De Partij van de Arbeid (afgekort: PvdA, in de volksmond ook P van de A genoemd) was een Nederlandse politieke partij die een sociaaldemocratische signatuur had.
De Partij van de Arbeid werd op 9 februari 1946 opgericht en was een fusie van drie partijen: de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, de Vrijzinnig-Democratische Bond en de Christelijk-Democratische Unie. De partij was gedurende haar gehele bestaan onafgebroken vertegenwoordigd in de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal, en de partij heeft aan dertien kabinetten deelgenomen gedurende zeven aaneengesloten periodes. Wim Schermerhorn (1945–1946), Willem Drees (1948–1958), Joop den Uyl (1973–1977) en Wim Kok (1994–2002) waren minister-president namens de Partij van de Arbeid.
Op 13 juni 2026 nam de PvdA het besluit per 1 juli dat jaar te fuseren met GroenLinks tot Progressief Nederland (PRO). In de waterschappen, de meeste provincies en een klein aantal gemeenten zijn er nog onafhankelijke PvdA-fracties.
Geschiedenis Oprichting thumb|Oprichtingscongres van de PvdA in 1946 De Partij van de Arbeid werd op 9 februari 1946 opgericht als voortzetting van de vooroorlogse Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB) en de Christelijk-Democratische Unie (CDU).
De PvdA wilde een 'doorbraakpartij' zijn: mensen moesten niet meer volgens 'scheidslijnen en verzuilde structuren van vóór 1940' kiezen op basis van sociale klasse of religie, maar nu op basis van 'gemeenschapszin en saamhorigheid van de Nederlandse bevolking'. Een gedachte die tijdens de Tweede Wereldoorlog was gevormd toen liberalen, sociaaldemocraten en christendemocraten in het verzet tegen de Duitse bezetting hadden samengewerkt.'Oprichting PvdA', in: 'De rode canon' (2010). Wiardi Beckman Stichting. Geraadpleegd 20 maart 2017.
Een aantal ontevreden SDAP'ers richtte op 11 mei 1946 als reactie op de vorming van de PvdA de Oude SDAP (OSDAP) op, die echter begin jaren 50 weer ter ziele ging. In de praktijk bleek de PvdA echter te links voor veel van de voormalige leden van de VDB die zich in 1947 verenigden in het Comité ter voorbereiding van een Democratische Volkspartij (Comité-Oud) onder leiding van Pieter Oud, met als gevolg de oprichting van de VVD in 1948.Comité-Oud, parlement.com
1946-1965 thumb|rechtop|Willem Drees in 1947
In de periode 1946 tot en met 1958 vormde de PvdA samen met de KVP de zogenaamde 'brede-basiskabinetten' (rooms-rode coalitie). Vanaf 1948 bekleedde de sociaaldemocraat Willem Drees het premierschap. De kabinetten onder zijn leiding legden de basis voor de sociale voorzieningen van de verzorgingsstaat.
De populariteit van Drees was mateloos groot, maar in de kaders van de partij was er ook stevige kritiek op de politionele acties in Nederlands-Indië, op de regenteske stijl van de leiding en op het ontbreken van klassenstrijd. Het in 1955 heropgerichte Sociaal-Democratisch Centrum probeerde onder leiding van Sam de Wolff het interne debat hierover te voeren, en erkenning te krijgen als werkgemeenschap. Het partijbestuur onder voorzitterschap van Evert Vermeer wilde hier niet van weten, en dwong in 1959 De Wolff zijn Centrum op te heffen.
Na 1958 kwam de PvdA tot aan de vorming van het kabinet-Cals in 1965 in de oppositie terecht. Deze periode werd gekenmerkt door een terugloop in kiezers voor de partij.
1965-1989 Vanaf 1965 probeerde de beweging Nieuw Links de koers en de organisatie van de partij te wijzigen. Jongeren en vrouwen kregen een grotere rol in de organisatie en er kwam meer aandacht voor thema's als milieubescherming, feminisme en solidariteit met de derde wereld. De vernieuwing was tegen het zere been van een aantal prominenten, waaronder Willem Drees jr. die in 1970 DS'70 oprichtte.
start=3:33|thumbtime=3:52|thumb|Polygoon-journaal-impressie van de verkiezingscampagnes voor de Tweede Kamerverkiezingen van 1977. Joop den Uyl op campagne.
Vanaf het einde van de jaren 1960 ontstond er een nauwe politieke samenwerking tussen progressieve partijen op zowel landelijk als lokaal niveau. Het groeiende verwantschap zorgde in 1969 voor de oprichting van het Progressief Akkoord (PAK), een samenwerking tussen PvdA, PSP en PPR. Later zouden ook nog CPN en D'66 deels zijdelings deelnemen aan deze samenwerking.
Bij de Tweede Kamerverkiezingen op 28 april 1971 werd de PvdA de grootste partij van Nederland.
De samenwerking met de andere progressieve partijen was de basis voor een gezamenlijk verkiezingsprogramma in 1972, onder de naam Keerpunt '72. De drie partijen vormden vervolgens samen met ARP en KVP het kabinet-Den Uyl. Na de verkiezingen van 1977 kwam de PvdA ondanks een winst van tien zetels echter weer in de oppositie terecht. De samenwerking tussen PvdA en CDA is tijdens het kabinet Den Uyl erg verslechterd (zowel inhoudelijk als persoonlijk). Dat heeft uiteindelijk geleid tot het kabinet Van Agt/Wiegel waarbij Den Uyl met lege handen aan de zijlijn bleef staan. De PvdA is hierover nog lang verbitterd geweest. Na verkiezingen in 1981 werd met CDA en D66 het tweede kabinet-Van Agt gevormd, maar dit was geen lang leven beschoren. Tot 1989 maakte de PvdA geen deel meer uit van de regering. In 1986 werd Joop den Uyl opgevolgd door oud-FNV-voorzitter Wim Kok als politiek leider.
1989-2002 Na de verkiezingen in september 1989 trad de PvdA toe tot het derde kabinet-Lubbers. Maatregelen om de WAO aan te pakken leidden in de zomer van 1991 tot een interne crisis, waarna partijvoorzitter Marjanne Sint opstapte. Ze werd opgevolgd door Felix Rottenberg.
Bij de Tweede Kamerverkiezingen 1994 leed de PvdA een verkiezingsnederlaag, maar werd ze tot ieders verrassing wel de grootste partij. De twee "paarse" kabinetten Kok-I en II van PvdA, VVD en D66 waren de eerste kabinetten sinds de invoering van het algemeen kiesrecht zonder confessionele partijen. De sociaalliberale koers stond internationaal bekend als de Derde Weg, en vond navolging bij de Britse regeringen onder leiding van Tony Blair en de Amerikaanse regeringen onder leiding van Bill Clinton. Tijdens deze regeerperioden werden progressieve wetten betreffende het homohuwelijk, euthanasie en de wet op winkelopeningstijden doorgevoerd.
De PvdA kreeg in die periode ook regelmatig het verwijt van teleurgestelde kiezers dat ze te veel naar het politieke midden opschoven. Wim Kok zei in december 1995 dat het afschudden van de ideologische veren ook bevrijdend zou kunnen werken.
2002-2012 thumb|Vijfentwintig jaar PvdA-leiding naast elkaar: Wim Kok, Wouter Bos en Job Cohen (2011) Een half jaar voor de verkiezingen van 15 mei 2002 leek er electoraal nog geen vuiltje aan de lucht, maar de snelle opkomst van Pim Fortuyn en een turbulente verkiezingscampagne leidde uiteindelijk tot de grootste verkiezingsnederlaag in de historie van de PvdA: de partij haalde 23 zetels. Zelfs vóór de vergroting van de kamer tot 150 zetels in 1956 was de PvdA-fractie nog nooit zo klein geweest. De beoogde opvolger van Kok, Ad Melkert, trad daags na de verkiezingen af als partijleider en vertrok enkele maanden later uit de Tweede Kamer.
In november 2002 kozen de leden van de partij Wouter Bos tot nieuwe lijsttrekker en partijleider in een intern referendum. Hij nam de leiding in de fractie over van interim-fractievoorzitter Jeltje van Nieuwenhoven. Onder Bos werd op 22 januari 2003 bijna het gehele geleden verlies van mei 2002 weer goedgemaakt. De PvdA werd met 42 zetels de tweede partij van Nederland, na het CDA met 44 zetels.
Na deze verkiezingen werden coalitie-onderhandelingen gevoerd tussen PvdA en CDA, maar die ketsten af, waarna CDA, VVD en D66 het kabinet-Balkenende II vormden. De PvdA bleef daarmee in de oppositie.
Na de aanvankelijke winst van drie jaar eerder leed de partij met lijsttrekker Wouter Bos bij de Tweede Kamerverkiezingen 2006 net als in 2002 opnieuw een groot electoraal verlies. Het verlies ging deze keer gepaard met een ongekend grote winst voor de SP. Hoewel prognoses enkele maanden eerder erop duidden dat de PvdA 50 à 55 zetels zou halen, kwam de partij uit op 33 zetels. Met CDA en ChristenUnie vormde de PvdA vervolgens het vierde kabinet-Balkenende. Daarop kwam de partij in een crisis terecht, waarbij op 25 april 2007 eerst voorzitter Michiel van Hulten wegens een verschil van mening over een rapport waarin de verkiezingsnederlaag werd geanalyseerd. Daarna trad ook het voltallige bestuur af. Voormalig partijvoorzitter Ruud Koole trad aan als voorzitter van een interimbestuur waarin ook Trude Maas-de Brouwer zitting nam. In september 2007 werd in een ledenraadpleging Lilianne Ploumen als nieuwe voorzitter gekozen. Zij versloeg zes medekandidaten, waaronder voormalig minister en Kamerlid Jan Pronk. Een jaar later werd de in februari 2007 aangestelde PvdA-minister Ella Vogelaar uit haar functie van Minister van Wonen, Wijken en Integratie ontheven nadat de PvdA-top het vertrouwen in haar had opgezegd. Op 20 februari 2010 stapte de PvdA uit het kabinet.
Voor de Europese Parlementsverkiezingen 2009 werd Thijs Berman gekozen tot lijsttrekker, hij versloeg oud-campagneleider Jacques Monasch, voormalig Tweede Kamerlid Kris Douma en oud-wethouder Hannah Belliot. Op 15 maart 2009 stemde het partijcongres in met de kandidatenlijst voor deze verkiezingen. Met 12,1% van de stemmen behaalde de Partij van de Arbeid 3 zetels in de Europees Parlement. Naar de oorzaak van de scherpe daling van het aantal zetels liep een intern onderzoek, onder leiding van Sharon Dijksma.
Bij de Tweede Kamerverkiezingen 2010 behaalde de PvdA 30 zetels. Eerder trad Wouter Bos af om meer tijd met zijn gezin door te brengen en schoof Job Cohen naar voren als lijsttrekker. Hij werd de enige kandidaat en als dusdanig gekozen tot lijsttrekker. De PvdA steeg in de peilingen van ongeveer 20 zetels onder Bos naar 34 zetels onder Cohen. Cohen werd een tijd lang zelfs de favoriete premierskandidaat van alle lijsttrekkers. Toen Cohen in enkele debatten op economisch gebied zwakker bleek dan verwacht, verschoof de opinie echter, omdat de economie een belangrijk punt in de campagne was. Desondanks bleef de partij het relatief goed doen in de peilingen. De PvdA werd echter niet de grootste partij; dit werd de VVD van Mark Rutte, met 31 zetels. Toen onderhandelingen voor een rechts kabinet mislukten, werd de mogelijkheid van een paars-pluskabinet (bestaande uit de 'oude' paarse partijen VVD, PvdA en D66 aangevuld met GroenLinks) onderzocht. Deze poging strandde ook door meerdere meningsverschillen. Rutte en Cohen concludeerden beiden dat de meningsverschillen te groot waren. Een poging tot een centrumrechts kabinet bestaande uit VVD en CDA met gedoogsteun van de PVV werd onderzocht en lukte. Hieruit volgde het kabinet-Rutte I, waarna de PvdA de grootste oppositiepartij werd.
2012-2016 rechtop=0.6|thumb|Verkiezingsposter 2017