Akkergeelster (Gagea villosa) is een plantensoort uit de leliefamilie (Liliaceae).

Naamgeving In 1794 publiceerde Christiaan Hendrik Persoon de naam Ornithogalum arvense. (1794). Nähere Bestimmung und Beschreibungen einiger sich naher verwandter Pflanzen. Annalen der Botanik (Usteri) 11: 8 In de synonymie noemde hij daarbij Ornithogalum minimum , waarmee Persoon's naam een overbodige hernoeming was, en dus volgens de latere regels ongeldig. In 1827 hernoemde Barthélémy Du Mortier de soort in Gagea arvensis, denkende dat hij met akkergeelster van doen had. Gagea minima noemde hij als een andere soort. (1827). Florula belgica: 140. Gearchiveerd op 19 december 2021. Omdat Du Mortier de naam van Persoon als basioniem citeerde, was ook de door hem gegeven naam ongeldig. De eerstvolgende geldig gepubliceerde taxonnaam is die van Friedrich August Marschall von Bieberstein uit 1808: Ornithogalum villosum. (1808). Flora taurico-caucasica 1: 274. Gearchiveerd op 15 mei 2021. Von Bieberstein noemt als synoniem ook een Ornithogalum minimum, maar dan die van Carl Ludwig von Willdenow, die een heel andere beschrijving geeft dan Linnaeus. (1799). Species plantarum ed. 4(2): 114. Gearchiveerd op 4 augustus 2021. Von Bieberstein neemt óók die beschrijving integraal over. Willdenow beschreef een nieuwe soort onder een al bestaande naam, en de naam van Von Bieberstein wordt dus opgevat als een geldig gepubliceerd nomen novum, onder uitsluiting van het door hem genoemde synoniem O. arvense. In 1826 plaatste Robert Sweet de soort als Gagea villosa in het geslacht geelster. (1826). Sweet's Hortus britannicus 2: 418. Gearchiveerd op 13 mei 2021. Hoewel de naam Gagea arvensis als ongeldig moet worden beschouwd, is die toch nog lang voor de soort in gebruik geweest.

Determinatie Akkergeelster is een tweeslachtige, vaste, kruidachtige plant die groeit als bolgewas. Ze kan een hoogte bereiken van 10–25 cm. Aan de voet vormt deze soort twee of soms drie lijnvormige bladeren die bij jonge, vegetatieve exemplaren rolrond en later gootvormig zijn. Ze zijn aan de voet roodachtig en steken meestal boven de bloeiwijze uit. De bloeiwijze heeft onder het bloemscherm twee niet-stengelomvattende schutbladeren die lancetvormig en gewimperd zijn. De bloeitijd van akkergeelster loopt van maart tot april (zelden tot in begin mei). De bloemen zijn zwavelgeel en bestaan uit twee tot tien bloemdekbladen. De bloemstelen zijn behaard en ook de bloemdekbladeren zijn aan de buitenzijde behaard. Soms zitten in de oksels van stengelbladeren en/of in het scherm broedbolletjes.

De populaties van akkergeelster in Nederland zijn ofwel diploïd: het chromosoomaantal is dan 2n = 2×12 = 24, dan wel (minder vaak) tetraploïd (2n = 4×12 = 48). (2015). Genome sizes of 227 accessions of Gagea (Liliaceae) discriminate between the species from the Netherlands and reveal new ploidies in Gagea. SpringerPlus 4: 395;

Gelijkende taxa Akkergeelster lijkt op de andere geelstersoorten; ze wordt vooral met weidegeelster verward doordat deze zo nu en dan op dezelfde standplaats kunnen voorkomen. In tegenstelling tot alle andere geelstersoorten heeft akkergeelster behaarde bloemstelen. Wanneer akkergeelster samen met weidegeelster voorkomt is van een afstand al te zien dat de bloemen van akkergeelster veel bleker geel zijn, en veel smallere bloemdekbladen hebben dan die van weidegeelster. Anders dan bij weidegeelster, sluiten de bloemen van akkergeelster zich niet bij somber weer.

In vegetatieve toestand – zonder bloeiwijze – kan akkergeelster zeer sterk lijken op zaailingen van langbladige druifhyacint, gewone vogelmelk of looksoorten, waarmee ze vaak samen optreedt. Akkergeelster onderscheidt van de voornoemde taxa door de combinatie van de volgende kenmerken: de grondstandige bladeren zijn aan de voet duidelijk of zeer heel spaarzaam behaard, ze zijn niet meer 2 mm breed, purperrood aan de basis en vaak krulachtig aan het uiteinde. Verder zijn de bollen van broedbolletjes voorzien en is er bij akkergeelster geen sprake van melksap of van een lookgeur.

Ecologie Akkergeelster is een pioniersoort die voorkomt op tamelijk droge, humus- en kalkhoudende, mesotrofe zand-, zavel-, leem-, krijt- en lössgronden. Het gaat vaak om standplaatsen in de halfschaduw. Karakteristieke milieus van de soort komen voor in landgoedbossen en parken, bij vestingwerken en kastelen, in oude pastorietuinen en op begraafplaatsen, op open plekken langs holle wegen en in beschaduwde bermen. Verder langs paden, onder heggen en struwelen, in wijngaarden, akkerranden en braakliggende grond.

Tijdens de bloei kan de bestuiving zowel autogaam als entomogaam plaatsvinden. Vruchtzetting treedt echter zeer zelden op in het noordwesten van het verspreidingsgebied (waarin Nederland en Vlaanderen liggen). De zaadverspreiding vindt plaats via myrmecochorie of antropochorie. Meestal verspreidt akkergeelster zich echter via broedbolletjes, die uit de oksels van de stengelbladeren en/of in het scherm kunnen worden geproduceerd. Ook bij de vrijwel ronde bol kunnen zich broedbolletjes vormen. Deze geven al in de winter cilindrisch gevormde, haardunne bladeren en weten pas in latere jaren, als de bol krachtiger is geworden, vlakke bladeren en een bloeiwijze te produceren.

Akkergeelster is een waardplant voor twee zeldzame schimmelsoorten: geelster-vogelmelkroest en Vankya ornithogali.

Syntaxonomie In de syntaxonomie treedt akkergeelster vooral op in vegetatie van de klasse van akkergemeenschappen.

Verspreiding Het verspreidingsgebied van akkergeelster strekt zich uit over Eurazië en Noordwest-Afrika. In Vlaanderen staat de plant op de Vlaamse Rode Lijst als zeer zeldzaam in de Leemstreek. In Nederland komt ze in zeldzame mate voor in het rivierengebied, met name langs de Gelderse IJssel. In Zuid-Limburg en het midden van het land is ze zeer zeldzaam. De soort staat op de Nederlandse Rode Lijst als zeldzaam en stabiel of toegenomen.

Fotogalerij

Externe links Akkergeelster op Ecopedia

Categorie:Leliefamilie Categorie:Plant uit het Palearctisch gebied