Kültepe (Turks: Asheuvel) is een modern dorpje gelegen bij de ruïnes van de stad Kaneš of Kanesh (Hettitisch: Neša, later ook Anisa), in de provincie Kayseri in Turkije. De dichtstbijzijnde stad is Kayseri, ongeveer 20 km naar het zuidwesten. Kültepe ligt in de vlakte van Kayseri, die in het zuiden begrensd wordt door het vulkanische massief Erciyes Dağı. De opgravingen bevinden zich bij het gehucht Karahöyük en rond 20 km ten zuiden van de rivier Kızılırmak.

Kaneš was bewoond vanaf het chalcolithicum tot de Romeinse tijd. Het was een bloeiende Hattische/Hettitische/Hurritische stad, met een grote handelsnederzetting (kârum) van het Oud-Assyrische Rijk, vanaf ca. de 20e tot de 16e eeuw v.Chr.

De opgravingen strekken zich uit over twee gebieden, de beneden- en de bovenstad. De resten van de bovenstad met de citadel liggen op een 20 m hoge, vrijwel cirkelvormige heuvel met een doorsnee van ongeveer 520 m. De benedenstad bevindt zich in de vlakte. Voor de bovenstad kan bewoning vanaf de Vroege Bronstijd tot de Romeinse tijd aangetoond worden, zij het met onderbrekingen. De benedenstad was in de Midden-Bronstijd bewoond en in de Antieke tijd werden er graven aangelegd.

Naam Kültepe is een van de weinige archeologische vindplaatsen in Anatolië waarvan we met zekerheid de naam kennen, zoals deze in de Bronstijd geweest is. Uit de gevonden documenten in spijkerschrift heette de stad destijds Kaniš (Kaneš; kà-ni-išKI) en in het Hettitisch Nēša (URUNe-e-ša). De Hettieten gebruikten beide namen afwisselend; het is erg onwaarschijnlijk dat Nēša de bovenstad en Kaniš dat deel van de benedenstad aanduidde waar zich het kārum bevond. De naam van de Antieke nederzetting was Anisa (ΑΝΙΣΑ), zoals blijkt uit een gevonden inscriptie. De oude naam Kaniš duikt opnieuw op in een Osmaans juridisch document van de 17e eeuw waarin sprake is van het dorp kariye i-Kıŋıš.Tahsin Özgüç: Ausgrabungen in Kültepe 1948; TTKY 5/10. De etymologie van het toponiem is onbekend.

De Hettieten noemden hun taal naar deze stad našili, nešili of nešumnili. Dit is een aanduiding dat de stad en de streek eromheen tot het stamland van dit volk behoorde. In het Nieuwassyrisch is een woord allānkaniš, allākkaniš (Kaniš-Eikel) overgebleven, dat vermoedelijk hazelnoot betekent. Deze noten werden al in de Bronstijd als delicatesse verhandeld van de kust van de Zwarte Zee via Kaniš naar Mesopotamië, waar hazelaars niet voorkomen.Thomas Sturm: allānū – Haselnüsse als Delikatesse im kārum-zeitlichen Handel von Anatolien nach Nordmesopotamien. In: Altorientalische Forschungen 35, 2008, p. 296–311.

Opgravingen

Sinds 1880 doken er op de markt tabletten met spijkerschrift op die naar hun herkomst Cappadocische tabletten genoemd worden. Er waren zo'n 3000 teksten; de meeste ervan zijn inmiddels gepubliceerd. In 1925 werd Kültepe als de bron ervan geïdentificeerd.Jan Gerrit Dercksen: The old Assyrian copper trade in Anatolia. Istanbul 1996, Nederlands Historisch-Archaeologisch Instituut te Istanbul; 75.

De eerste opgravingen werden uitgevoerd door Ernest Chantre in de jaren 1893 en 1894. Op zoek naar de Hettitische hoofdstad Ḫattuša ondernam Hugo Winckler 1906 proefopgravingen in Kültepe. De benedenstad werd pas in 1925 door Bedřich Hrozný ontdekt. Sinds 1948 werd de vindplaats systematisch onderzocht door de "Türk Tarih Kurumu", het Turkse historische gezelschap onder leiding van Tahsin Özgüç. Sinds 2006 leidt Fikri Kulakoğlu de opgravingen.

Documenten thumb|320px|Centraal-Anatolië tijdens de kārum-tijd Bij de opgravingen werden er nog veel meer kleitabletten gevonden met inscripties in de oud-Assyrische variant van het Akkadisch. In 2011 waren er in totaal meer dan 23.000 behorende tot ten minste 70 verschillende archieven.Klaas R. Veenhof: „Modern“ features in Old Assyrian Trade. In: Journal of the Economic and Social History of the Orient 40, 1997, p. 338. De meeste ervan stammen uit het kārum II, zo'n 500 uit het kārum Ib, en ongeveer 50 uit de bovenstad.Gojko Barjamovic: A Historical Geography of Anatolia in the Old Assyrian Colony Period; Kopenhagen 2011. , p. 55. Nog meer oud-Assyrisch materiaal werd in Boğazkale (oud-Assyrisch Ḫattuš), Alişar Höyük (Amkuwa) en Acemhöyük gevonden. De tabletten zijn meest van commerciële aard zoals overeenkomsten, schuldbrieven, inventarislijsten, reiskosten, juridische documenten of brieven. Er zijn echter ook huwelijkscontracten, testamenten, scheidingspapieren, toverspreuken en vertellingen. Actuele politieke zaken komen maar zelden aan bod. Voor een deel zijn echter de namen van de huiseigenaars en van hun familie wel bekend.

Codering en ontcijfering De tabletten omvatten een tijdbestek van ca 250 jaar. De sinds 1948 in Kültepe gevonden tabletten krijgen de afkorting 'kt' of 'k' mee (voor karum). De vondsten van 1948 tot 1972 krijgen de letters a-z, nadien worden de laatste twee plaatsen door een jaartal ingenomen.Klaas R. Veenhof: „Modern“ features in Old Assyrian Trade. In: Journal of the Economic and Social History of the Orient 40, 1997, p. 336.

Het enorme aantal van meer dan 23.000 tabletten (2013) worden door meerdere wetenschappers bewerkt, maar het grootste deel van de teksten liggen nog op publicatie te wachten en zijn daardoor maar voor weinig onderzoekers toegankelijk. Omdat er steeds nieuw materiaal bekend wordt moeten de onderzoeksresultaten regelmatig bijgesteld worden omdat er telkens nieuwe gegevens zijn.

Tot voor kort werden bijvoorbeeld Ḫurmeli en Ḫarpatiwa als koningen van Kaniš beschouwd; nu denken we dat Ḫarpatiwa alleen maar rabi simmiltim („Overste van de Trap“) in Kaniš was, wat overigens wel de machtigste positie behoudens de koning was. Ḫurmeli werd enige tijd gezien als koning van Mama, dan juist van Ḫarsamna en uiteindelijk weer als ten minste de Hoge Koning van Kaniš.

Chronologie Archeologisch kunnen de vondsten op de heuvel in 18 lagen worden onderverdeeld. Ze worden genummerd van 1 tot 18, waarbij laag 1 de bovenste en daarmee de jongste laag vondsten vertegenwoordigt. De bouwwerken in de benedenstad worden in vijf lagen onderverdeeld. Zij worden met Romeinse cijfers genummerd. De laag Ia van de benedenstad komt qua tijd overeen met de laag 6 van de bovenstad.

De lagen uit de Midden-Bronstijd kunnen nauwkeuriger gedateerd worden door het gebruik van Assyrische eponiemenlijsten. We volgen hier middelste chronologie die de verovering van Babylon door Muršili I in 1595 v.Chr. plaatst. Hoewel de absolute chronologie nog steeds omstreden is, is de middelste chronologie het meest gebruikelijk in het onderzoek van de oud-Assyrische tijd. Ook hier geldt dat zaken aan het licht kunnen komen die herziening kunnen vereisen. De dendrochronologie heeft echter wel een aantal belangrijke ijkpunten verschaft, hoewel ook die techniek een bepaalde onzekerheid bezit.

Stratigrafie van Kültepe Heuvel Vlakte Tijdperk Naam Betekenis Details 18 — Vroege Bronstijd I    Prehistorie 17–14 — Vroege Bronstijd II     13–11 — Vroege Bronstijd III     10 IV Midden-Bronstijd   Begin van de stedelijke ontwikkeling Nog weinig opgegraven. Waarschijnlijk nog prehistorisch 9 III Midden-Bronstijd     8 II kārum-tijd1974/1927–1836 v.Chr. Kanišcentrum van de Assyrische handel in AnatoliëDrinkbekers in de vorm van dieren uit aardewerk. Bullae van Naram-Sin van Eshnunna. Verwoesting door brand. 7 Ib kārum-tijd1832/1800–1719 v.Chr. Kaniš Assyrisch handelscentrumNa korte onderbreking herbouw. Handel met Ishme-dagan. Nederzetting opnieuw platgebrand 6 Ia Oud-Hettitische tijd Neša heeft geen centrale betekenis meerGeen Assyrische nederzettingen meerHettitische gebouwen. Onbewoond 5–4 — IJzertijd9e/8e eeuw v.Chr.   centrum in het Luwische land Tabal Onbewoond 3 Graven Hellenistische tijd Anisa Polis; munten vanaf 323 v.Chr. 2–1 Graven Romeinse tijd onbelangrijke nederzetting; munten tot 180 n.Chr.

Daarenboven werden in het gebied van de benedenstad enige graven aangetroffen uit de vroege Middeleeuwen, maar vooralsnog geen sporen van een nederzetting.Gojko Barjamovic: A Historical Geography of Anatolia in the Old Assyrian Colony Period; Kopenhagen 2011, p. 231. .

Dendrochronologie Dendrochronologisch onderzoek uit het paleis van laag 8 liet zien dat dit na 2024 v.Chr. gebouwd moet zijn, waarbij hout gebruikt werd dat enige honderden jaren oud was. Dit oude paleis (Turks: Eski Saray) werd door brand verwoest. Het hout voor het nieuwe paleis in laag 7 werd in het jaar 1833 geveld.Maryanne W. Newton et al.: A Dendrochronological Framework for the Assyrian Colony Period in Asia Minor; TÜBA-AR VII 2004 (PDF). Omdat in dit paleis een brief gericht aan koning Waršama van Kaniš gevonden is. wordt dit gebouw het Waršama-paleis (Turks: Warşama Saray) genoemd.

Eponiemen Uit de tijd van kārum II zijn verscheidene eponiemenlijsten gevonden die meestal met de troonsbestijging van Erišum I (= 1974 v.Chr.) beginnen en een totaal van 129 naar hoogwaardigheidsbekleders benoemde jaren omspannen. Bovendien is er een lijst uit het kārum Ib, die in het achtste jaar van Naram-Sîn (= 1864 v.Chr.) begint en 142 eponiemen geeft.Canit Günbattı: An Eponym List (KEL G) from Kültepe. In: Altorientalische Forschungen 35, 2008, p. 103–132.

Er zijn momenteel (2013) twee gangbare modellen voor het tijdverloop. Het eerste model laat kārum II met het eerste jaar van Erišum I beginnen. Na de verwoesting van de nederzetting en het paleis rond 1835 werd het paleis weliswaar onmiddellijk herbouwd maar het kārum Ib pas na ongeveer 30 jaar.Klaas R. Veenhof: The Old Assyrian list of year eponyms from Karum Kanish and its chronological implications; Turkish Historical Society, Ankara 2003. De tweede, wat jongere uitleg laat kārum II pas met het zevende jaar van Ikūnum (= 1927 v.Chr.) beginnen en het gat tussen kārum II en Ib wordt op 2 tot 3 jaar geschat.Canit Günbattı: An Eponym List (KEL G) from Kültepe. In: Altorientalische Forschungen 35, 2008, p. 103–132. Aan de hand van de lijst die in het kārum Ib gevonden is, die echter niet compleet is en wat foutjes bevat kan het einde van kārum Ib op 1720 gedateerd worden.

Munten In de graven uit de Hellenistische en Romeinse tijd zijn vijf munten gevonden die beginnen met het jaar 323 v.Chr. en ophouden met het jaar 180 n.Chr. Daaruit kan een minimale duur van de Antieke nederzetting afgeleid worden.

Geschiedenis thumb|Figurine van een tweekoppige godheid uit de Vroege Bronstijd Legendes Met Kaniš/Neša zijn twee legendes verbonden, waaruit overigens geen enkele historische conclusies getrokken kunnen worden.

In een tekst over de vroege Hettitische geschiedenis, de zogenaamde Zalpa-Tekst (CTH 3), wordt in het Woord Vooraf een legende verhaald, volgens dewelke de koningin van Kaniš tegelijkertijd aan dertig zonen het leven schonk, die zij -omdat zij dit griezelig vond- in de rivier de Maraššanta (Kızılırmak) gooide. De jongetjes werden naar zee gespoeld en in Zalpa grootgebracht. Later baarde dezelfde vorstin dertig dochtertjes die ze wel zelf grootbracht. Eenmaal volwassen gingen de zonen op zoek naar hun moeder in Kaniš en huwden in onwetendheid met de dertig dochters ondanks de waarschuwing van de jongste zuster. De rest van het verhaal ontbreekt.

De fragmentarisch bekende Hettitische legende van Narām-Sîn (ca.2254-2218 v.Chr.)Trevor Bryce, The Kingdom of the Hittites, rev, ed, 2005:10. noemt onder de legendarische 17 vijanden van deze Akkadische koning ook een koning Zipani van Kaniš.

Vroege Bronstijd De oudste bouwwerken stammen uit de Vroege Bronstijd. Het zij huizen met meerdere kamers opgetrokken uit lemen tichels op een stenen fundament. De graven werden binnen de nederzetting aangelegd. Er bevinden zich typische ronde graven onder die in de regel uit twee kamers bestaan.