeiders en soldaten uit Petrograd (Petrogradse Sovjet). De belangrijke politieke partijen binnen de Voorlopige Regering waren de Constitutioneel-Democratische Partij (de leden werden kadetten genoemd), de Sociaal-Revolutionaire Partij en de Mensjewieken. De macht van de Voorlopige Regering eindigde door de Oktoberrevolutie van de bolsjewieken.
Formatie en eerste samenstelling De Voorlopige Regering ontstond in het machtsvacuüm na de Februarirevolutie in 1917 toen de macht van de regering van de tsaar verdween en de Staatsdoema en de sovjet van Petrograd tegen elkaar om de macht wedijverden. Tsaar Nicolaas II was op 2 maart afgetreden en hij had zijn broer groothertog Michael aangewezen als nieuwe tsaar. Groothertog Michael weigerde om het ambt te aanvaarden. De volgende dag gaf groothertog Michael wettelijke goedkeuring voor een overgangsregering. Hierin werd beschreven dat de Voorlopige Regering mocht regeren tot de Grondwetgevende Vergadering de definitieve vorm van bestuur bepaald had. De Voorlopige Regering had de taak om verkiezingen voor de Grondwetgevende Vergadering voor te bereiden en belangrijkste overheidstaken uit te voeren.
De openbare aankondiging van de oprichting van de Voorlopige Regering was op 3 maart. De dag na de formatie stond het in de Izvestia. In de aankondiging stond dat de Voorlopige Regering een onmiddellijke en volledige amnestie verleenden aan alle politieke en religieuze gevangenen. De amnestie gold ook voor mensen die gearresteerd waren voor onder andere terroristische activiteiten, opstanden in het leger en landonteigeningen van grootgrondbezitters. In de aankondiging stond ook het instellen van algehele persvrijheid, vrijheid om vakbonden op te richten, bijeenkomsten te houden, stakingen te organiseren, de afschaffing van verplichte arbeid, de onmiddellijke voorbereidingen voor het uitschrijven van verkiezingen gebaseerd op algemeen kiesrecht die de vorm van het bestuur en de grondwet, de verkiezingen voor de bestuurders van lokale autonome regio’s op basis van universele, gelijke en anonieme stemmen, het ervoor zorgen dat de orde in de militaire rangen en het uitvoeren van politieke taken en het verwijderen van alle beperkingen in het uiten van burgerrechten.
thumb|Foto van de eerste samenstelling van de Voorlopige Regering De samenstelling van de eerste ministerraad van de Voorlopige Regering: minister-president: Georgi Lvov (kadet) minister van Binnenlandse Zaken: Georgi Lvov (kadet) minister van Buitenlandse Zaken: Pavel Miljoekov (kadet) in april 1917 vervangen door Michael Terestsjenko (partijloos) minister van Oorlog en Marine: Aleksandr Goetsjkov (oktoberist) in april 1917 vervangen door Aleksandr Kerenski (sociaal-revolutionair) minister van Transport: Nikolaj Nekrasov (kadet) minister van Handel en Transport: Aleksandr Konovalov (Progressieve Partij) minister van Justitie: Aleksandr Kerenski (sociaal-revolutionair) in april 1917 vervangen door Pavel Pereverzev (sociaal-revolutionair) minister van Financiën: Michael Terestsjenko (partijloos) in april 1917 vervangen door Andrej Sjingarev (kadet) minister van Onderwijs: Andrej Majoelov (kadet) minister van Landbouw: Andrej Sjingarev (kadet) in maart 1917 vervangen door Viktor Tsjernov (sociaal-revolutionair) in april 1917 vervangen door Viktor Tsjernov (sociaal-revolutionair) minister van Werkgelegenheid: Matvej Skobelev (mensjewiek) aangesteld in april 1917 minister van Voedsel: Aleksej Petsjechonov (volkssocialist) aangesteld in april 1917 minister van Volksgezondheid: Ivan Jevrenov (sociaal-revolutionair) aangesteld in april 1917 minister van Post en Telegraaf: Irakli Tsereteli (mensjewiek) aangesteld in april 1917 opperprocurator van de Heilige Synode van de Russische Orthodoxe Kerk: Vladimir Ljov (progressief)
Aprilcrisis Op 1 mei (18 april) stuurde de minister van Buitenlandse Zaken Pavel Miljoekov een brief aan de regeringen van de geallieerden in de Eerste Wereldoorlog waarin hij beloofde dat de oorlog door zou gaan en tot het glorieuze einde liep. Op 3 mei (20 april) demonstreerden 21 arbeiders en soldaten tegen het voortzetten van de oorlog. Zij eisten het aftreden van Miljoekov. Er kwam een tegendemonstratie die wilde dat hij op zijn post bleef. Generaal Lavr Kornilov, commandant van het militaire district Petrograd, wilde de onrusten laten stoppen maar hij kreeg geen steun van minister-president Georgi Lvov.
De Voorlopige Regering accepteerde het aftreden van minister van Buitenlandse Zaken Miljoekov en minister van Oorlog Goetsjkov en er werd een voorstel gedaan om de Petrogradse sovjet om een coalitie te laten vormen. Het gevolg van de onderhandelingen was dat er op 18 mei een overeenkomst was bereikt waarin er zes sociaal-revolutionaire ministers deelnamen aan de regering.
In deze periode reflecteerde de Voorlopige Regering voornamelijk de wil van de sovjet-revolutionairen, terwijl de nog linksere groeperingen, waaronder de bolsjewieken, ondergronds gingen. De sociaal-revolutionaire ministers werden door de linkervleugel van hun partij onder vuur genomen. De Voorlopige Regering kon vanwege het factionalisme in de Sociaal-Revolutionaire Partij geen bepalende politiek besluiten doorvoeren en belangrijke beslissingen nemen.
Julicrisis en de tweede regering In Petrograd vond op 16 en 20 juli de julidagen plaats waarbij een deel van de soldaten en arbeiders tegen de Voorlopige Regering in opstand kwamen, zoals beschreven in het boek Aprilstellingen van Vladimir Lenin. Nadat de opstand was neergeslagen kregen de bolsjewieken de schuld, waarbij de leider van de bolsjewieken Lenin ondergronds verderging, terwijl andere leiders werden gearresteerd.
De gevolgen van deze gebeurtenissen was dat een nieuwe crisis binnen de Voorlopige Regering ontstond. Liberale ministers van de Constitutioneel-Democratische Partij traden af en daarom kon er aan het einde van de maand geen nieuw kabinet gevormd worden. Uiteindelijk werd er op 6 augustus (24 juli) 1917 een nieuwe regering gevormd dat voornamelijk uit socialisten bestond en waarvan Kerenski de voorzitter was.
De samenstelling van de tweede ministerraad van de Voorlopige Regering: minister-president: Aleksandr Kerenski (sociaal-revolutionair) minister van Oorlog en Marine: Aleksandr Kerenski (sociaal-revolutionair) vice-president: Nikolaj Nekrasov (sociaal-revolutionair) minister van Financiën: Nikolaj Nekrasov (kadet) minister van Buitenlandse Zaken: Michail Terechtsjko (partijloos) minister van Binnenlandse Zaken: Nikolaj Avksentjev (sociaal-revolutionair) minister van Transport: Pjotr Joerenev (kadet) minister van Handel en Industrie: Sergej Prokopovitsj (partijloos) minister van Justitie: Aleksandr Zaroedni (volkssocialist) minister van Onderwijs: Sergei Oldenburg (kadet) minister van Landbouw: Viktor Tsjernov (sociaal-revolutionair) minister van Werkgelegenheid: Matvej Skobelev (mensjewiek) minister van Voedsel: Aleksej Petsjechonov (volkssocialist) minister van Volksgezondheid: Ivan Jevrenov (sociaal-revolutionair) minister van Post en Telegraaf: Aleksej Nikitin (mensjewiek) in april aangesteld opperprocurator van de Heilige Synode van de Russische Orthodoxe Kerk: Vladimir Lijov (progressief)
Derde coalitie Op 8 september veranderde de samenstelling van de ministerraad. Een aantal ministersposten veranderde van naam en er kwam een aantal nieuwe ministers in de raad. De samenstelling van de derde ministerraad van de Voorlopige Regering: minister-president: Aleksandr Kerenski (sociaal-revolutionair) vice-president: Aleksandr Konovalov (kadet) minister van Handel en Industrie: Aleksandr Konovalov (kadet) minister van Buitenlandse Zaken: Michail Terestsjenko (partijloos) minister van Binnenlandse Zaken, Post en Telegraaf: Aleksej Nikilin (mensjewiek) minister van Oorlog: Aleksandr Verchovski (sociaal-revolutionair) minister van Marine: Dmitri Verderovski (sociaal-revolutionair) minister van Financiën: Michail Bernatski (partijloos) minister van Justitie: Pavel Maljantovitsj (mensjewiek) minister van Transport: Aleksandr Liverovski (partijloos) minister van Onderwijs: Sergej Salozkin (partijloos) minister van Landbouw: Semjon Maslov (sociaal-revolutionair) minister van Arbeid: Koezma Gvozdev (mensjewiek) minister van Voedsel: Sergej Prokopevitsj (partijloos) minister van Volksgezondheid: Nikolaj Kisjkin (kadet) minister van Post en Telegraaf: Aleksej Nikitin (mensjewiek) minister van Religie: Anton Kartasjev (kadet)
Bestuur, beleid en problemen De bestuurlijke politieke situatie in Rusland was na de Februarirevolutie, de abdicatie van tsaar Nicolaas II en de formatie van de nieuwe Russische republiek dramatisch veranderd. Het leiderschap van de tsaar representeerde een autoritaire, conservatieve vorm van bestuur. De Kadettenpartij, een partij voor liberale intellectuelen, vormde de grootste oppositiepartij tegen het bewind van de tsaar voor de Februarirevolutie. De Kadettenpartij veranderde na deze revolutie van een oppositiepartij naar een partij die de macht kreeg in de nieuwe Voorlopige Regering die het bestuur van de tsaar overnam. De Februarirevolutie zorgde voor meer politieke activiteiten van de arbeiders wat leidde tot een ruk naar links in het politieke spectrum.
De meeste stedelijke arbeiders steunden in het begin de socialistische mensjewieken, maar een kleine groep steunde de radicalere bolsjewieken. De mensjewieken steunden de Voorlopige Regering en ze geloofden dat zo’n regering een noodzakelijke stap was om het communisme te bereiken. De bolsjewieken werkten de Voorlopige Regering tegen en ze verlangden een snellere overgang naar het communisme. De meeste boeren steunden de Sociaal-Revolutionaire Partij, want zij wensten de verdeling van het land onder de boeren. De stedelijke arbeiders steunden voornamelijk de mensjewieken, maar in de loop van het jaar 1917 kregen de bolsjewieken steeds meer steun.
De meeste tegenstand kwam door de ontwikkeling binnen de Petrogradse sovjet die de socialistische ideeën aanhing. De Petrogradse sovjet zetten zijn eigen structuur op, waardoor een tweede machtsstructuur naast die van de Voorlopige Regering ontstond. Terwijl de Voorlopige Regering de formele macht in Rusland behield, bezat de Petrogradse sovjet de echte macht in het land. De Petrogradse sovjet had de macht over de spoorwegen en daardoor hadden ze de macht om politieke beslissingen te forceren. De Voorlopige Regering had niet de macht om de politiek de beheersen. In werkelijkheid bepaalden de lokale sovjets of de wetten van de Voorlopige Regering geïmplementeerd konden worden.