Thubten Gyatso, voluit Ngawang Lobsang Thubten Gyatso Jigdral Chögley Namgyal (Langdün (Dagpo), 12 februari 1876 – Potala (Lhasa), 17 december 1933), was de dertiende dalai lama van Tibet.
Hij regeerde van 1895 tot 1933 en was de eerste dalai lama sinds een eeuw die zelf weer de wereldlijke macht over Tibet uitoefende, in een politiek spel tussen de grootmachten Rusland, China en het Verenigd Koninkrijk. Hij was in seculiere zin een overtuigd hervormer die de strijd aanbond met de gevestigde orde en in het bijzonder de aartsconservatieve geestelijkheid in het land.
Levensloop Geboorte en erkenning als dalai lama thumb|Samyeklooster Thubten Gyatso werd geboren in een boerengezin dicht bij het Samyeklooster in Dagpo, een regio in het zuiden van Tibet. Om de reïncarnatie van de twaalfde dalai lama te vinden werden twee orakels geraadpleegd: allereerst het orakel van Nenchung, dat de namen van de ouders noemde en aanwijzingen waar het huis te vinden was, en daarna het orakel van het klooster Samye, dat de aanwijzing toevoegde dat de berg nabij het huis de vorm van een olifant had. Op basis van deze aanwijzingen werd hij gevonden en vervolgens erkend als de dertiende dalai lama.Bell, Sir Charles (1998, herdruk) Portrait of a Dalai Lama - The Life and Times of the Great Thirteenth, Book Fait India, , pag. 40, 46, 53-54, 65-78, 210
De loterijprocedure van de Gouden urn voor de selectie van deze dalai lama werd niet toegepast. Er werd wel daaraan voorafgaand een verzoek aan de Chinese keizer gedaan te kunnen afzien van deze procedure, die daarin toestemde. De macht van de Qing-dynastie in Tibet was ook voor een groot deel geërodeerd. Sperling, Elliot, ´´Reincarnation and the golden urn in the 19th century´´ Na zijn erkenning als dertiende dalai lama in 1878 werd hij overgebracht naar Lhasa. In 1879 werd hij in het Potalapaleis ingewijd door de achtste pänchen lama.
Politiek leider thumb|V.l.n.r. Charles Bell, Sidkeong Tulku Namgyal en dalai lama Thubten Gyatso, 1910 Voorafgaand aan zijn regering had de laatste keizerlijke dynastie in China een onophoudelijke neergang doorgemaakt. Van 1853 tot 1864 hadden de Taiping-opstanden plaatsgevonden, waren de koloniale machten Frankrijk en Engeland steeds verder doorgedrongen in Azië en had er verder nog de Chinees-Japanse Oorlog van 1894 tot 1895 plaatsgevonden.Kollmar-Paulenz, Karénina (2006) Kleine Geschichte Tibets, Verlag C.H. Beck, , pag. 134-150 In de dertig jaar voorafgaand aan de regering van de dertiende dalai lama was er feitelijk geen directe Chinese controle meer geweest over Tibet. Het verlies tegen Japan betekende een ware genadeslag voor de moraal van de Chinezen en zo ook voor de ambans in Lhasa, zo schreef de Britse diplomaat Hugh Richardson. Toen Thubten Gyatso zijn achttiende levensjaar had bereikt - volgens de Tibetaanse kalender - en de leiding van de Tibetaanse regering op 8 augustus 1895 op zich had genomen, was de formele opperheerschappij van de Chinese keizer aan de randen van diens rijk op een historisch dieptepunt beland.Richardson, Hugh (1962, herziene druk 1986) Tibet & Its History, pag. 76,
Voor het eerst sinds een eeuw was er weer een dalai lama zelf die het land bestuurde, nadat het bestuur in de tussentijd in handen had gelegen van regenten van Tibet.
Magische moordpoging Niet lang na zijn aantreden werd de dalai lama ziek. Om de reden van de ziekte te achterhalen werd het Tibetaans staatsorakel geraadpleegd, dat ontdekte dat er een magische diagram in de vorm van een wiel was getekend op een stukje papier dat door de premier in de zolen van de laarzen van de dalai lama was verstopt. De premier en diens broer, de voormalige regent van Tibet - de negende demo rinpoche -, werden beschuldigd van samenzwering tegen de dalai lama en van poging tot moord door middel van magie.
De publieke verontwaardiging was groot en het Tibetaanse parlement (tsongdu) wilde dat de broers ter dood werden veroordeeld. De dalai lama was echter tegen de doodstraf. Hierbij dient echter wel vermeld te worden dat de alternatieve straffen vaak gruwelijk waren. Zo werden in hun geval scherpe bamboestaafjes onder de nagels gejaagd, waarna een afranseling volgde van meer dan honderd slagen met wilgenroedes op het zitvlak.
Brits handelsstreven Voorafgaand aan de regering van de dertiende dalai lama hadden de Britten hun handelsbelangen verder uitgebouwd in de regio. In 1876 waren ze tijdens de Cheffoo-conventie met de Chinezen overeengekomen dat ze een expeditie naar Tibet mochten uitzenden. Toen er in 1885 onder leiding van Colman Macaulay echter een expeditie naar Lhasa vertrok, werd deze door het Tibetaanse leger afgevangen en gedwongen het land te verlaten. Ondanks dat dit Lhasa op een scherpe reprimande van Peking kwam te staan, weigerde de Tibetaanse regering de samenwerking met de Britten, ook in de jaren die erop volgden. In 1888 kwam het tussen een treffen waarin het Britse leger Tibetaanse troepen aan de grens met Sikkim verdreven. Daarbovenop vestigden de Britten het protectoraat over Sikkim tijdens een conventie met de Chinezen in 1890.
De Britten, die ervan uit waren gegaan dat de Chinese keizer de scepter in Tibet zwaaide, begonnen de zwakke positie van de Qing-dynastie steeds meer te onderkennen. Hierover schreef George Curzon, onderkoning van Indië, in 1903 bijvoorbeeld het volgende:
thumb|Agvan Dorzjiev
Russische betrekkingen Daar waar de Britten niet konden profiteren van de zwakte van de China, lag dat een stuk anders voor de tegenspeler in The Great Game: het Russische Keizerrijk telde tot zijn onderdanen namelijk Mongolen, Kalmukken en Boerjaten, bevolkingsgroepen die voor een groot deel het Tibetaanse boeddhisme aanhingen. Verschillende van hen studeerden in Tibetaanse kloosters of ondernamen pelgrimstochten naar Tibet. Bovendien reisden er al sinds eind 18e eeuw Siberiërs voor handel door Centraal-Tibet. Zo maakten de Russen Gombojab Tsybikov en Ovsje Norzoenov rond 1901 de eerste foto's die er van Lhasa bestaan.Bryan, C. D. B. (2001) Das grosse National-GEOGRAPHIC-buch: Ein Jahrhundert Abenteuer und Entdeckungen, Thomas Hemstege, National Geographic,
De grootste invloed in de betrekkingen tussen Rusland en Tibet kwam echter van de Boerjaat Agvan Losan Dorzjiev, toen ook bekend onder zijn Tibetaanse naam Ngawang Lobsang Dorjiev. Rond 1872/73 vertrok hij voor boeddhistische studie naar de kloosteruniversiteit Drepung die op circa vijf kilometer verwijderd ligt van Lhasa. In 1888 behaalde hij daar de hoogste boeddhistische graad geshe en samen met zes geleerden werd hij uitverkozen de dalai lama te onderwijzen in de boeddhistische filosofie. Dankzij deze positie groeide hij uit tot zijn vertrouweling. Dorzjiev wist de dalai lama te overtuigen van de voordelen van Russische betrekkingen nu de macht van de Chinese Qing-dynastie aanmerkelijk verzwakt was. Na een eerste onofficieel bezoek in 1898 reisde Dorzjiev twee jaar later als hoofd van een Tibetaanse delegatie nogmaals naar Sint-Petersburg. Daar overhandigde hij een schrijven van de dalai lama aan de Russische tsaar Nicolaas II waarin hij opriep vriendschappelijke betrekkingen aan te knopen. Ditmaal, maar ook tijdens een volgende reis van Dorzjiev in 1901, waren zijn pogingen zonder succes vanwege de Russische vrees dat deze vriendschap de betrekkingen met de Britten te sterk zou schaden.
Britse Veldtocht in Tibet
thumb|Het vertrek uit Lhasa in 1904 thumb|left|Younghusband met Britse soldaten, 1904 De onsuccesvolle diplomatieke reizen van Dorzjiev naar Rusland hadden desalniettemin grote consequenties voor de Brits-Tibetaanse betrekkingen. De Britten vermoedden namelijk dat de Russen met de Tibetanen een bondgenootschap waren aangegaan. Toen Tibet nogmaals een verzoek van de Britten afwees om onderhandelingen te starten over handelsbetrekkingen, kreeg kolonel Francis Younghusband de toestemming van Lord Curzon, ondersteund met een aarzelend instemmen van de regering in Londen, om Tibet binnen te trekken en onderhandelingen dan maar met geweld af te dwingen. De Britten vertrokken in december 1903 richting Tibet met een leger van 3.000 troepen, bezetten de Chumbi-vallei, veroverden het fort van Gyatse en trokken uiteindelijk in augustus 1904 Lhasa binnen.
Al voor het binnenmarcheren van de Britse troepen in de Tibetaanse hoofdstad, op 28 juli, was de dalai lama begonnen aan zijn vlucht naar Mongolië. Zijn regeringszegel vertrouwde hij toe aan Ganden tripa (de abt van het Ganden klooster) Lobsang Gyaltsen, die hij voor dat moment tot zijn terugkeer benoemde tot zijn regent. Kort erna, op 7 september, tekenden de Tibetaanse delegatie en de Britten het Verdrag van Lhasa in het Potalapaleis. In het verdrag erkende Tibet de Britse heerschappij in Sikkim, werd de Chumbi-vallei onder Brits bestuur geplaatst en werd het de Tibetanen zonder Britse toestemming niet toegestaan buitenlandse ('Russische') betrekkingen te onderhouden. Daarbij kregen de Britten toestemming vertegenwoordigingen in Lhasa en Gyantse te vestigen. Het Verdrag van Lhasa werd in 1906 door Peking bekrachtigd als ware het een Chinees-Brits verdrag. Ook stemde China in met alle bepalingen, inclusief de herstelbetalingen te verrichten aan de Britten.
Verblijf in Mongolië, Kumbum en Peking thumb|left|De achtste Jabzandamba Thubten Gyatso kwam in november aan in Urga, huidig Ulaanbaatar en hoofdstad van Mongolië. Het hoofd van de gelugschool in Mongolië, de achtste Jabzandamba, nam het echter niet zo nauw met de voorgeschreven leefregels binnen de gelugtraditie: hij was getrouwd, dronk alcohol en rookte, zelfs in het bijzijn van de dalai lama. Door het begaan van dergelijke hoofdzonden was de relatie tussen beide tulku's erg gespannen. De contacten met de Russische consul en de Russische minister Pokotiloff van Chinese zaken, die hem in Urga bezocht, waren daarentegen uiterst hartelijk. Maar Rusland had juist de Russisch-Japanse Oorlog verloren en kon Tibet geen hulp bieden tegen de Britten. Op verschillende momenten hadden de Russen getoond de positie van de dalai lama veel beter in te schatten dan de Britten of Amerikanen dat hadden gedaan. Zo was Lawrence Waddell bijvoorbeeld met de Britse veldtocht meegereisd als cultureel adviseur en kenner van het Tibetaans boeddhisme. In deze tijd schreef hij over het hopeloze karakter van de dalai lama en diens ontembare humeur en ongeschiktheid voor de regering, volgens Charles Bell twee uitspraken die bijzonder ver van de waarheid afstonden.
De dalai lama bleef twee winters in Urga, ondanks de ijzige vrieskou die daar in de winter heerste en de last die zijn verblijf voor de bevolking betekende. De regels schreven namelijk voor dat niet alleen de hoge lama's, maar ook hun gevolg kosteloos van voedsel, onderdak en transport moesten worden voorzien. In het geval van de dalai lama bestond dat al snel uit enkele honderden personen. De aanwezigheid van twee zulke hoge lama's in de stad drukte daarom zwaar op de bevolking.
thumb|Kumbumklooster