thumb|De veertiende dalai lama thumb|De zestiende karmapa thumb|twaalfde tai situ

Een tulku is binnen het Tibetaans boeddhisme een reïncarnatie van een verlichte lama. In boeddhistische filosofie wordt de terugkeer van de tulku naar het menselijk leven gemotiveerd uit mededogen om gelovigen te leiden op het pad naar verlichting.

Er zijn honderden tot duizenden tulku-lijnen in Tibet en erbuiten, met als bekendste voorbeeld, de dalai lama, waarvan Tenzin Gyatso volgens gelovigen de veertiende incarnatie sinds 1391 is. De oudste nog bestaande tulku-lijn die van de karmapa. Deze begint bij de tweede karmapa Karma Pakshi. In de reïncarnatielijn van de karmapa is er geen sprake van postume erkenningen. Bij de dalai lama en de pänchen lama is dat wel het geval.

De selectie van een tulku is omgeven door veel mystiek van visioenen, symboliek, nagelaten brieven van de overleden lama en meer. Deze ging in de loop van de eeuwen her en der ook steeds meer gepaard met belangen en misleiding. Gezien de politieke gevolgen daarvan, voerde de Chinese keizer Qianlong in de tweede helft van de 18e eeuw de Gouden urn in voor hoge, gezagsrijke reïncarnaties. In de loop van de eeuwen is er meermaals sprake geweest van controverses waarbij er twee kandidaten zijn gekozen of waarbij de gekozen kandidaat geen interesse heeft zijn leven volgens monastieke tradities voort te zetten.

Religieuze context De mahayana-stroming in het boeddhisme, waar het Tibetaans boeddhisme onderdeel van uitmaakt, kent de doctrine van de trikaya (drie lichamen). Het gaat dan om de drie verschijningsvormen, lichamen waarin een boeddha zich kan manifesteren. De eerste trikaya is de dharmakaya. Voor de opkomst van het mahayana-boeddhisme werd daarmee vooral een verschijningsvorm van een verlichte boeddha bedoeld, met eigenschappen als bijvoorbeeld wijsheid en geduld, eigenschappen die niet onderhevig zijn aan verval of lijden. Geleidelijk verschoof de betekenis van deze verschijningsvorm als fysiek lichaam van een boeddha naar een verschijning die vooral meer abstracte deugden kent en vertegenwoordigt het met de essentie van het universum de ware natuur van de boeddha. In de Engelstalige literatuur wordt dharmakaya dan ook wel als truth body vertaald. In het Nederlands worden meer termen gebruikt. De aanduiding lichaam van de grote ordening komt er dichtbij. Het tweede lichaam is dat van sambhogakaya, dat in het Engels meestal wordt vertaald als enjoyment body. In het Nederlands wordt wel de term gelukzaligheidslichaam gebruikt. Dit is de verschijning van een boeddha die in een boeddhaparadijs verblijft (pure land) en het mahayana verklaart aan bodhisattvas. Deze verschijningsvorm sambhogakaya is niet waar te nemen door gewone stervelingen. Wel worden in de mahayana-kunst vele tantrische godheden in de vorm van de gelukzaligheidslichaam uitgebeeld. De derde verschijningsvorm is de nirmanakaya. In het Engels vertaald als emanation body; in het Nederlands bijvoorbeeld als transformatielichaam. Het is in deze verschijningsvorm waarin een boeddha aan mensen kan verschijnen.

In Tibet is deze derde verschijningsvorm gekozen om de daar vanaf ongeveer de 12e eeuw de aanwezige opvatting en notie over incarnerende lama's te benoemen.Lopez jr, Donald S. (2007) Religions of Tibet in Practise, Princeton Readings, Oxford, pag. 22-23, 31-32

De incarnatie van een overleden grote leraar (goeroe, lama) wordt tulku (Wylie: sprul sku) genoemd, de Tibetaanse vertaling van het woord nirmanakaya of transformatielichaam. Al in de leer van het mahayana wordt melding gemaakt van het bijzondere vermogen om zelf na de dood de omstandigheden van de wedergeboorte te kunnen bepalen. Het is een van de eigenschappen die een bodhisattva in het achtste stadium van zijn spirituele ontwikkeling, bhumi, kenmerken. Bhumi, Sanskriet voor land, zijn de tien stadia die een bodhisattva in de mahayana-opvatting moet doormaken om het boeddhaschap te verwezenlijken. Het is dit vermogen, samen met het concept nirmanakaya, dat de doctrinaire en religieuze grondslag van het tulkusysteem vormt.

Verschil tussen stervelingen en gereïncarneerde lama's Er zijn grote verschillen in het proces hoe normale stervelingen en hoe gereïncarneerde lama's wedergeboren worden. Voor de eersten is het een beangstigend proces, een duistere tocht in het onbekende, een proces waar men geen controle over heeft. Bepaald door het karma wordt men via de staat van bardo weer in een nieuwe levensvorm op aarde wedergeboren. Er is een zeer reële mogelijkheid dat men niet meer als mens na de wedergeboorte zal terugkeren.

De wedergeboorte van een gereïncarneerde lama is volstrekt verschillend. Als nirmanakaya zijn tulku's vrij van de beperkingen van karma. Hun wedergeboorte is vrijwillig. Ze hoeven niet wedergeboren te worden, maar ze besluiten dat te doen uit mededogen voor anderen. Daarnaast hebben tulku's volledige controle over hun wedergeboorte. Voor gewone stervelingen moet de wedergeboorte binnen 49 dagen na het overlijden plaatsvinden. Tulku's hebben die beperkingen niet. Voor normale stervelingen bepaalt de karma de omstandigheden van de wedergeboorte, zoals de plaats, de ouders, de verschijningsvorm van de wedergeboorte en de intelligentie daarvan. Voor de tulku is dat een kwestie van keus en wordt verondersteld al van tevoren besloten te zijn, zodat een stervende tulku instructies zou kunnen achterlaten waar zijn nieuwe incarnatie gezocht zou moeten worden.

Historische context thumb|Yarlung-koning Songtsen Gampo De tweede verspreiding van het boeddhisme in Tibet en een nieuwe fase van vertalen van tantrische literatuur uit India begint vanaf eind 10e, begin 11e eeuw. Tegelijkertijd begint een herleving van het kloosterleven en de monastieke traditie. In veel delen van het land werd dat bevorderd door lokale aristocratische families, die op regionaal niveau hun macht hadden gevestigd na de val van het grote Tibetaanse rijk van de Yarlung-dynastie in de 9e eeuw. Een goed voorbeeld van allianties tussen dit soort adellijke clans en de nieuwe religieuze bewegingen is die van de Khön-familie in de sakya-traditie. De Khön-familie verwierf zijn macht gedurende de regeringsperiode van koning Trisong Detsen (755-797). Tot in de 21e eeuw illustreert de geschiedenis van deze familie voor veel Tibetanen de verwevenheid van eeuwenoude aristocratische en spirituele macht.Kapstein, Matthew (2007) The Tibetans, Blackwell Publishing, Oxford, pag. 100-104, 109, 155-156, Deze verwevenheid leidde tot de suprematie van de sakya-traditie in de 13e en 14e eeuw.

Verbondenheid adel en geestelijkheid vanaf de 11e eeuw De adel in historisch Tibet was ook geïnteresseerd in de nieuwe ontwikkeling van het boeddhisme in Tibet, omdat boeddhistische instituties de mogelijkheden hadden waarden en normen uit te dragen die nobel of adellijk werden geacht. In toenemende mate leidde dat in de 11e eeuw tot steeds grotere verbondenheid van boeddhistische instituties met centra van politieke en materiële macht. Het tantrisch boeddhisme werd zo in overeenstemming gebracht met feodale instituties. De lama werd gezien als een heer waaraan volgelingen hun leven en lichaam opdroegen. Vanaf begin 11e eeuw komt de combinatie van lama en edelman in één en dezelfde persoon ook steeds meer voor.

Die verbondenheid tussen adel in Tibet en geestelijkheid leidde - net zoals in het middeleeuwse Europa - vanaf 11e eeuw tot een steeds grotere stroom van giften en legaten aan met name de kloosters. Dit economisch bezit werd voor de toekomst van de orde en het klooster veiliggesteld. Enkele aspecten speelden daarbij nog een rol.

De verschillende geestelijke tradities in het Tibetaans boeddhisme waren in die tijd veel meer verdeeld in kleinere subordes. De verwevenheid van adellijke clans en geestelijkheid speelde zich dus ook op een schaal van een meestal beperkt geografisch gebied af. Geestelijke ordes konden vrij moeilijk een andere clan van adellijke families in de regio vinden voor hun bescherming, ook in de zin van militaire protectie. Ze waren aangewezen op een specifieke alliantie. In het geval van conflicten over eigendomssituaties bestond er in Tibet geen kerkelijke hiërarchie die uiteindelijk tot een uitspraak kon komen, zoals in het middeleeuwse Europa.

Verandering van het systeem in tussen de 12e en 14e eeuw thumb|De tweede karmapa In het streven van de ordes en kloosters om de afhankelijkheid van de adel in Tibet te beperken zou de introductie van het instituut tulku een cruciale rol gaan spelen. Matthew Kapstein vermoedt dat informele erkenning van bijzondere wedergeboorten al incidenteel vanaf het eind van de 11e eeuw plaatsvonden in Tibet. Voor het functioneren van reïncarnatie als opvolgingsprincipe is de legitimatie van de geselecteerde persoon van doorslaggevend belang. In de 13e en 14e eeuw ontwikkelde zich dit systeem daarom verder en ontstond er een formele procedure. Hierbij werd na de dood van een religieus leider een kind geïdentificeerd als opvolger die alle bestaande rechten en bezittingen van de voorganger overnam. Als de eerste lama die bewust op deze wijze reïncarneerde wordt meestal de tweede karmapa, Karma Pakshi (1204-1283) genoemd.

Tibetologisch onderzoek in het eerste decennium van de 21e eeuw heeft echter aangetoond, dat er in de 13e eeuw al aanzienlijk meer individuen als tulku's werden beschouwd.

De eerste tulku's worden al in de tweede helft van de 12e eeuw aangetroffen in de toenmalige Kadamtraditie. Het gaat dan bijvoorbeeld om de tantrische meester Chökyi Gyalpo (1069- 1144) die de reïncarnatie was van Naktso en de Kadammeester Gyer Zhonu, de reïncarnatie van Zhonnu U (1075 - 1138). Zhonno U was in die periode verreweg de belangrijkste leraar van de Kadam.Kuijp, Leonard van der (2005) The dalai lama's and the origins of reincarnate lama's, in: Brauen, Martin (2005) The dalai lama's: A visual History, pag. 15-29, Serindia Publications,

Het hanteren van deze vorm van reïncarnatie als instrument voor opvolging van religieuze, monastieke leiders leidde tot een mate van onafhankelijkheid van kloosters en subordes ten opzichte van machtige lekenfamilies en adel. De tulku werd een belangrijk middel om de spirituele, politieke en economische continuïteit van vooral de monastieke instituties te waarborgen.

Mongolië Het introduceren van deze wijze van reïncarnatie is buiten Tibet en het Himalaya-gebied beperkt gebleven tot boeddhisme in Mongolië. De Mongoolse naam voor tulku is khubiligai (meervoud khubilgan) of koetoektoe. In toenemende mate werd het laatste woord echter gebruikt als eretitel voor met name de hoge Mongoolse reïncarnaties. Zanabazar (1635-1723) werd de eerste autochtoon Mongoolse khubilgai. In 1650 werd hij geproclameerd tot de eerste Jabzandamba. De historische context wijkt echter af van de ontwikkeling in Tibet. Reden daarvoor is de veel latere introductie van deze vorm van reïncarnatie in Mongolië en de geheel andere gezagsrelatie die het had met de Chinese keizer. De tulkulijn van de hoogste boeddhistische geestelijke in het gebied van Binnen-Mongolië, de Changkya Koetoektoe, is gecreëerd door de keizer Kangxi.

Heissig, Walther (1980) The Religions of Mongolia: The Lamaist Suppression of Shamanism, Routledge & Kegan Paul Ltd, London, pag. 39-43, Berger, Patricia (1995) After Xanadu, The Mongol Renaissance of the Sixteenth to Eighteenth Centuries, Thomas and Hudson, New York, pag. 53-54,

Functioneren van het systeem Met de verdere ontwikkeling van het tulkusysteem in de 14e en 15e eeuw verzekerde het georganiseerde boeddhisme zich van een mate van onafhankelijkheid van de adel in Tibet. Dat neemt niet weg, dat men wel degelijk groot belang bleef toekennen aan een zekere bescherming van en werkzame relatie met de adel in Tibet. Dat werd verzekerd door het periodiek selecteren van met name tweede en/of derde zoons van belangrijke edellieden. Voor een deel is de hiërarchie in het georganiseerde Tibetaanse boeddhisme tot in de 18e eeuw een adelskirche gebleven.